Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3747

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/6595 SUCCR
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Successierecht: rechtbank stelt waardering kunstvoorwerp op overlijdensdatum schattenderwijs vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/54.2.3
FutD 2010-1923 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09/6595 SUCCR

Uitspraakdatum: 19 mei 2010

Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 1 september 2009 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres opgelegde navorderingsaanslag in het recht van successie wegens een verkrijging in het jaar 2003 (aanslagnummer [nummer]).

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2010.

Eiseres is daar in persoon verschenen, alsmede haar gemachtigde mr. [A], bijgestaan door mr. [B], [C], [D],

[E] en [F]. Namens verweerder is verschenen mr. [G], bijgestaan door mr. [H].

II BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag naar een verkrijging van € 2.649.920, onder verrekening van het bedrag van de primitieve aanslag van € 16.998, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder de kosten van beroep ten bedrage van € 3.300 aan eiseres te voldoen;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan haar vergoedt.

III OVERWEGINGEN

1. De vader van eiseres, [I] (hierna: erflater), is op [datum] 2003 overleden (hierna: de overlijdensdatum). Eiseres, haar twee zussen en haar broer zijn de erfgenamen van erflater.

2. Tot de nalatenschap van erflater behoort een zeldzame Chinese pot uit de periode van [periode] (hierna: de pot).

3. In de aangifte successierecht van 31 juli 2004 is als saldo van de nalatenschap van erflater aangegeven een bedrag van € 520.383. Daarbij is de waarde van kunstvoorwerpen voor een bedrag van € 12.500 in aanmerking genomen. Bij de aanslagregeling is verweerder alleen op het punt van de eigen woning van de aangifte afgeweken. Het saldo van de nalatenschap heeft hij vastgesteld op € 580.383.

4. De pot is op 12 juli 2005 bij een veiling van het veilinghuis [veilinghuis] verkocht voor een prijs van € 23.000.000.

5. Op 25 november 2005 hebben de erfgenamen van erflater een suppletie-aangifte ingediend naar een totale verkrijging van € 699.683. Aan de pot is in de suppletie-aangifte een waarde toegekend van € 100.000.

6. Met dagtekening 18 maart 2008 heeft verweerder de navorderingsaanslag opgelegd. Daarbij heeft verweerder, uitgaande van een waarde van de pot van € 23.000.000, het totaal van de nalatenschap vastgesteld op € 23.599.683 (€ 5.899.920 per verkrijging).

7. In geschil is de waarde van de pot op de overlijdensdatum. Eiseres bepleit een waarde van, uiteindelijk, € 100.000. Zij heeft daartoe verwezen naar een door eiseres overgelegd deskundigenbericht van dr. Clare McAndrew (hierna: McAndrew). Niet in geschil is dat de navorderingsaanslag dient te worden verminderd met het bedrag van de primitieve aanslag ten bedrage van € 16.998.

8. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Successiewet 1956 dient de waarde van het verkregene - in dit geval: de pot - te worden bepaald naar de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van de verkrijging. Onder de waarde in het economische verkeer dient in dit verband te worden verstaan de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de pot meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn betaald.

9. Op verweerder rust de bewijslast aannemelijk te maken dat hij de waarde van de pot niet te hoog heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd, daarin niet geslaagd. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verweerder reeds vóór het doen van de uitspraak op bezwaar, op grond van het door hem zelf bij het Instituut Collectie Nederland ingewonnen advies, over informatie beschikte dat de waarde van de pot rond de overlijdensdatum ongeveer € 12.000.000 zou zijn geweest. Daarnaast ontleent de rechtbank aan het deskundigenbericht van McAndrew dat er zich in de periode tussen de overlijdensdatum en de verkoopdatum, gelet op de in figuur 4 van het deskundigenbericht opgenomen prijsindexcijfers van november 2003 en juli 2005 van respectievelijk ongeveer 110 en 240, een algemene waardestijging op de markt van Chinees keramiek uit de periode [periode] van tenminste 100% heeft voorgedaan. Verweerder heeft deze waarde-ontwikkeling niet weersproken. Daarnaast valt uit het deskundigenbericht van McAndrew op te maken dat, naar verweerder onvoldoende heeft weersproken, in vorengenoemde periode nog andere factoren, zoals een groeiende schaarsheid en de snel toenemende Chinese welvaart, voor de waarde-ontwikkeling van belang zijn geweest. Aan hetgeen verweerder in zijn pleitnota omtrent de reactie van drs. [J] van het Instituut Collectie Nederland op het deskundigenbericht van McAndrew heeft aangevoerd, gaat de rechtbank voorbij, nu verweerder het door hem bij het Instituut Collectie Nederland ingewonnen advies omtrent de waarde van de pot niet heeft ingebracht. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de pot op de overlijdensdatum gelijk is aan de 20 maanden later in juli 2005 gerealiseerde verkoopprijs van de pot van € 23.000.000.

10. Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft zij, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, evenmin de door haar voorgestane waarde in het economische verkeer van de pot aannemelijk gemaakt. Aan de in december 2004 door het veilinghuis [veilinghuis] verrichte taxaties, waarbij de waarde van de pot was getaxeerd op respectievelijk een bedrag tussen € 80.000 en € 100.000 en een bedrag tussen € 300.000 en € 400.000, kan niet het gewicht worden toegekend dat eiseres daaraan gehecht wil zien. Taxaties zijn immers steeds op schattingen gebaseerd, waarbij de uitkomst van die schatting sterk afhangt van de daarbij gehanteerde uitgangspunten. De daadwerkelijke verkoop van de pot op 12 juli 2005 heeft hier echter geleid tot een gerealiseerde verkoopprijs, die beduidend hoger is dan de door het veilinghuis [veilinghuis] getaxeerde waarden. Naar het oordeel van de rechtbank vertegenwoordigt die verkoopprijs de waarde in het economische verkeer op 12 juli 2005. De omstandigheid dat die verkoopprijs op een veiling tot stand is gekomen, doet aan voormeld oordeel niet af. Eiseres heeft, gelet op de in juli 2005 gerealiseerde verkoopprijs van € 23.000.000, dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de waarde in het economische verkeer van de pot 20 maanden eerder op de overlijdensdatum slechts

€ 100.000 bedroeg.

11. De rechtbank gaat voorbij aan het verzoek van eiseres om McAndrew als deskundige te horen, nu de rechtbank het deskundigenbericht van McAndrew reeds in haar overwegingen heeft betrokken en een verdere toelichting op dat deskundigenbericht redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

12. Nu geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank erin is geslaagd het van haar gevergde bewijs te leveren, en ter zitting is gebleken dat de bereidheid om tot een compromissoire oplossing te komen bij hen ontbreekt, zal de rechtbank de waarde van de pot op de overlijdensdatum schattenderwijs vaststellen. Uitgaande van de in juli 2005 gerealiseerde verkoopprijs van de pot van € 23.000.000 en rekening houdende met de in het deskundigenbericht van McAndrew naar voren komende algemene waardestijging in de periode tussen de overlijdensdatum en de verkoopdatum op de markt van Chinees keramiek uit de periode [periode], zoals hiervoor onder 9 is weergegeven, van tenminste 100%, alsmede de overige in de periode tussen de overlijdensdatum en de verkoopdatum uit het deskundigenbericht naar voren komende factoren, zoals een groeiende schaarsheid en de snel toenemende Chinese welvaart, stelt de rechtbank de waarde van de pot op de overlijdensdatum, met in achtneming van hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, vast op € 10.000.000.

13. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en dient de navorderingsaanslag te worden verminderd naar een verkrijging van € 2.649.920 ((€ 23.599.683 - /- € 13.000.000)

: 4), onder verrekening van het bedrag van de primitieve aanslag van € 16.998.

14. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), die afwijking van de forfaitaire regeling van het Besluit rechtvaardigt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder heeft erkend dat hij ten tijde van de uitspraak op bezwaar over informatie beschikte waaruit blijkt dat de waarde van pot op de overlijdensdatum aanzienlijk lager was dan de eerder door hem vastgestelde waarde van

€ 23.000.000. Niettemin heeft verweerder de navorderingsaanslag in de uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Daarmee heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, bij zijn uitspraak op bezwaar een standpunt gehandhaafd, waarvan op dat moment reeds duidelijk was dat dit in beroep geen stand zou houden.

15. Eiseres heeft de te vergoeden kosten, blijkens de door haar ingediende specificaties, geraamd op € 5.145 ((€ 6.925 + € 11.710 + € 1.500 + € 446,15) : 4). Uit die specificaties blijkt dat het voor een deel gaat om kosten die volgens het Besluit niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat een deel van de kosten gezien de datum van de uitspraak op bezwaar niet op het beroep betrekking heeft. De rechtbank stelt het bedrag van de op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komende kosten vast op € 3.300.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. K.M. Braun en mr. G.J. Ebbeling, in tegenwoordigheid van de griffier mr. U.A. Salomons.

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.