Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3261

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
362333/FT-RK 10.731 en 362336/FT-RK 10.732
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling tijdens het hoger beroep tegen een eerder uitgesproken faillissement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rekestnummer: 362333/FT-RK 10.731 en 362336/FT-RK 10.732

nummer verklaring: ZOE0110905814 en ZOE0111003164

uitspraakdatum: 23 juni 2010

RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

[verzoeker sub 1] (hierna: [verzoeker sub 1]),

en

[verzoeker sub 2] (hierna: [verzoeker sub 2])

beiden wonende te [adres]

[postcode en woonplaats],

verzoekers,

hebben op 22 maart 2010 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

De verzoekschriften zijn op 23 juni 2010 pro forma behandeld.

De rechtbank overweegt als volgt:

1. Op 28 september 2009 heeft de rechtbank een verzoek tot faillietverklaring ontvangen van mr. G. Janssen, welke het faillissement van [verzoeker sub 1] verzocht namens Complies B.V. en Mobile Communication Company (MCC) B.V. Met betrekking tot het faillissementsverzoek hebben vier behandelingen plaatsgevonden, waarbij [verzoeker sub 1] op 3 november 2009 heeft verklaard een beroep te willen doen op de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft hierop de behandeling van het faillissementsverzoek opgeschort en [verzoeker sub 1] tien weken de tijd gegund om een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te dienen. Per abuis heeft de rechtbank hieromtrent Viersta een brief toegezonden waarin hem de tijd werd gegund tot 12-10-2010 in plaats van 12-01-2010. Ter zitting van 12 januari 2010 is deze fout geconstateerd en heeft [verzoeker sub 1] nogmaals zes weken de tijd, zijnde tot 23 februari 2010, gekregen om een compleet verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te dienen. Op laatstgenoemde datum is [verzoeker sub 1] niet ter zitting verschenen, ook is er geen (compleet) verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ingediend. [verzoeker sub 1] is op 23 februari 2010 in staat van faillissement verklaard.

2. [Verzoeker sub 1] is tegen zijn faillietverklaring opgekomen op 2 maart 2010. De behandeling ter zitting van dit hoger beroep heeft op 23 maart 2010 plaatsgevonden. Op 30 maart 2010 heeft het Hof een tussenbeslissing genomen, waaruit volgt dat het Hof het hoger beroep tegen de faillietverklaring zal aanhouden totdat de rechtbank heeft beslist op het door [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] op 22 maart 2010 door de rechtbank ontvangen verzoekschriften inzake de toelating tot de schuldsaneringsregeling.

3. Op 22 maart 2010 heeft de rechtbank eerder genoemde verzoekschriften ontvangen. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] zijn per brief van 31 maart 2010 op de hoogte gesteld van het feit dat de verzoekschriften incompleet en ongetekend waren. Op 3 mei 2010 heeft de rechtbank daarop een tweetal nieuwe (en getekende) verzoekschriften ontvangen, gedateerd op 15 april 2010. Na ontvangst van deze verzoekschriften is er een behandeldatum gepland.

4. Op 15 juli 2010 zijn [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] aangeschreven door de rechtbank met de mededeling dat daar het hoger beroep nog niet was afgerond, de behandeling van de verzoekschriften werd aangehouden tot ná de uitspraak van het Hof, zijnde 3 augustus 2010. Hierop heeft mr. M.P. de Klerk, raadsman van [verzoeker sub 1] de rechtbank door middel van een fax op de hoogte gesteld van het feit dat het Hof de uitspraak heeft aangehouden in afwachting van de beslissing door de rechtbank op het verzoek van [verzoeker sub 1] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, welke verzoek is opgemaakt door de Gemeente [X.] op 18 maart 2010.

5. Op grond van artikel 3a Faillissementswet wordt – indien er sprake is van samenloop – een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vóór een verzoek tot faillietverklaring behandeld, daar het uitgangspunt is dat een faillissement van een natuurlijk persoon zo veel mogelijk voorkomen moet worden. De behandeling van het faillissementsverzoek wordt dan geschorst.

6. [Verzoeker sub 1] heeft gedurende de behandeling van het faillissementsverzoek ruimschoots de tijd gekregen om een dergelijk schuldsaneringsverzoek in te dienen. In de periode van 3 november 2009 tot en met 23 februari 2010 heeft [verzoeker sub 1] echter geen (compleet) verzoekschrift ingediend. Het faillissementsdossier bevat enkel stukken omtrent de schuldhulpverlening, opgestart door de Gemeente [X.], waaruit op te maken is dat [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] sedert juni 2009 trachten een schuldhulpverleningstraject van de grond te krijgen, er brieven zijn verzonden naar schuldeisers omtrent de vaststelling van de schulden en [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] tot slot (per brief van 18 december 2009) door de Gemeente [X.] worden geïnformeerd dat er brieven aan schuldeisers zijn verzonden, maar er nog een tweetal schuldeisers ontbreken op de lijst. Alhoewel [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] duidelijk actief zijn geweest met het schuldhulpverlenerstraject, is er door de rechtbank tijdens de behandeling van het faillissementsverzoek geen, voor een geslaagd verzoek tot de schuldsaneringsregeling, benodigd verzoekschrift ex artikel 285 Faillissementswet ontvangen. Een schuldhulptraject kan immers een weg zijn naar een verzoekschrift op grond van artikel 285 Faillissementswet, maar is niet gelijk te stellen met het eerder genoemde verzoekschrift. Nu [verzoeker sub 1] niet vóór 23 februari 2010 een dergelijk verzoekschrift heeft ingediend, heeft de rechtbank het faillissementsverzoek weer in behandeling genomen en daarop uitspraak gedaan. Immers, een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling mag niet gebruikt worden om een faillissementsverzoek enkel te ondermijnen, dan wel te traineren.

7. [Verzoeker sub 1] heeft tezamen met [verzoeker sub 2] op 18 maart 2010 een verzoekschrift ex artikel 285 Faillissementswet laten opstellen. Dit verzoekschrift heeft de rechtbank op 22 maart 2010 ontvangen. [verzoeker sub 1] was echter reeds op 23 februari 2010 in staat van faillissement verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is [verzoeker sub 1] van mening dat een dergelijk schuldsaneringsverzoek ook tijdens het faillissement, dan wel tijdens het hoger beroep tegen het faillissement ingediend kan worden. Dit is echter volgens de Hoge Raad een onjuiste gedachtegang. In HR 18 februari 2002, NJ 2000, 296 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er geen grond is om artikel 3a lid 2 Faillissementswet – waarin wordt gesteld dat het faillissement wordt geschorst om eerst het schuldsaneringsverzoek te behandelen – zo uit te leggen, dat deze bepaling tevens van toepassing is in het geval dat het verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling eerst is ingediend hangende het door de verzoeker, in casu [verzoeker sub 1], tegen zijn faillietverklaring ingediende hoger beroep.

8. Naar het oordeel van de rechtbank dient op dit moment het verzoek van [verzoeker sub 1] dan ook niet-ontvankelijk verklaard te worden. Immers, [verzoeker sub 1] verkeert thans in staat van faillissement. Daarnaast voldoen noch de verzoekschriften van 18 maart 2010 – het verzoekschrift waarop het Hof een beslissing van de rechtbank wil zien – noch de verzoekschriften van 15 april 2010 aan de in de wet aan een dergelijk verzoekschrift gestelde eisen. Naast het feit dat [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] schriftelijk kenbaar hebben gemaakt dat de jaarstukken van de afgelopen drie jaar niet geheel zijn opgemaakt en de vorderingen van de Belastingdienst niet gespecificeerd kunnen worden, blijkt uit de artikel 285-verklaring dat er geen minnelijk traject is gestart. De opsteller van de verklaring heeft hieromtrent gesteld dat niet alle schuldeisers bekend waren en de schulden aan de Belastingdienst nog niet definitief zijn vastgesteld, waardoor de verzoekschriften niet voldoen aan de leden a en h van artikel 285 lid 1 Faillissementswet. Het verzoek van [verzoeker sub 2] dient om deze reden eveneens niet-ontvankelijk verklaard te worden, waarbij het niet voldoen aan bovengenoemde leden inzake het verzoek van [verzoeker sub 1] als aanvullende, maar ook afzonderlijk voldoende, grond voor het niet-ontvankelijk verklaren van dit verzoek wordt beschouwd.

De rechtbank ziet geen reden om [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] in de gelegenheid te stellen de verzoekschriften aan te vullen, dan wel het minnelijk traject te doorlopen en die tot tijd de uitspraak aan te houden. Immers, [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] zijn sedert juni 2009 bezig met het schuldhulptraject en hebben zelf – bij brief ontvangen door de rechtbank op 3 mei 2010 – kenbaar gemaakt onder andere de jaarstukken thans niet te kunnen aanleveren.

De verzoekers zullen niet-ontvankelijk verklaard worden in de onderhavige verzoeken.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoeken.

Gewezen door mr. D.R. van der Meer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juli 2010 in tegenwoordigheid van mr. B.M.J.W. Robeerst, griffier.

De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat en procureur worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.