Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3393

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
09-753301-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 12 april 2010 een bloemenkiosk in Gouda heeft overvallen. Hij heeft de daar aanwezige medewerksters bedreigd met een mes en hen, in combinatie met het uiten van verbale bedreigingen, een geldbedrag uit de kassa afhandig gemaakt.

Tegelijkertijd heeft verdachte bij die overval het beeldscherm van de bewakingscamera vernield. Voorts heeft verdachte tijdens zijn verhoor op het politiebureau een politieagent met de dood bedreigd.

Ten slotte heeft verdachte tijdens dat verhoor computerhardware vernield.

Gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Reclassering. De straf valt lager uit dan gevorderd, nu de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/753301-10

Datum uitspraak: 6 augustus 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de P.I. Haaglanden,

Huis van Bewaring Zoetermeer te Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 23 juli 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.M. van der Kallen en van hetgeen door de raadsvrouwe van verdachte,

mr. I. Aardoom-Fuchs, advocaat te Gouda, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 december 2009 te Gouda met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [A] en/of [B] heeft gedwongen tot de afgifte van 80 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [C] en/of [K], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat:

- verdachte de zich in zijn nabijheid bevindende [A] en/of [B] (met) een mes, althans scherp en/of puntig voorwerp, heeft getoond en/of zwaaiende en/of wijzende bewegingen heeft gemaakt en/of

- verdachte (onderwijl) die [A] en/of [B] de woorden: "Ik heb een vervelende mededeling voor jullie, dit is een overval!" en/of "Snel, je geld, maak je kassa open." en/of "Ik wil geld in een tasje" en/of "Geen politie, niemand bellen. Jou ken ik en ik weet waar je woont. Anders zoek ik je op.", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, heeft toegevoegd;

en/of

hij op of omstreeks 22 december 2009 te Gouda met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon(hoorn), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [C] en/of [K], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [A] en/of [B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat:

- verdachte de zich in zijn nabijheid bevindende [A] en/of [B] (met) een mes, althans scherp en/of puntig voorwerp, heeft getoond en/of zwaaiende en/of wijzende bewegingen heeft gemaakt en/of

- verdachte (onderwijl) die [A] en/of [B] de woorden: "Ik heb een vervelende mededeling voor jullie, dit is een overval!" en/of "Geen politie, niemand bellen. Jou ken ik en ik weet waar je woont. Anders zoek ik je op.", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, heeft toegevoegd;

2.

hij op of omstreeks 13 maart 2010 te Gouda met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [D] en/of [E] en/of [F] heeft gedwongen tot de afgifte van 50 euro (in een plastic tasje), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [K], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat:

- verdachte de zich in zijn nabijheid bevindende [D] en/of [E] en/of [F] (met) een mes, althans scherp en/of puntig voorwerp, heeft getoond en/of zwaaiende en/of wijzende bewegingen heeft gemaakt en/of

- verdachte (onderwijl) die [D] en/of 't Hart en/of [F] de woorden: "Dit is een overval." en/of "Geef me al het geld, of ik steek met mijn mes iemand van jullie neer." en/of "Kassa open, geld nu, opschieten.", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, heeft toegevoegd

en/of

- verdachte (onderwijl) (meermalen) met zijn hand op de kassa sloeg;

3.

hij op of omstreeks 12 april 2010 te Gouda met het oogmerk om zich en/of een

ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[B] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of

[I] heeft gedwongen tot de afgifte van 200 euro (in een plastic

tasje), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[K], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk

geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat:

- verdachte de zich in zijn nabijheid bevindende [B] en/of [F] en/of

[G] en/of [H] en/of [I] (met) een mes, althans scherp en/of

puntig voorwerp, heeft getoond en/of zwaaiende en/of wijzende bewegingen heeft

gemaakt en/of

- verdachte (onderwijl) die [B] en/of [F] en/of [G] en/of

[H] en/of [I] de woorden: "Dit is een overval." en/of "Ik wil

geld, geld." en/of "Schiet op, anders steek ik effe iemand." en/of "Als ik

word gepakt, zal ik terugkomen en één van jullie neersteken.", althans woorden

van gelijke dreigende aard en/of strekking, heeft toegevoegd;

en/of

hij op of omstreeks 12 april 2010 te Gouda opzettelijk en wederrechtelijk een

beeldscherm, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[K], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk (met een mes) tegen dat beeldscherm te slaan;

4.

hij op of omstreeks 14 april 2010 te Gouda [J], brigadier van de

politie, Team Gouda, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[J] dreigend de woorden toegevoegd :"Als ik vrij ben en ik kom je

tegen, dan zoek ik je nog op en dan maak ik je dood. Hier ben jij wel de baas,

maar buiten ben ik dat!", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

5.

hij op of omstreeks 14 april 2010 te Gouda opzettelijk en wederrechtelijk

een (computer)beeldscherm en/of (behuizing van een) router en/of een

(computer)muis, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

Politie Hollands Midden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen

en daar opzettelijk en wederrechtelijk vorenbedoeld(e) beeldscherm en/of

router en/of muis tegen/op de grond te gooien;

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte drie keer een bloemenkiosk heeft overvallen, bij één van die overvallen een beeldscherm heeft vernield en dat hij gedurende zijn verhoor bij de politie een agent heeft bedreigd en goederen van de politie Hollands Midden heeft vernield.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feiten 1, eerste en tweede cumulatief/alternatief, 2, 3, eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4 en 5 heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van feiten 1, eerste en tweede cumulatief/alternatief, 2 en 4 wordt vrijgesproken en dat het onder de feiten 3, eerste en tweede cumulatief en 5 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van feit 1, eerste en tweede cumulatief/alternatief en feit 2

Vrijspraak

De officier van justitie baseert de bewezenverklaring voor de overvallen op

22 december 2009 (feit 1, eerste en tweede cumulatief/alternatief) en 13 maart 2010 (feit 2) op de herkenning van verdachte door twee aangeefsters ([B] en [F]) die ieder bij één van deze overvallen én beide bij de overval op 12 april 2010 (feit 3, eerste en tweede cumulatief/alternatief) aanwezig zijn geweest, de kleding en schoenen die in de woning van verdachte in beslag zijn genomen en die door twee aangeefsters ([B] en [A]) van de overval op 22 december 2009 zijn herkend als de kleding en schoenen van de dader, en ook op de wijze waarop de dader van de overvallen te werk is gegaan (modus operandi), die grote overeenkomsten vertoont met de overval op 12 april 2010.

De rechtbank is van oordeel dat er op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting weliswaar aanzienlijke aanwijzingen zijn voor de betrokkenheid van verdachte bij de overvallen op de bloemenkiosk op 22 december 2009 en 13 maart 2010 gepleegd, maar die aanwijzingen leveren op zichzelf en in onderling verband bezien, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op om deze feiten bewezen te kunnen verklaren. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Ten aanzien van de herkenning van verdachte door de aangeefsters [F] en [B].

Aangeefster [F], die zowel bij de overval op 13 maart 2010 als bij de overval op 12 april 2010 aanwezig is geweest, heeft verklaard verdachte bij de tweede overval aan zijn loopbeweging te herkennen. Aangeefster [B], die bij zowel bij de overval op 22 december 2009 als bij de overval op 12 april 2010 aanwezig is geweest, heeft verklaard dat zij het idee heeft dat het bij de overval op 12 april 2010 om dezelfde verdachte ging, nu die overvaller dezelfde positie in de winkel innam, dezelfde bewegingen en bedreigingen met het mes maakte en ook dezelfde opmerkingen heeft geuit. Ten aanzien van dat laatste betreft het de opmerkingen “Ik zal jullie steken” en “Schiet op”.

Dergelijke observaties zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende specifiek om te kunnen herleiden naar verdachte. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat bij overvallen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een mes, daarmee wordt gezwaaid en/of stekende bewegingen (al dan niet in de lucht) worden gemaakt om de woorden en dreiging kracht bij te zetten. Ook de omstandigheid dat de dader van de twee eerdere overvallen net als verdachte bij de overval op 12 april 2010 zou hebben geroepen: “Dit is een overval”, “Ik zal jullie steken” en “Schiet op” vormen in dat licht bezien geen uitlatingen die specifiek en onderscheidend zijn in die zin, dat daarmee kan worden uitgesloten dat een ander of anderen dan verdachte die eerdere overvallen kan/kunnen hebben gepleegd. Anders gezegd, de modus operandi die de overvaller heeft toegepast is onvoldoende specifiek om daaraan vergaande conclusies te verbinden.

Wat betreft de herkenning van het uiterlijk van verdachte door aangeefsters [B] en [F] stelt de rechtbank voorop dat zij geen twijfels heeft aan de oprechtheid van deze verklaringen. Niettemin is evenzeer van belang dat geenszins kan worden uitgesloten dat hun herkenningen zijn “gekleurd” doordat zij eerder slachtoffer waren van een soortgelijke overval met soortgelijke dader. Het gevaar ligt dan op de loer, zo is algemeen bekend, om de daders (onbewust) met elkaar te vereenzelvigen, nog daargelaten dat die waarnemingen telkens plaats hebben gevonden in bijzonder stressvolle situaties.

Dit klemt te meer daar het bewijs in belangrijke mate steunt op die ene herkenning per overval terwijl de door andere aangeefsters opgegeven signalementen van de dader op niet onbelangrijke punten verschillen vertonen (onder andere beschrijft aangeefster [A] een “opvallend grote neus”, p. 161, bij de dader van de overval in december 2009 terwijl verdachte die niet heeft, zo heeft de rechtbank ter terechtzitting kunnen waarnemen). Hierbij geldt voorts dat aangeefster [B] bepaald niet stellig is in haar herkenning (zij heeft slechts “het idee” dat de overvaller in december 2009 en in april 2010 dezelfde was). Bovendien gaf [B] in haar aangifte van de overval in december 2009 nog aan de overvaller niet te kunnen herkennen (p. 174).

Dit geldt temeer nu is nagelaten bevestiging van de betreffende herkenningen te zoeken door middel van een Osloconfrontatie of een Foslo (meervoudige fotobewijs-) confrontatie met de aangeefsters die bij een eerdere overval aanwezig waren (en toen de overvaller voldoende hebben waargenomen) maar anders dan [B] en [F] niet bij de laatste overval (zo geeft aangeefster [E] aan de overvaller zeer waarschijnlijk bij weerzien of van foto te zullen herkennen, p. 229).

Ten aanzien van de kleding en schoenen

Ook het gegeven dat in de woning van verdachte zowel een geblokt vest of een geblokte jas als een paar zwarte schoenen zijn aangetroffen, die volgens aangeefsters [B] en [A] grote gelijkenis vertonen met de kleding en schoenen van de dader van de overval op 22 december 2009 is, mede gelet op het verweer van verdachte, voor zover inhoudende dat er in Gouda veel jongens rondlopen met dezelfde jas en schoenen, te weinig specifiek om in voldoende mate mee te kunnen werken tot het bewijs van de feiten.

Hoewel de jas zonder meer opvallend lijkt, bevindt zich in het dossier geen bewijs van het feit dat deze jas (en de schoenen) ook dusdanig uniek zijn dat daarmee het verweer van verdachte in voldoende mate kan worden weerlegd.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder 1, eerste en tweede cumulatief/alternatief, en 2 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 3, eerste en tweede cumulatief/alternatief

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.(1)

Op 12 april 2010 is verdachte omstreeks 11:00 uur met een mes in zijn hand de bloemenkiosk JP Bloemenbinderij in Gouda binnengegaan(2). Er waren op dat moment vijf medewerksters van de bloemenkiosk in de winkel aanwezig(3). Verdachte liep met het mes naar de toonbank en riep: “dit is een overval”(4) en “ik wil geld, geld”(5). Een medewerkster die achter de kassa stond, pakte geldbiljetten uit de kassa en overhandigde een bedrag van € 200,= aan verdachte(6), die het geld in zijn zak stak(7). Een andere medewerkster, die uit het toilet was gekomen en die verdachte met het mes bij de toonbank had zien staan, wees verdachte naar het beeldscherm van de bewakingscamera(8). Verdachte schreeuwde toen tegen haar dat zij de camera uit moest zetten(9), waarop de medewerkster het beeldscherm van de camera uitzette(10). Vervolgens schreeuwde verdachte dat hij de tape wilde hebben(11), waarop de medewerkster tegen hem zei dat er geen tape was(12).

Verdachte heeft het vorenstaande ter terechtzitting bevestigd.

Aangeefster [G](13) heeft gezien dat verdachte met het mes een zwaaiende beweging maakte toen hij voor haar stond en riep dat hij geld wilde. Zij zag dat hij het mes daarna terugbracht naast zijn lichaam en het mes weer omhoog hield.

Aangeefster [F](14) heeft gezien dat verdachte meerdere keren met het mes tegen het beeldscherm sloeg en zij hoorde verdachte daarna roepen: “Als ik word gepakt, zal ik terugkomen en een van jullie neersteken”.

Aangeefster [B](15) heeft gezien dat verdachte, toen hij bij de toonbank stond, met het mes stond te zwaaien en hoorde hem schreeuwen: “Schiet op, anders steek ik effe iemand”.

De politie heeft op de camerabeelden gezien dat verdachte met het mes in zijn hand drukke gebaren maakte en diverse malen met het mes naar de toonbank liep, terwijl hij het lemmet van het mes gericht hield in de richting van de medewerksters die zich achter de toonbank bevonden. Hij liep daarbij met het mes te zwaaien en richtte het mes op de medewerksters. Vervolgens is op de beelden te zien dat een van de medewerksters de kassalade opende, geld uit de kassalade pakte en aan de verdachte overhandigde(16).

Van voornoemde camerabeelden zijn acht foto’s gemaakt, die zich in het dossier bevinden. Eén van de foto’s is op de zitting aan verdachte getoond. Daarop is te zien dat verdachte het mes omhoog beweegt, in de richting van de medewerkster van de bloemenkiosk die achter de kassa staat(17).

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op het beeldscherm van de bewakingscamera heeft geslagen.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank hetgeen verdachte onder feit 3, eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste is gelegd, wettig en overtuigend bewezen als na te melden.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5

Verdachte bevond zich op 14 april 2010 in een verhoorkamer in het arrestantencomplex van het politiebureau van Gouda(18). Terwijl verdachte in die kamer door verbalisanten [K] en [J] werd gehoord over de overval op de bloemenkiosk op 12 april 2010(19), werd hij boos. Verdachte begon aan de monitor van de computer te trekken, omdat hij wilde lezen wat er werd getypt(20). Verbalisant [J] trok de monitor naar zich toe, waarop verdachte opstond en met beide handen de monitor vastpakte. Nadat verbalisant [J] verdachte bij zijn keel had vastgepakt en verdachte tegen de muur had geduwd, sloeg verdachte een hand van deze verbalisant weg. Verdachte pakte daarna de snoeren van het beeldscherm en de terminal vast, waardoor het beeldscherm op de grond is gevallen(21). Interim coördinator arrestantenzorg [L], die tumult uit de verhoorkamer hoorde komen, kwam de verhoorkamer binnen en zag dat het beeldscherm in twee stukken op de grond lag en dat de behuizing van de router kapot op de grond lag en constateerde tevens dat de muis kapot was(22).

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij uit boosheid de monitor van de computer heeft vernield. Hij heeft eveneens verklaard dat hij tijdens dat verhoor de agenten heeft uitgescholden. Hij ontkent echter dat hij toen ook verbalisant [J] heeft bedreigd.

Tegenover deze (deels) ontkennende verklaring van verdachte staan de verklaringen van de brigadier van politie [J] en hoofdagent van politie [K], beiden werkzaam bij Team Gouda van de politie Hollands Midden en de verklaring van interim coördinator arrestantenzorg [L], die namens de politie Hollands Midden aangifte heeft gedaan van vernieling. Uit de verklaringen van de verbalisanten [J] en [K] en de verklaring van aangever [L] leidt de rechtbank het volgende af.

Verbalisanten [K] en [J] zagen dat verdachte, nadat de monitor op de grond was gevallen, buiten zinnen was. Verbalisant [J] zag dat verdachte hem constant aankeek en hoorde dat verdachte hem uitschold. Hij hoorde verdachte diverse malen zeggen: “Jij met je kankerbril”(23). Collega’s van de verbalisanten kwamen de verhoorkamer in om de verbalisanten te helpen met verdachte. Verbalisant [J] is toen de verhoorkamer uitgelopen, zodat verdachte hem niet kon zien. Hij bleef om de hoek van de verhoorkamer staan waardoor hij alles kon horen wat er gezegd werd. Verbalisant [K] zag dat twee collega’s verdachte vastpakten. Terwijl verdachte tegen de muur gefixeerd stond, hoorden verbalisanten [J] en [K] verdachte roepen: “Als ik vrij ben en ik kom je tegen, dan zoek ik je nog op en dan maak ik je dood. Hier ben jij wel de baas, maar buiten ben ik dat!” Verbalisant [J] voelde zich daardoor bedreigd(24) en heeft daarvan aangifte gedaan(25). Aangever [L] verklaart dat hij tumult hoorde komen uit verhoorkamer 3. Hij is daar gaan kijken en zag dat verdachte aan het schreeuwen was.

Hij hoorde verdachte zeggen: “Jij met je kankerbril. Ik zoek je nog wel op. Hier ben jij de baas, maar buiten ben ik het. Ik maak je dood” of woorden van gelijke strekking. [L] heeft daarna verdachte tegen de muur aan gedrukt en zag dat verdachte vervolgens door collega’s naar de grond werd gewerkt(26).

De - ambtsedige - verklaringen van de verbalisanten [J] en [K] en de verklaring van aangever [L] zijn ook voor wat betreft de bedreiging (feit 5) duidelijk consistent en wederzijds ondersteunend. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan die verklaringen te twijfelen.

De raadsvrouwe van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover verdachte de ten laste gelegde woorden jegens politieagent [J] heeft geuit, er gezien de feitelijke situatie – verdachte stond gefixeerd tegen de muur van de verhoorkamer, terwijl de betreffende politieagent zich toen al buiten de verhoorkamer bevond – geen sprake is geweest van enig moment waarop de politieagent zich daadwerkelijk bedreigd heeft kunnen voelen. Daarom is er volgens de raadsvrouwe geen sprake van een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde - in het algemeen - de redelijke vrees kon ontstaan dat de bedreiging door de verdachte ook daadwerkelijk kon worden uitgevoerd. De bedreiging hoeft niet op de bedreigde een zodanige indruk te hebben gemaakt dat er werkelijk vrees is opgewekt en de bedreigde zich in zijn vrijheid belemmerd achtte.

De rechtbank is van oordeel dat de woorden die de verdachte de politieagent heeft toegevoegd, een onmiskenbaar bedreigend karakter hebben, dat deze ook bedreigend waren bedoeld, dat de politieagent de verdachte die woorden heeft horen zeggen en dat hij ervan overtuigd was dat verdachte zijn bedreigingen daadwerkelijk zou uitvoeren. Dat - zoals de raadsvrouwe stelt - die bedreiging in de concrete situatie waarvan op dat moment in de verhoorkamer sprake was, niet als reëel kon worden opgevat kan aan het vorenstaande niet afdoen, temeer omdat de bedreiging kennelijk juist gericht was op de situatie nadat verdachte weer op vrije voeten zou zijn.

Daarmee is wel degelijk sprake van een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat ook het onder de feiten 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

3.

op 12 april 2010 te Gouda met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [B] en [F] en [G] en [H] en [I] heeft gedwongen tot de afgifte van 200 euro toebehorende aan [K], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat:

- verdachte de zich in zijn nabijheid bevindende [B] en [F] en [G] en [H] en [I] een mes heeft getoond en daarmee zwaaiende en/of wijzende bewegingen heeft gemaakt en

- verdachte onderwijl die [B] en [F] en [G] en [H] en [I] de woorden: "Dit is een overval." en "Ik wil geld, geld." en "Schiet op, anders steek ik effe iemand." en "Als ik word gepakt, zal ik terugkomen en één van jullie neersteken.", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, heeft toegevoegd;

en

op 12 april 2010 te Gouda opzettelijk en wederrechtelijk een beeldscherm toebehorende aan [K] heeft vernield door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk met een mes tegen dat beeldscherm te slaan;

4.

op 14 april 2010 te Gouda [J], brigadier van de politie, Team Gouda, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [J] dreigend de woorden toegevoegd :"Als ik vrij ben en ik kom je

tegen, dan zoek ik je nog op en dan maak ik je dood. Hier ben jij wel de baas, maar buiten ben ik dat!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

op 14 april 2010 te Gouda opzettelijk en wederrechtelijk een computerbeeldscherm en behuizing van een router en een computermuis, toebehorende aan Politie Hollands Midden,

heeft vernield en/of beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk vorenbedoeld(e) beeldscherm en router en muis op de grond te gooien;

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van een Pro Justitia rapport d.d. 30 juni 2010 betreffende verdachte, opgesteld door W.J.L. Lander, psycholoog. Uit dit rapport komt naar voren dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidstoornis. Ten tijde van de feiten was er weliswaar sprake van die stoornis, maar de stoornis is niet zodanig dat verdachte niet in staat is zijn wil en gedrag in vrijheid te bepalen. Ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 dient verdachte daarom als volledig toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

Gelet op voormeld rapport en omdat ook overigens niet een omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, acht de rechtbank verdachte strafbaar.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden toezicht door de reclassering en behandeling bij De Jutters/Palmhuis, Centrum voor Jeugd GGZ of een soortgelijke instelling.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft bepleit een deels voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen, met daaraan gekoppeld de voorwaarden die door GGZ Palier in na te noemen reclasseringsadvies zijn voorgesteld.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een bloemenkiosk overvallen. Hij heeft de daar aanwezige medewerksters bedreigd met een mes en hen, in combinatie met het uiten van verbale bedreigingen, een geldbedrag uit de kassa afhandig gemaakt.

Voor de slachtoffers van dit soort overvallen kunnen de gevolgen zowel psychisch als fysiek ernstig en langdurig zijn. Twee medewerksters van die bloemenkiosk hebben eerder een soortgelijke overval meegemaakt. Zoals uit de slachtofferverklaring van één van die medewerksters naar voren komt, heeft die eerdere overval voor haar tot gevolg gehad dat zij maanden niet heeft kunnen werken. Zij was net weer een week aan het werk in de bloemenkiosk toen verdachte de onderhavige overval pleegde.

Door dit soort feiten worden ook de in de samenleving bestaande gevoelens van angst en onveiligheid en de toenemende verontwaardiging ten aanzien van de frequentie van dit soort overvallen en het kennelijke gemak waarmee daders daartoe overgaan, versterkt. Verdachte is hieraan volledig voorbij gegaan en heeft enkel oog gehad voor eigen financieel gewin. De rechtbank rekent verdachte dit feit dan ook zwaar aan.

Tegelijkertijd heeft verdachte bij die overval het beeldscherm van de bewakingscamera vernield, waarmee hij ook nog eens materiële schade heeft toegebracht.

Voorts heeft verdachte tijdens zijn verhoor op het politiebureau een politieagent met de dood bedreigd. Ook dit is een ernstig feit, nu door de bedreiging van verdachte de politieagent in de uitoefening van zijn functie emotioneel is belemmerd.

De ervaring leert dat agenten ook na werktijd daarvan psychische last kunnen ondervinden.

Ten slotte heeft verdachte tijdens dat verhoor computerhardware vernield.

De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte het kennelijk gerechtvaardigd vindt op een dergelijke wijze te kunnen handelen, indien de zaken niet gaan zoals hij wenst, nog daargelaten dat verdachte weinig respect lijkt te hebben voor het gezag van opsporingsambtenaren.

Op feiten als de onderhavige kan dan ook slechts met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijk duur worden gereageerd.

Bij het bepalen van de duur van deze vrijheidsstraf houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2010 in het verleden is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Psycholoog Lander concludeert in voormeld rapport dat de matig geïnternaliseerde maatschappelijke normen en waarden, de gebrekkig ontwikkelde gewetensfunctie, de neiging tot impulsief en agressief gedrag, de geringe frustratietolerantie bij verdachte van belang kunnen zijn voor delictgedrag. De kans op delictgedrag neemt toe als het gevolg van het gebruik van cannabis. Om de kans op recidive te verminderen en maatschappelijke integratie te bevorderen is behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte aangewezen, waarbij het gebruik van cannabis een punt van aandacht zal moeten zijn.

De psycholoog adviseert verdachte in het kader van een deels voorwaardelijke straf te behandelen bij een instelling als De Waag, De Jutters of een soortgelijke instelling binnen de forensische psychiatrie.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het reclasseringsadvies betreffende verdachte d.d. 15 juni 2010, uitgebracht door [reclasseringswerker], reclasseringswerker bij GGZ Palier te Leiden. In het advies wordt geconcludeerd dat hulp voor verdachte noodzakelijk is om zijn leven op orde te krijgen. Verdachte heeft problemen op het gebied van agressie, financiën, huisvesting en softdrugsgebruik. De rapporteur adviseert aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, waaronder een frequent meldingsgebod, en dat verdachte zich voor zijn agressieproblematiek laat behandelen bij De Jutters/Palmhuis, Centrum voor Jeugd GGZ of soortgelijke instelling.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij gemotiveerd is voor behandeling.

Gelet op het vorenstaande, acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De straf valt lager uit dan gevorderd, nu de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie.

De rechtbank zal een deel van de straf voorwaardelijk opleggen. Daaraan wordt de voorwaarde gekoppeld dat verdachte zich gedurende na te melden proeftijd onder reclasseringstoezicht stelt. In dat kader dient verdachte zich frequent bij de reclassering te melden en dient hij een passende behandeling te ondergaan, zolang de reclassering dat nodig acht om herhaling in de toekomst te voorkomen. Het voorwaardelijke deel van de straf strekt er voorts toe verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

7. De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft zich op de terechtzitting bereid verklaard de immateriële schade van benadeelde partij [B] te vergoeden, voor zover die schade het gevolg is van de overval op 12 april 2010. De raadsvrouwe heeft verzocht het door de benadeelde partij [B] gevorderde bedrag ter zake van immateriële schade tot de helft te matigen, gelet op de bekentenis van verdachte dat hij bij slechts één van de twee ten laste gelegde overvallen, waarvan de benadeelde partij slachtoffer is geworden, betrokken is geweest.

De verdachte heeft zich voorts op de terechtzitting bereid verklaard de door de politie Hollands Midden gevorderde schade ter zake van de vernielde computer te vergoeden.

De raadsvrouwe heeft verzocht de vordering van benadeelde partij [J] af te wijzen dan wel de benadeelde partij in diens vordering niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien het feit ter zake waarvan de vordering is ingediend, niet kan worden bewezen.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [B]

[B], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot vergoeding van immateriële schade, groot € 1.800,=, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De vordering van [B] heeft, zoals blijkt uit bijlage 1 van het Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, betrekking op zowel feit 1, eerste en tweede cumulatief/alternatief, als feit 3, eerste cumulatief/alternatief.

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op feit 3, eerste cumulatief/alternatief tot een bedrag van € 1.400,= naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu verdachte zich bereid heeft verklaard de schade van deze benadeelde partij te vergoeden en vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3, eerste cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 12 april 2010 is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, nu verdachte ten aanzien van het onder 1, eerste en tweede cumulatief/alternatief, ten laste gelegde feit is vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3, eerste cumulatief/alternatief, bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.400,=, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [B].

Benadeelde partij [J]

[J], domicilie kiezende politie Hollands Midden te Leiderdorp, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot vergoeding van immateriële schade, groot € 250,= als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien niet voldoende aannemelijk is gemaakt (bijvoorbeeld door middel van een verklaring van een psycholoog, psychiater of arts) dat bij de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit sprake is van aantasting in de persoon, in de vorm van enig geestelijk letsel en ook overigens de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit betekent dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Benadeelde partij Hollands Midden

De politie Hollands Midden, Dienst Financiën te Leiderdorp, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot vergoeding van materiële schade, groot € 216,=.

De rechtbank acht de vordering van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze vordering is door de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde feit.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 5 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 216,=, ten behoeve van het slachtoffer genaamd politie Hollands Midden.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 285, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij gewijzigde tenlastelegging onder 1, eerste en tweede cumulatief, en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 3, eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 3, eerste cumulatief/alternatief:

- afpersing;

ten aanzien van feit 3, tweede cumulatief/alternatief:

- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

ten aanzien feit 4:

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 5:

- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 20 (TWINTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 5 (VIJF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, in dit geval GGZ Reclassering Palier te Leiden, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en een agressieregulatiebehandeling bij De Waag of De Jutters/Palmhuis of een soortgelijke instelling;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [B] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [B], een bedrag van € 1.400,=, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij [J] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij de politie Hollands Midden, toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de politie Hollands Midden, een bedrag van € 216,=;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.400,=, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [B] en een bedrag groot € 216,=, ten behoeve van het slachtoffer genaamd politie Hollands Midden;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 24 respectievelijk 4 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.F. Brinkman, voorzitter,

mrs A.H.Th. de Boer en R. Brand, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Gest, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 augustus 2010.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s betreft dit de pagina’s van een doorgenummerde bundel processen-verbaal, reg.nr. 2010056682, politie Hollands Midden, pagina 1 t/m 307.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 juli 2010, proces-verbaal van aangifte van [I], pagina 119.

3 Proces-verbaal van aangifte van [G], pagina 114, proces-verbaal van aangifte van [I], pag. 119.

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 juli 2010, proces-verbaal van aangifte van [F], pagina 107, proces-verbaal van aangifte van [B], pagina 125.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 juli 2010, proces-verbaal van aangifte van [F], pagina 108, proces-verbaal van aangifte van [G], pagina 114.

6 Proces-verbaal van aangifte van [G], pagina 115.

7 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 juli 2010.

8 Proces-verbaal van aangifte van [H], pagina 131, proces-verbaal van aangifte van [F].

9 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 juli 2010, proces-verbaal van aangifte van [F], pagina 108, proces-verbaal van aangifte van [G], pagina 115.

10 Proces-verbaal van aangifte van [G], pagina 115, proces-verbaal van aangifte van [B], pagina 125.

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 juli 2010, proces-verbaal van aangifte van [F], pagina 108.

12 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 juli 2010.

13 Proces-verbaal van aangifte van [G], pagina 114.

14 Proces-verbaal van aangifte van [F], pagina 108.

15 Proces-verbaal van aangifte van [B], pagina 125.

16 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 76 en 77.

17 Foto (8), 2010-04-12 10:55:50, pagina 86.

18 Proces-verbaal van aangifte van [L], pagina 137.

19 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 146.

20 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 juli 2010, proces-verbaal van bevindingen, pagina 147.

21 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 148.

22 Proces-verbaal van aangifte van [L], pagina 137

23 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 148.

24 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 149.

25 Proces-verbaal van aangifte van [J], pagina 143.

26 Proces-verbaal van aangifte van [L], pagina 137.