Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3757

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/4531 WOB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP7115, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur is onvoldoende concreet gemaakt door eiser. Verweerder is eiser voldoende behulpzaam geweest bij het nader concretiseren van zijn verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Regnr.: AWB 09/4531 WOB

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], handelend onder de naam [naam], wonende te [plaats],

en

de minister van Economische Zaken, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij brief van 22 maart 2006, gericht aan minister-president Balkenende, heeft eiser een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ingediend. Bij brief van 23 mei 2006 heeft de minister van Justitie verweerder verzocht de behandeling van het verzoek over te nemen voor zover dat betrekking heeft op informatie op het terrein van het ministerie van Economische Zaken.

Bij besluit van 30 juni 2008 heeft verweerder besloten zes documenten gedeeltelijk openbaar te maken en één document in zijn geheel niet openbaar te maken. Bij dit besluit heeft verweerder tevens besloten eisers verzoek om openbaarmaking van documenten die informatie bevatten over het toezicht op de Telecommunicatiewet en het optreden van de overheid en de OPTA in het bijzonder niet in te willigen wegens het ontbreken van voldoende concreetheid van de door eiser genoemde bestuurlijke aangelegenheid.

Tegen dit besluit heeft eiser bij verweerder bezwaar gemaakt. Tijdens een ambtelijke hoorzitting op 8 april 2009 is eiser door verweerder op zijn bezwaar gehoord.

Bij besluit van 13 mei 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 22 juni 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 11 juni 2010 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. I.P. Hasper en D.E. Rufi.

II OVERWEGINGEN

1Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wob vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

In artikel 3, vierde lid, van de Wob is bepaald dat het bestuursorgaan, indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, de verzoeker zo spoedig mogelijk verzoekt om zijn verzoek te preciseren en hem daarbij behulpzaam is.

2 Ter beoordeling staat de afwijzing van eisers verzoek door verweerder voor zover dat verzoek betrekking heeft op openbaarmaking van documenten die informatie bevatten over het toezicht op de Telecommunicatiewet en het optreden van de overheid en de OPTA in het bijzonder.

3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiser omschreven bestuurlijke aangelegenheid te algemeen geformuleerd is. Op grond van deze omschrijving was verweerder niet in staat om gericht een inventarisatie te maken van de binnen het ministerie van Economische Zaken aanwezige informatie neergelegd in documenten en was het voor verweerder niet mogelijk om deze informatie met inachtneming van de Wob al dan niet openbaar te maken. Eiser is meermalen verzocht zijn Wob-verzoek te preciseren, maar eiser heeft zijn verzoek niet voldoende concreet gemaakt.

4 Eiser heeft in beroep -samengevat- het volgende aangevoerd.

Het besluit vermeldt onjuiste data. Ook ontbreekt een bijlage. Er bestaan daarnaast onduidelijkheden over het uitgevoerde onderzoek en de aanloop naar het Wob-verzoek. Het onderzoek lijkt onvolledig te zijn. Er is gebruik gemaakt van een willekeur aan bronnen. Verweerder is niet ingegaan op de vraag van eiser in het algemeen door hoofdzaken en bijzaken niet te scheiden. Verweerder heeft in strijd met de Grondwet en de Telecommunicatiewet gehandeld. De ministeries hebben slecht samengewerkt. Er is geen sprake geweest van waarheidsvinding door verweerder. De procedures zijn voorts onduidelijk en er worden bedrijfsprocessen genegeerd. Daarbij ontbreekt toezicht op de Telecommunicatiewet, wordt het toezicht gejuridiseerd zonder eerst in te gaan op haalbaarheid en wordt berust in het feit dat een ondernemer naar willekeur geen aangifte kan doen.

5 In zijn Wob-verzoek heeft eiser -voor zover thans van belang- aangegeven informatie te willen ontvangen over de gang van zaken rond het toezicht op de Telecommunicatiewet en het optreden van de overheid en de OPTA in het bijzonder.

Verweerder heeft bij brief van 26 juni 2006 gevraagd aan eiser zijn verzoeken zoveel mogelijk te preciseren qua tijd en onderwerp. Voorts blijkt uit de stukken dat een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen eiser en een medewerker van verweerder. Hierin heeft de medewerker van verweerder aan eiser gemeld dat zijn Wob-verzoek te breed is geformuleerd en het ondoenlijk is hele archieven naar hem toe te sturen. In dit gesprek is onder meer afgesproken dat eiser nog een poging zou doen om concrete verzoeken op papier te zetten. Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar blijkt dat aan de orde is geweest dat het Wob-verzoek te algemeen geformuleerd is. Eiser heeft blijkens dit verslag aangegeven dat hij het moeilijk vindt zijn Wob-verzoek te preciseren. Hij heeft met zijn Wob-verzoek beoogd te achterhalen waar het toezicht van de overheid begint en waar het eindigt en wil aantonen dat KPN onjuiste informatie aan de overheid heeft verstrekt.

6.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het Wob-verzoek ten aanzien van de gevraagde informatie over het toezicht op de Telecommunicatiewet en het optreden van de overheid en de OPTA in het bijzonder onvoldoende concreet is gemaakt door eiser. Verweerder was dan ook niet gehouden onderzoek te doen naar eventueel aanwezige documenten die informatie kunnen bevatten over deze onderwerpen. Gelet hierop kunnen de gronden van eiser die zien op het onderzoek niet tot een gegrondverklaring van het beroep leiden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet gehouden was documenten bij andere ministeries op te vragen. Verweerder diende enkel te beslissen op het voorliggende verzoek. De gronden die zien op het probleem dat aan het Wob-verzoek ten grondslag ligt, de door eiser gestelde storingen met betrekking tot een ISDN-aansluiting van KPN, kunnen gelet hierop evenmin tot een gegrondverklaring van het beroep leiden.

6.2 Gelet op hetgeen onder 5 is overwogen is verweerder eiser voldoende behulpzaam geweest bij het nader concretiseren van zijn verzoek.

6.3 Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat het besluit vernietigd zou moeten worden omdat het onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De onjuiste datum is een kennelijke verschrijving. Duidelijk is dat het besluit van 30 juni 2008 aan de orde was en niet een besluit van 30 juni 2009. Voorts is het verslag van de hoorzitting abusievelijk niet als bijlage bij het besluit meegezonden. Dit verslag was echter reeds bij eiser bekend en is bovendien nagezonden op 20 mei 2009.

7 Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

8 De rechtbank overweegt dat van eiser, als natuurlijk persoon, ten onrechte een griffierecht van € 297,- is geheven. Het griffierecht voor het onderhavige beroep bedraagt € 150,-. Het verschil van € 147,- zal door de rechtbank aan eiser worden terugbetaald.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.P. Pereira Horta, mr. J.W.H.B. Sentrop en

mr. dr. Th.L. Bellekom, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. de Graaf.

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.