Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3522

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
09/901024-09 / 10/2505
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen afwijzing door de RC van de vordering om getuigen beperkt anoniem te horen. Officier van justitie is bevoegd een dergelijke vordering in het kader van een mini-instructie te doen. Er is onvoldoende voor een gegrond vermoeden dat de getuigen naar aanleiding van hun verklaring overlast zullen ondervinden indien hun namen bij verdachte bekend zouden zijn. Afwijzing hoger beroep.

Toepasselijke artikelen: 190, 448 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Parketnummer: 09/901024-09

Kenmerk RK: 10/2505

De raadkamer van de rechtbank 's-Gravenhage, gezien de akte van de griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage van 2 juli 2010, waarbij door de officier van justitie in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] (Turkije),

[adres]

hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 1 juli 2010, waarbij de rechter-commissaris beslist heeft op een vordering ex artikel 190, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De rechtbank beschikt over het strafdossier met bovengenoemd parketnummer en heeft onder meer gezien voormelde beschikking van de rechter-commissaris.

De rechtbank heeft op 20 juli 2010 dit hoger beroep in raadkamer behandeld.

De officier van justitie, appellant, is in raadkamer gehoord.

Verdachte bijgestaan door mr. R.J. van Eenennaam, advocaat te 's-Gravenhage, is in raadkamer gehoord.

De getuigen NN2 en NN3 zijn door de officier van justitie op de hoogte gesteld van de behandeling van het hoger beroep, maar niet in raadkamer verschenen.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot gegrondverklaring van het hoger beroep.

Procesverloop

Verdachte wordt er van verdacht samen met zijn broers een ander (hierna: aangever) te hebben mishandeld. NN2 is hier getuige van geweest. Zijn verklaring is neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 156 van het strafdossier. NN3 heeft daarbij voor NN2 vertaald. Die twee getuigen hebben uit angst voor represailles hun personalia niet opgegeven.

De officier van justitie heeft op 25 maart 2010 schriftelijk gevorderd dat de rechter-commissaris bij het verhoor van de getuigen NN2 en NN3 hen niet zou vragen naar bepaalde identificerende gegevens zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 190 Sv. Deze vordering is door de rechter-commissaris in haar beschikking van 1 juli 2010 afgewezen.

In raadkamer heeft de officier van justitie medegedeeld dat tegen het vragen naar beroep, leeftijd, woonplaats - voor zover die niet ook straatnaam en huisnummer omvat - en verwantschap van de getuigen geen bezwaar bestaat. Het hoger beroep beperkt zich thans derhalve tot het vragen naar de namen van NN2 en NN3.

De rechtbank is bevoegd tot afdoening van het hoger beroep, dat tijdig is ingesteld.

Beoordeling van het hoger beroep.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk was in haar vordering, omdat een vordering ex artikel 190, tweede lid, Sv alleen gedaan kan worden in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek en niet in het kader van een mini-instructie. De officier van justitie is op grond van artikel 36b Sv voorts slechts bevoegd het verhoor bij de rechter-commissaris bij te wonen en daarbij de nodige opmerkingen te maken, zodat een vordering om getuigen beperkt anoniem te horen niet mogelijk is, aldus de raadsman

De rechtbank verwerpt het betoog en overweegt daartoe als volgt.

In artikel 36c Sv is opgenomen dat onder meer het bepaalde in artikel 190 Sv van overeenkomstige toepassing is op het onderzoek van de rechter-commissaris in het kader van een zogenaamde mini-instructie. Die schakelbepaling houdt geen nadere beperking, ook niet tot enkel de bevoegdheden van de rechter-commissaris, zoals de raadsman bepleit. De door de raadsman aangehaalde zinsnede uit de wetsgeschiedenis noopt, nu ook daarin van een uitsluiting van de bevoegdheden van andere procesdeelnemers niet gerept wordt, niet tot een andere uitleg van deze bepaling. Dit leidt tot het oordeel dat de officier van justitie een vordering ex artikel 190, tweede lid, Sv ook kan doen in het geval van een mini-instructie.

De stelling van de raadsman dat artikel 36b Sv met zich meebrengt dat de officier van justitie slechts bevoegd is het verhoor bij te wonen en opmerkingen te maken berust op een onjuiste lezing van de wet. Bedoeld artikel ziet immers slechts op de bevoegdheden die de officier van justitie toekomen in het kader van het verhoor inzake de beslissing op het verzoek tot instellen van een mini-instructie.

Over de toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 190, tweede lid, Sv overweegt de rechtbank als volgt.

De rechter-commissaris kan aan een getuige in het kader van een verhoor 'beperkte anonimiteit' toekennen indien er gegrond vermoeden bestaat dat de getuige anders naar aanleiding van zijn verklaring overlast kan verwachten.

De officier van justitie heeft in een proces-verbaal van bevindingen gerelateerd over een incident dat heeft plaatsgevonden na het verhoor van de getuigen bij de rechter-commissaris. Terwijl zij stonden te wachten op vervoer door de politie zouden zij, zo heeft NN3 telefonisch aan de officier van justitie medegedeeld, in de gaten zijn gehouden door drie Turkse mannen. Eén van de mannen is verscheidene malen in de richting van de getuigen gelopen en heeft hen dreigend althans onderzoekend aangekeken.

Nadere gegevens over het incident of over de bedoelde mannen ontbreekt. De rechtbank acht de bevindingen van de officier van justitie dan ook onvoldoende concreet om het vereiste gegronde vermoeden (mede) op te kunnen baseren. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat het huis van de aangever na de mishandeling en aangifte daarvan is afgebrand.

De rechtbank overweegt verder dat in deze zaak een zeer ernstige verdenking voorligt. Verdachte wordt er van verdacht gepoogd te hebben de aangever om het leven te brengen door hem -samen met zijn broers- met een hard (ijzeren) voorwerp tegen diens hoofd en lichaam te slaan, tegen diens hoofd te schoppen en hem op diens lichaam te slaan. Hierna zou men getracht hebben aangever een auto in te treken. Het incident zou op straat hebben plaatsgevonden en vele voorbijgangers zouden hier getuige van zijn geweest.

De aard en omstandigheden van een strafbaar feit en de persoon van de verdachte(n) zouden op zichzelf voldoende kunnen zijn om het vereiste vermoeden te rechtvaardigen. In dit geval zijn de feitelijkheden, zoals die uit het dossier naar voren komen, echter niet dusdanig dat aard, omstandigheden of persoon op zichzelf genomen reeds een gegrond vermoeden opleveren dat de getuigen naar aanleiding van hun verklaring overlast zullen ondervinden indien hun namen bij verdachte bekend zouden zijn.

Ook verder zijn geen concrete feiten of omstandigheden aangedragen waaruit het bestaan van een dergelijk vermoeden zou kunnen worden afgeleid. Dit alles leidt er toe dat het hoger beroep van de officier van justitie ongegrond dient te worden verklaard.

Beslissing.

De rechtbank wijst het hoger beroep af.

Deze beschikking is gegeven in raadkamer te 's-Gravenhage op 3 augustus 2010 door

mr. Smelt, voorzitter, mrs. Keltjens en Meijers, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. Gunnewegh, griffier.