Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3399

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/962 OB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8025, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Datum ingaan van de bezwaartermijn na een (nihil-)aangifte. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1915
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09/962 OB

Uitspraakdatum: 29 juni 2010

Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 23 januari 2009 op het bezwaar van eiseres tegen het bedrag dat zij op de aangifte over het jaar 2007 heeft vermeld.

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2010.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde mr. [A].

II BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

III OVERWEGINGEN

3.1. Eiseres heeft voor het doen van de jaaraangifte omzetbelasting over 2007 uitstel gekregen tot 31 maart 2008. Op 21 maart 2008 heeft eiseres de vereiste aangifte gedaan naar een bedrag van nihil. Op 9 juni 2008 heeft eiseres, een suppletieaangifte gedaan, strekkende tot een teruggave omzetbelasting van € 87.161. Verweerder heeft de suppletieaangifte aangemerkt als bezwaar tegen de jaaraangifte van 21 maart 2008. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

3.2. Bij uitspraak van deze rechtbank van 10 juli 2009 is het beroep met toepassing van de vereenvoudigde afdoening ex artikel 8:54 van de Awb kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was voldaan. Eiseres heeft daartegen op 5 augustus 2009 verzet gedaan. Bij uitspraak van 6 oktober 2009 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard (AWB 09/962 OB V). Verweerder heeft daartegen geen beroep in cassatie ingesteld.

3.4. Op grond van het onder 3.1 en 3.2 overwogene staat thans ter beoordeling door de rechtbank of het bezwaarschrift van eiseres tijdig is ingediend.

3.5. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor de omzetbelasting aan op de dag na die van de voldoening. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.6. De rechtbank is van oordeel dat ingeval van een nihilaangifte de termijn voor het instellen van bezwaar geacht moet worden in te gaan op de laatste dag van tijdige betaling ingeval belasting verschuldigd zou zijn geweest. De uiterste betaaldag was 31 maart 2008 zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 12 mei 2008.

3.7. De stelling van eiseres dat de onder 3.1 vermelde suppletieaangifte, hoewel ingediend buiten de formele aangiftetermijn, moet worden aangemerkt als een aanvulling op de op 21 maart 2008 ingediende aangifte omdat deze aangifte niet gevolgd was door een aanslag of een (teruggaaf)beschikking (van nihil) dan wel een met een voor bezwaar vatbare beschikking gelijk te stellen voldoening op aangifte vindt geen steun in het recht. De in een tijdvak verschuldigd geworden omzetbelasting moet ingevolge artikel 14 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) op aangifte worden voldaan. Kenmerkend voor een aangiftebelasting als de omzetbelasting is dat een positieve aangifte niet wordt geformaliseerd door een aanslag. Voor een nihilaangifte is dit niet anders.

3.8. De stelling van eiseres dat de onder 3.1 vermelde suppletieaangifte moet worden aangemerkt als een bezwaar gericht tegen het niet tijdig opleggen van een aanslag of (teruggaaf)beschikking als bedoeld in artikel 6:2 van de Awb kan haar evenmin baten, nu, zoals hiervoor onder 3.7 is betoogd de regelgeving niet voorziet in een dergelijke aanslag of (teruggaaf)beschikking.

3.9. Eiseres neemt het standpunt in dat er sprake is van verboden discriminatie in de zin van artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en/of artikel 14 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) nu de termijn voor een teruggaafverzoek als bedoeld in artikel 17 van de Wet OB ingevolge artikel 33 van de Wet OB (tekst 2007) voor niet in Nederland gevestigde ondernemers langer is dan voor in Nederland gevestigde ondernemers. Vooropgesteld moet worden dat deze Verdragen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij verdient opmerking dat aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid moet worden gelaten bij de vraag of gevallen voor de toepassing van deze Verdragen als gelijk moeten worden beschouwd, en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (volgens EHRM van 22 juni 1999, nr. 46757/99, Della Ciaja/Italië, BNB/2002/398). Nu met betrekking tot de termijn voor het indienen van een teruggaafverzoek onderscheid wordt gemaakt naar vestigingsplaats binnen of buiten Nederland is de wetgever naar het oordeel van de rechtbank binnen deze marge gebleven. Van een in de wet opgenomen ongeoorloofde ongelijke behandeling is dan ook geen sprake.

3.10. Op grond van het hiervoor overwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Aldus vastgesteld door mr. K.M. Braun, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.P. Wismeijer.

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.