Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3381

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
09-607689-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en vernieling. Hij heeft op 14 april 2010 in Alphen aan den Rijn vier branden gesticht. Bij het bepalen van de duur van deze vrijheidsstraf houdt de rechtbank rekening met het feit dat niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en met het feit dat hij ten tijde van het plegen van de delicten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar was. De straf valt lager uit dan gevorderd door de officier van justitie omdat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie. Een gedeelte van de straf wordt voorwaardelijk opgelegd, zodat aan verdachte verplicht reclasseringscontact kan worden opgelegd. De rechtbank acht het van groot belang dat verdachte een passende behandeling afrondt, om herhaling in de toekomst te voorkomen. Gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/607689-10

Datum uitspraak: 6 augustus 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Midden Holland –

HvB De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 23 juli 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. van der Kallen en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. H.F. van Kregten, advocaat te Waddinxveen, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 april 2010 te Alphen aan den Rijn opzettelijk brand heeft gesticht aan een telefoonkast (van Ziggo), geplaatst tegen een gevel van een woning aan de Kleiwerf, ter hoogte van nummer 146, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een aan) die telefoonkast (geplakte poster), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die poster en/of die telefoonkast geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (een muur van) de woning, waartegen die telefoonkast was geplaatst, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 april 2010 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en wederrechtelijk een telefoonkast, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Ziggo, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een brandende aansteker, in elk geval (open) vuur in aanraking te brengen met (een aan) die telefoonkast (geplakte poster), ten gevolge waarvan die telefoonkast geheel of gedeeltelijk is verbrand;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 14 april 2010 te Alphen aan den Rijn opzettelijk brand heeft gesticht in een container op de Henri Dunantweg, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) plastic zak(ken) en/of andere goederen in die container, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die plastic zak(ken) en/of andere goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een zich in de nabijheid van die container bevindend(e) gebouw (verzorgingshuis) en/of een steiger en/of een houten schutting/gebouwtje, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor de bewoner(s) van dat verzorgingshuis, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 14 april 2010 te Alphen aan den Rijn opzettelijk brand heeft gesticht aan een fiets, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (zich in) een op die fiets bevestigde mand (bevindende krant(en)), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die krant(en) en/of die mand en/of die fiets geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in de nabijheid van die fiets bevindende andere fiets(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 april 2010 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en wederrechtelijk een fiets en/of een fietsmand en/of (een) krant(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een brandende aansteker, althans open vuur, in aanraking te brengen met (zich in) die op die fiets bevestigde mand (bevindende krant(en)), ten gevolge waarvan die krant(en) en/of die mand en/of die fiets geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 14 april 2010 te Alphen aan den Rijn opzettelijk brand heeft gesticht aan een houten (boeken)kast in de (voor)tuin van perceel Groenoord 382, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) zich in/op die (boeken)kast bevindende boek(en)/tijdschrift(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die boek(en)/tijdschrift(en) en/of die (boeken)kast geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in de nabijheid van die (boeken)kast bevindende struik en/of garage en/of auto en/of woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de bewoner(s) van die woning en/of de naastgelegen woning(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 14 april 2010 in Alphen aan den Rijn een viertal branden heeft gesticht. Hij zou een telefoonkast (feit 1, subsidiair ten laste gelegd als vernieling), plastic zakken in een container (feit 2), een fietsmand aan een fiets (feit 3, subsidiair ten laste gelegd als vernieling) en een houten boekenkast (feit 4) in brand hebben gestoken, waardoor diverse andere goederen en/of personen gevaar hebben gelopen.

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de feiten 1 primair, 2, 3 primair en 4 heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 primair, 2, 3 primair en 4, nu enig gevaar voor goederen en/of personen bij deze feiten niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De feiten 1 subsidiair en 3 subsidiair kunnen wel bewezen worden verklaard, aldus de raadsman.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.(1)

Op 14 april 2010 kwam omstreeks 00.21 uur ’s nachts een melding bij de politie en de brandweer binnen van een brand aan een TV kastje ter hoogte van de Kleiwerf in Alphen aan den Rijn.(2) Ter plaatse bleek het te gaan om een telefoonkast van kabelmaatschappij Ziggo.(3) Voor het kastje lag papier of karton dat bijna geheel verbrand was. Het kastje zelf was zwartgeblakerd en voelde nog heet aan.(4) De politie kon de brand zelf blussen, waardoor de inmiddels ter plaatse gekomen brandweer dit niet meer hoefde te doen. Volgens de bevelvoerder van de brandweer zou de brand niet veel groter zijn geworden als de brand niet zou zijn geblust.(5)

Omstreeks 00.39 uur ontdekte een rondrijdende politieagent een brand in een container bij een verzorgingstehuis aan de Delftzichtweg in Alphen aan den Rijn.(6) De container bevond zich aan de achterzijde van het gebouw, op de Henri Dunantweg.(7) De vlammen kwamen ongeveer 1,5 à 2 meter boven de container uit.(8) Ook hier is de brandweer ter plaatse gekomen. De bevelvoerder constateerde dat de container met bouwafval behoorlijk hard brandde, dat de container dicht bij de gevel van het verzorgingstehuis stond en dat, als deze container echt was gaan branden, dit gevaar voor het verzorgingstehuis had opgeleverd.(9)

Het avondhoofd van het verzorgingstehuis, [B], heeft verklaard dat zich boven de container geen slaapvertrekken bevonden, dat het gebouw waaraan de container grensde werd verbouwd en dat aan dat gebouw een vleugel grenst waar wel mensen sliepen.(10)

Op weg naar de brand in de container kwam de brandweer langs een brandende fiets in een fietsenstalling.(11) Ook een verbalisant heeft deze brand opgemerkt. Hij zag dat de voorband van een fiets in brand stond en dat van een andere fiets de fietsmand was verbrand.(12)

Omstreeks 01.11 uur kreeg de brandweer van een politieagent een melding van een vierde brand bij de Groenoord 382 in Alphen aan den Rijn.(13) De bevelvoerder van de brandweer zag dat in de tuin een houten kast met papier in brand stond.(14) Ook een struik die achter de kast stond was al voor de helft verbrand. Volgens de bevelvoerder zou waarschijnlijk de garage in brand zijn gegaan als de brand niet was geblust. Omdat deze garage aan de woning vastzat, had dit erg gevaarlijk kunnen zijn voor de bewoners.(15) De bewoner van de woning aan de Groenoord 382 heeft verklaard dat hij rond 01.30 uur door de politie werd wakker gemaakt met de mededeling dat er brand was geweest. Voorts heeft hij verklaard dat zijn auto op ongeveer een meter afstand van de brandende boekenkast stond.(16)

Inmiddels hadden twee rondrijdende politieagenten verdachte al zien rondlopen in de buurt van de branden.(17) Twee brandweermannen, die intussen ook het signalement hadden doorgekregen, hebben verdachte uiteindelijk aangetroffen bij het tunneltje aan de Henri Dunantweg en hem staande gehouden.(18) De verbalisanten die verdachte vervolgens aanhielden, zagen dat verdachte zwarte handen had.(19) Op het politiebureau roken twee verbalisanten een lichte brandlucht aan de handen van verdachte.(20)

In het dossier bevinden zich foto’s van de (directe omgeving van de) verschillende goederen die zijn verbrand, alsmede een plattegrond met daarop aangegeven de locaties van de genoemde vier branden.(21)

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend in de nacht van 14 april 2010 deze vier branden in Alphen aan den Rijn te hebben gesticht. Hij had naar zijn zeggen die avond veel gedronken.(22)

Bij de politie heeft verdachte een uitgebreide verklaring afgelegd. Hij is, nadat hij bij vrienden was weggegaan, naar de Kleiwerf gelopen, waar hij zittend op de telefoonkast een sigaret heeft gerookt. Verdachte heeft toen met zijn aansteker de flyer aangestoken die op de voorkant van de telefoonkast was geplakt. De voorkant van het kastje stond vrijwel meteen in brand. Verdachte is vervolgens verder gelopen en kwam de container bij het verzorgingstehuis tegen. Hier heeft hij met zijn aansteker plastic zakken aangestoken, die uit de container hingen. Hij heeft vlammen gezien en is weer verder gelopen. Bij een fiets heeft verdachte wederom een sigaret gerookt en met zijn aansteker heeft hij een mand voorop een fiets aangestoken. Hierna is verdachte teruggelopen naar een tunneltje. Onderweg kwam hij langs een woonhuis waar een houten krat in de tuin stond. Verdachte heeft met zijn aansteker één van de boekjes die bovenop de krat lagen aangestoken. Verdachte heeft zijn weg vervolgd, is het tunneltje aan de Henri Dunantweg doorgelopen en werd vervolgens aangehouden.(23)

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

Gelet op de verklaring van getuige [C], bevelvoerder van de brandweer, dat de brand aan de telefoonkast niet veel groter was geworden als deze nog langer had gebrand, in combinatie met de geringe (rook)schade die zichtbaar is op de foto (p. 37) waarop het kastje en de daaraan grenzende muur zijn afgebeeld, acht de rechtbank anders dan de officier van justitie niet wettig en overtuigend bewezen dat er door deze brand gemeen gevaar voor de woning of de muur van de woning - waartegen de telefoonkast was geplaatst – te duchten was. Verdachte zal dus van het onder 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken. De vernieling van de telefoonkast acht de rechtbank, gelet op het bovenstaande, wel wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Getuige [C] heeft over deze brand verklaard dat de container waarin verdachte de brand heeft gesticht vlakbij de gevel van het verzorgingstehuis stond en dat, als de container echt was gaan branden, dit gevaar voor het verzorgingstehuis zou hebben opgeleverd. Uit die verklaring blijkt - in tegenstelling tot hetgeen hij ten aanzien van feit 4 heeft verklaard - niet dat ook daadwerkelijk gevaar voor personen te duchten zou zijn geweest.

Ook bevat het dossier geen nadere informatie over de directe omgeving van de brandhaard, zoals bijvoorbeeld de afstand tussen de brand en het gedeelte van het aangrenzende gebouw waarin volgens de mededeling van getuige [B] personen sliepen. Uit die verklaring, noch uit de foto’s (p. 43) kan bovendien worden afgeleid om welk aangrenzend gebouw het daarbij gaat.

Gelet hierop en het feit dat er op het moment van de brand geen personen in het gedeelte van het verzorgingstehuis waar de container vlakbij stond aanwezig waren, acht de rechtbank niet bewezen dat de brand (levens)gevaar voor personen heeft opgeleverd.

Wel kan op grond van het hiervoor overwogene naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de door verdachte gestichte brand in de container (gemeen) gevaar voor het verzorgingstehuis en de nabij gelegen steiger en houten schutting/gebouwtje, die op de zich in het dossier bevindende foto’s (p. 43) te zien zijn en die zich in de directe omgeving van de brand bevonden, heeft veroorzaakt

Ten aanzien van feit 3

Vast is komen te staan dat verdachte een fietsmand heeft aangestoken en dat ook een zich in de nabijheid daarvan bevindende andere fiets vlam heeft gevat. Bovendien is op de foto’s (p.65/66) te zien dat zich meerdere andere fietsen bevonden in de directe nabijheid van de fiets waarop de fietsmand zich bevond. Op grond daarvan kan het onder feit 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 4

Getuige [C] heeft over deze brand verklaard dat als deze niet zou zijn geblust, waarschijnlijk de garage in brand zou zijn gegaan, die weer vast zat aan een huis. Dit had erg gevaarlijk voor de bewoners kunnen zijn, aldus [C].

Uit de aangifte van de bewoner blijkt voorts dat deze in de woning aanwezig was en sliep toen de brand uitbrak. Met het in brand steken van de kast heeft verdachte dus niet alleen gevaar voor de zich in de nabijheid van die kast bevindende struik, garage, auto en woning veroorzaakt, maar ook voor de bewoner die zich in de woning bevond.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel niet gebleken dat ook de bewoners van de naastgelegen woningen enig gevaar hebben gelopen. De brandweer heeft hierover ook niets verklaard. De rechtbank zal verdachte hiervan daarom partieel vrijspreken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1 subsidiair.

op 14 april 2010 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en wederrechtelijk een telefoonkast, toebehorende aan Ziggo, heeft vernield en onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een brandende aansteker in aanraking te brengen met een aan die telefoonkast geplakte poster, ten gevolge waarvan die telefoonkast is verbrand;

2.

op 14 april 2010 te Alphen aan den Rijn opzettelijk brand heeft gesticht in een container op de Henri Dunantweg, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker in aanraking gebracht met plastic zakken in die container, ten gevolge waarvan die plastic zakken zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een zich in de nabijheid van die container bevindend gebouw (verzorgingshuis) en een steiger en een houten schutting te duchten was;

3.

op 14 april 2010 te Alphen aan den Rijn opzettelijk brand heeft gesticht aan een fiets, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker in aanraking gebracht met een op die fiets bevestigde mand, ten gevolge waarvan die mand en die fiets zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in de nabijheid van die fiets bevindende andere fietsen te duchten was;

4.

op 14 april 2010 te Alphen aan den Rijn opzettelijk brand heeft gesticht aan een houten kast in de (voor)tuin van perceel Groenoord 382, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker in aanraking gebracht met zich op die kast bevindende boek(en)/tijdschrift(en), ten gevolge waarvan die boek(en)/tijdschrift(en) en die kast zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in de nabijheid van die kast bevindende struik en garage en auto en woning en levensgevaar voor de bewoner van die woning te duchten was.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Uit de Pro Justitia rapportage van 2 juli 2010, opgesteld door klinisch psycholoog M.H. de Groot, komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een zwakbegaafd intelligentieniveau, ook ten tijde van de gepleegde delicten. Tevens was er ten tijde van de feiten sprake van alcoholintoxicatie, waardoor verdachte de controle over zijn handelen verloor en de ten laste gelegde delicten pleegde. Vanwege zijn zwakbegaafdheid was verdachte volgens de psycholoog niet goed in staat het effect van fors alcoholgebruik in te schatten. Hierdoor kan verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar voor de ten laste gelegde feiten worden beschouwd.

De rechtbank neemt voornoemde bevindingen over en maakt die tot de hare. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de feiten verdachte - zij het in enigszins verminderde mate - kunnen worden toegerekend.

Verdachte is derhalve strafbaar, nu niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daarbij de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact, ook als dit inhoudt een behandeling bij De Waag.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht om verdachte een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest op te leggen alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Eventueel zou ook een werkstraf kunnen worden opgelegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en vernieling. Hij heeft op 14 april 2010 in Alphen aan den Rijn vier branden gesticht. Allereerst heeft hij een telefoonkast in brand gestoken, waardoor die telefoonkast is vernield en niet meer bruikbaar was. Diverse huishoudens hebben bovendien enige tijd zonder telefoon- en internetverbinding gezeten door de vernieling van de telefoonkast, wat de omwonenden hinder moet hebben opgeleverd. Vervolgens heeft verdachte brand gesticht in een container die grensde aan een verzorgingstehuis, een steiger en een houten schutting/gebouwtje, welke ook het gevaar hebben gelopen in brand te vliegen. Voorts heeft verdachte een fietsmand die op een fiets was bevestigd aangestoken, waardoor in de nabijheid gelegen fietsen gevaar liepen ook vlam te vatten, welk gevaar zich ook bij één fiets daadwerkelijk heeft gerealiseerd. Tot slot heeft verdachte een in een tuin staande kast in brand gestoken, waarbij hij ernstig gevaar en zelfs levensgevaar heeft veroorzaakt. Dicht bij die kast bevonden zich een struik, een garage, een auto en een woning, waarin op dat moment de bewoner aanwezig was. Via deze goederen had ook de woning vlam kunnen vatten, met alle ernstige gevolgen van dien. Dat de omvang en het gevolg van die brand beperkt zijn gebleven zijn gelukkige omstandigheden, die echter geenszins de verdienste van verdachte zijn geweest, maar uitsluitend te danken zijn aan de snelle ontdekking van de brand en het adequate ingrijpen van de brandweer. Dergelijke branden veroorzaken niet alleen veel financiële schade, ook brengen zij in hoge mate gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

Op feiten als de onderhavige kan dan ook slechts met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijk duur worden gereageerd.

Bij het bepalen van de duur van deze vrijheidsstraf houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2010, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en met het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van de delicten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar was.

Gelet op het vorenstaande, acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De straf valt lager uit dan gevorderd, nu de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie. De rechtbank zal een gedeelte van de straf voorwaardelijk opleggen, zodat aan verdachte verplicht reclasseringscontact kan worden opgelegd en de rechtbank het van groot belang acht dat verdachte een passende behandeling bij De Waag afrondt. Dit om herhaling in de toekomst te voorkomen.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[D], adres: [adres], heeft zich ten aanzien van feit 4 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 374,00.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering en verzocht daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat deze onvoldoende is onderbouwd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank constateert dat de benadeelde partij zijn vordering niet met behulp van bijvoorbeeld facturen heeft onderbouwd. Niettemin is de rechtbank er voldoende van overtuigd dat de benadeelde partij een bedrag van in ieder geval € 100,00 aan schade heeft geleden zodat zij dit zal toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 100,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [D].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair

opzettelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen en onbruikbaar maken;

ten aanzien van feit 2 en feit 3 primair

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en personen te duchten is;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt een (ambulante) behandeling bij De Waag;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [D] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [D], adres: [adres], een bedrag van € 100,00;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij [D] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij [D] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 100,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [D];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 (twee) DAGEN;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat hij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.H.Th. de Boer, voorzitter,

mr. E.F. Brinkman en mr. R. Brand, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.M. van Heemst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 augustus 2010.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de pagina’s van het doorgenummerde proces-verbaal van politie Hollands Midden, genummerd PL1630 2010058444-1, d.d. 15 april 2010, met bijlagen (blz. 1 t/m 86).

2 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 54, 4e alinea; proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 44, 1e alinea.

3 Proces-verbaal van aangifte, blz. 79.

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 54, 5e alinea; proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 44, 2e alinea.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 44, 2e alinea.

6 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 57, 2e en 3e alinea; proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 44, laatste alinea.

7 Foto locatie 2, blz. 43.

8 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 57, 2e alinea.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 44, laatste alinea, en blz. 45, 1e alinea.

10 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 42, 6e alinea.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 44, laatste alinea.

12 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 59, 6e alinea.

13 Proces-verbaal van aanhouding, blz. 17, voorlaatste en laatste alinea, en blz. 18, 1e alinea; proces verbaal van verhoor getuige, blz. 45, 5e alinea; proces-verbaal van aangifte, blz. 73.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 45, 6e alinea.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 45, 6e alinea.

16 Proces-verbaal van aangifte, blz. 73, laatste alinea en blz. 74, 4e alinea.

17 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 56, 3e alinea, en blz. 57, 4e alinea; proces-verbaal van aanhouding, blz. 17, 2e alinea.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 45, 3e alinea.

19 Proces-verbaal van aanhouding, blz. 19, 1e alinea.

20 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 55, 6e en 7e alinea.

21 Foto’s, blz. 37 t/m 39, 43 en 64 t/m 71; plattegrond, blz. 60.

22 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 23 juli 2010.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 35.