Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3635

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
371282 - KG ZA 10-895
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voorshands is niet gebleken dat de Staat onrechtmatig handelt jegens eiser door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen en de door hem voorgestelde betalingsregeling niet te accepteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 10 augustus 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 371282 / KG ZA 10-895 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. S. Ben Ahmed te Rotterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelend te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Szabo te ’s-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 3 augustus 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij vonnis van 22 januari 2009 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Dordrecht [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, wegens medeplichtigheid aan diefstal met geweld in vereniging. De rechtbank heeft aan [eiser] tevens twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd van in totaal € 11.946,57, bij gebreke van betaling te vervangen door in totaal 238 dagen hechtenis. Dit vonnis is op 16 februari 2009 onherroepelijk geworden.

1.2. Uit het door de Staat overgelegde zaakoverzicht van het Centraal Justitieel Incasso Bureau, hierna ‘CJIB’, blijkt dat de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregelen op 19 mei 2009 aan het CJIB is overgedragen. Bij brief van 29 mei 2009 is [eiser] aangeschreven voor de voldoening van de schadevergoedingsmaatregelen.

1.3. Bij brief van 8 juni 2009 heeft de advocaat van [eiser] het CJIB namens haar cliënt om uitstel van betaling verzocht, omdat [eiser] op dat moment gedetineerd was. Bij brief van 12 juni 2009 heeft het CJIB aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat uitstel van betaling niet mogelijk is, maar dat [eiser] wel een voorstel voor een betalingsregeling kan doen. Op 1 juli 2009 heeft [eiser] een dergelijk voorstel aan het CJIB toegezonden.

1.4. Het CJIB heeft bij brief van 10 juli 2009 – voor zover hier relevant – het volgende aan [eiser] meegedeeld:

“(…)

Ik sta u een voorlopige termijnbetalingsregeling toe bestaande uit 6 maandelijkse termijnen van € 20,00.

(…)

Voor 10 januari 2010 kunt u een hernieuwd verzoek indienen, aangepast aan de nieuwe financiële situatie.

(…)

Nadat ik de stukken heb ontvangen, zal ik de aanvraag beoordelen en een beslissing nemen.

Als u besluit de gevraagde stukken niet toe te zenden of besluit niet te betalen, zal ik de inning voortzetten en wordt het openstaande bedrag ineens opeisbaar.

(…)”.

1.5. [eiser] heeft niet voor 10 januari 2010 een hernieuwd verzoek om een betalingsregeling bij het CJIB ingediend, waarop het CJIB hem op 15 januari 2010 een acceptgiro heeft gezonden voor de betaling van het restant van de schadevergoedingsmaatregelen. [eiser] is niet tot betaling daarvan overgegaan, ook niet na een tweetal aanmaningen op 5 maart 2010 en 23 april 2010. Op 17 juni 2010 is daarom aan [eiser] een waarschuwing tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis verzonden.

1.6. Bij brieven aan het CJIB van 21 en 22 juni 2010 heeft de advocaat van [eiser] namens haar cliënt betalingsregelingen van respectievelijk € 100,-- en € 200,-- per maand voorgesteld. In een brief van 25 juni 2010 heeft het CJIB aan [eiser] meegedeeld niet akkoord te kunnen gaan met een betalingsregeling.

1.7. Toen betaling door [eiser] wederom uitbleef, is op 23 juli 2010 een arrestatiebevel jegens hem uitgevaardigd ter zake van vervangende hechtenis voor de duur van 220 dagen.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te bevelen de vervangende hechtenis niet ten uitvoer te leggen en met hem een betalingsregeling te treffen, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

2.2. Daartoe stelt [eiser] het volgende.

Tussen [eiser] en het CJIB is een betalingsregeling tot stand gekomen, op grond waarvan [eiser] maandelijks een bedrag van € 20,-- dient te betalen in het kader van de aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. [eiser] is ervan uitgegaan dat deze betalingsregeling voortgezet zou worden, zolang hij voor tijdige betaling zorgde. Na zijn detentie heeft [eiser] diverse betalingsregelingen aan het CJIB voorgesteld, maar het CJIB is daarmee niet akkoord gegaan. Het niet accepteren van de voorgestelde betalingsregeling en de dreigende tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis moeten als onrechtmatig jegens [eiser] worden aangemerkt. De schadevergoedingsmaatregelen zijn hoofdelijk aan [eiser] en zijn medeveroordeelden opgelegd. Door met die medeveroordeelden wel een betalingsregeling te treffen en met [eiser] niet, gaat het CJIB zijn beleidsvrijheid te buiten, hetgeen onrechtmatig is, te meer nu de termijn van 27 maanden waarbinnen de schadevergoedingsmaatregelen moeten zijn voldaan nog niet is verstreken. Er is geen sprake van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. Weliswaar heeft [eiser] niet tijdig een nieuwe betalingsregeling voorgesteld, maar dat rechtvaardigt niet de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Deze hechtenis zal immers niet leiden tot betaling en is daarmee een straf in plaats van een drukmiddel om tot betaling over te gaan. De tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is voorts onevenredig, omdat [eiser] niet in staat is het openstaande bedrag ineens te voldoen. [eiser] is sinds 9 maart 2010 uit detentie en probeert zijn leven weer op de rit te krijgen. Hij heeft werk gevonden, waarmee hij een inkomen van € 1.050,-- netto per maand verdient en hij beschikt sinds begin juli 2010 over een huurwoning. Voorts is [eiser] onder behandeling bij De Waag en Palier, welke behandeling niet kan worden voortgezet wanneer de vervangende hechtenis ten uitvoer wordt gelegd. De echtgenote van [eiser], met wie hij drie minderjarige kinderen heeft en die in verwachting is van hun vierde kind, verblijft op dit moment illegaal in Nederland. Of zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning hangt af van het inkomen van [eiser]. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen is tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis jegens hem onrechtmatig, aldus [eiser].

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

3.2. Kern van het geschil betreft de vraag of de Staat onrechtmatig handelt jegens [eiser] door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen en geen betalingsregeling ter zake van de schadevergoedingsmaatregelen te accepteren.

3.3. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB belast met de executie van onder meer schadevergoedingsmaatregelen.

3.4. Uit artikel 561 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat een vonnis zo spoedig mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. Uit artikel 561 lid 4 Sv volgt verder dat een schadevergoedingsmaatregel in ieder geval binnen twee jaar en drie maanden (27 maanden) na de dag waarop het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, moet zijn voldaan. De wijze waarop het CJIB deze maatregelen ten uitvoer legt, is neergelegd in de 'Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke invrijheidsstelling' (Staatscourant 23 juni 2008, nr. 118, pagina 12), (hierna: de Aanwijzing). In de Aanwijzing is ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan hiervan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen afbetalingsregelingen treft, tenzij een verzoek om een betalingsregeling op grond van bijzondere omstandigheden gehonoreerd kan worden. Het CJIB heeft in deze een ruime beleidsvrijheid, wat meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding deze beslissingen in beginsel slechts marginaal kan toetsen.

3.5. Gedurende een periode van een half jaar is sprake geweest van een voorlopige betalingsregeling tussen het CJIB en [eiser]. In de brief van het CJIB van 10 juli 2009 is duidelijk vermeld dat het een voorlopige betalingsregeling betrof en dat [eiser] vóór 10 januari 2010 een nieuw voorstel moest indienen. Dat hij daarvan niet op de hoogte was en in de veronderstelling verkeerde dat de voorlopige betalingsregeling zou voortduren, zoals [eiser] heeft gesteld, dient dan ook naar voorlopig oordeel voor zijn rekening te komen. Vaststaat dat [eiser] niet tijdig een nieuw betalingsvoorstel heeft gedaan, dat hij niet op de aan hem toegezonden acceptgiro en aanmaningen heeft gereageerd en dat hij pas op 21 en 22 juni 2010, derhalve na de uitvaardiging van de waarschuwing arrestatiebevel op 17 juni 2010, opnieuw een voorstel voor een betalingsregeling heeft gedaan. De Staat heeft aangevoerd dat het CJIB als beleid hanteert dat geen betalingsregeling meer getroffen wordt ingeval een arrestatiebevel wordt uitgevaardigd en dat hetzelfde heeft te gelden als er een waarschuwing arrestatiebevel is uitgevaardigd, hetgeen [eiser] niet heeft bestreden. Het hanteren van een dergelijk beleid valt binnen de aan het CJIB toekomende beleidsvrijheid en is voorshands niet onredelijk, nu een ander beleid ertoe zou leiden dat veroordeelden ermee zouden kunnen volstaan om met het aanbieden van een betalingsregeling te wachten tot hun (dreigende) arrestatie. De Staat is op grond van het voorgaande dan ook gerechtigd de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen. Dat [eiser] in de maanden maart en april 2010 nog betalingen van € 20,-- per maand heeft gedaan, is voorshands onvoldoende ter rechtvaardiging van het standpunt dat wederom een betalingsregeling tussen [eiser] en het CJIB tot stand zou zijn gekomen en doet dan ook aan het voorgaande niet af.

3.6. Het betoog van [eiser] dat het CJIB akkoord moet gaan met een nieuwe betalingsregeling, omdat met zijn mededaders, met wie [eiser] hoofdelijk is veroordeeld ter zake van de schadevergoedingsmaatregelen, wel een betalingsregeling is overeengekomen, kan evenmin worden gevolgd. De Staat heeft voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat deze mededaders zich wel aan de voorwaarden voor een betalingsregeling hebben gehouden, zodat de situatie van [eiser] niet met de situatie van de mededaders te vergelijken is. Mede gelet op het onder 3.5. geschetste beleid van het CJIB, valt voorshands niet in te zien op grond waarvan er voor het CJIB een verplichting zou bestaan om onder de gegeven omstandigheden een nieuwe betalingsregeling met [eiser] overeen te komen.

3.7. [eiser] heeft gesteld dat hij, gelet op zijn inkomsten, niet in staat is om het verschuldigde bedrag ineens te voldoen. Zijn onvermogendheid is op zichzelf echter onvoldoende ter rechtvaardiging van het standpunt dat niet zou mogen worden overgegaan tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Voor zover er al bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen rekening kan worden gehouden met het onvermogen van betrokkene, moet de strafrechter geacht worden hier oog voor te hebben gehad en past hier terughoudendheid van de civiele rechter. Niet kan worden gezegd dat de Staat in dit opzicht het beleid zoals dat is neergelegd in de Aanwijzing op onjuiste wijze heeft uitgevoerd. Nu voorts niet aannemelijk is geworden dat verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn – hetgeen overigens strijdig zou zijn met de stellingen van [eiser] over zijn draagkracht – kan de Staat overgaan tot de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Anders dan [eiser] heeft betoogd, maakt de omstandigheid dat de dreiging met vervangende hechtenis in het onderhavige geval vanwege zijn betalingsonmacht niet zal leiden tot een snellere betaling, waardoor de hechtenis in de ogen van [eiser] is verworden tot een strafoplegging in plaats van een drukmiddel om tot betaling over te gaan, de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis naar voorlopig oordeel niet onrechtmatig. De regeling van de schadevergoedingsmaatregel, neergelegd in artikel 36f Wetboek van Strafrecht, behelst dat vervangende hechtenis wordt bepaald voor het geval geen of onvolledige betaling of verhaal plaatsvindt. Hieruit volgt reeds dat de hechtenis ten uitvoer gelegd wordt in situaties waarin de veroordeelde de schadevergoedingsmaatregel niet kan voldoen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 juni 2000 (NJ 2000, 634) ook geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat dit door de wetgever onder ogen is gezien.

3.8. Tot slot heeft [eiser] nog gesteld dat hij ernstig in zijn belangen wordt geschaad door de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, doordat hij dan wellicht zijn baan en zijn huurwoning verliest, zijn behandeling bij De Waag en Palier niet kan worden voortgezet en de verblijfsstatus van zijn echtgenote onzeker wordt. Aan [eiser] moet worden toegegeven dat het ongelukkig is dat de vervangende hechtenis aanvangt op een moment dat hij stappen heeft ondernomen om tot resocialisatie te komen. Deze omstandigheid maakt de tenuitvoerlegging evenwel naar voorlopig oordeel niet onrechtmatig. De hechtenis is het gevolg van de aan [eiser] opgelegde straf en hechtenis raakt nu eenmaal per definitie aan de resocialisatie van een veroordeelde en beïnvloedt de situatie van zijn gezin. Ten overvloede wordt daarbij overwogen dat de termijnbedragen die [eiser] na het uitgevaardigde arrestatiebevel betaalt, de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid verminderen.

3.9. Een en ander leidt tot het oordeel dat voorshands niet is gebleken dat de Staat onrechtmatig handelt jegens [eiser] door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen en de door hem voorgestelde betalingsregeling niet te accepteren, zodat de vorderingen worden afgewezen.

3.10. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.079,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2010.

mvt