Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3236

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
11-10-2010
Zaaknummer
346645 - FA RK 09-7297
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel, alle belangen en omstandigheden van het geval afwegende, dat de vrouw geen vervangende toestemming verleend dient te worden om zich met de twee minderjarige in Denemarken te vestigen, hoe begrijpelijk haar wens daartoe ook is. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking:

Het regelmatige contact tussen de man en de minderjarigen wordt onvoldoende gewaarborgd indien de vrouw zich met de minderjarigen in Denemarken vestigt. De minderjarige F is pas één jaar oud en bevindt zich middenin de hechtingsfase. Sinds haar geboorte heeft zij zeer beperkt contact met de man gehad. De rechtbank is van oordeel dat het van wezenlijk belang is dat het contact tussen de man en F wordt geïntensiveerd om het hechtingsproces op gang te brengen. De rechtbank is van oordeel dat een verhuizing naar Denemarken aan voormeld hechtingsproces in de weg staat, nu de daarvoor benodigde intensiteit van het contact met de man niet haalbaar is. Ten aanzien van de minderjarige M overweegt de rechtbank dat het contact met de man als gevolg van de verhuizing naar Denemarken aanzienlijk zal worden beperkt. Hoewel de thans geldende weekendregeling conform het voorstel van de vrouw in stand zou kunnen blijven, zouden de wekelijkse contacten op woensdag wegvallen, terwijl M een zodanige jonge leeftijd heeft dat wekelijkse contacten in zijn belang zijn. Voor zover de vermindering van de frequentie van het contact tussen M en de man al ondervangen zou kunnen worden door het gebruik van moderne communicatiemiddelen zoals Skype, is de rechtbank van oordeel dat dit niet voor de minderjarige F geldt, aangezien zij daarvoor nog te klein is. De rechtbank zijn voorts financiële en praktische bezwaren gebleken die aan de door de vrouw voorgestelde contactregeling in de weg staan. De rechtbank acht de lange reizen die de voorgestelde contactregeling met zich brengt te belastend voor de nog jonge kinderen. Voorts heeft de man voldoende onderbouwd dat zijn financiële situatie het niet toelaat om uitvoering te geven aan de voorgestelde contactregeling. Daarnaast is het de vraag of de voorgestelde contactregeling naar behoren zal worden uitgevoerd, nu de communicatie en de verstandhouding tussen partijen te wensen overlaat.

De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat zij genoodzaakt is om in Denemarken te gaan werken teneinde in haar levensonderhoud en dat van de kinderen te kunnen voorzien. Hoewel de vrouw thans in Nederland geen werkkring heeft, heeft zij hier te lande van april 1999 tot november 2007 fulltime bij verschillende werkgevers gewerkt. Niet gebleken is dat zij niet opnieuw in Nederland een passende baan zou kunnen vinden.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de vrouw in Denemarken wel over betere huisvesting zou kunnen beschikken dan in Nederland. Immers, de vrouw kan met de kinderen bij haar moeder intrekken.Verder zal de huidige financiële situatie van de vrouw bij een verblijf in Denemarken direct verbeteren, nu zij een baan heeft aangeboden gekregen als boekhouder, welke baan overigens niet is afgestemd op haar ervaring en opleiding. Voor wat betreft haar sociale netwerk brengt de verhuizing naar Denemarken met zich dat de vrouw dichter bij haar overige familieleden – een broer en een neef – en eventuele andere vrienden zal wonen. Naar het oordeel van de rechtbank wegen voormelde door de vrouw aangevoerde belangen echter niet op tegen de hiervoor geformuleerde belangen van de minderjarigen en de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

7x

Rekestnummer: FA RK 09-7297

Zaaknummer: 346645

Datum beschikking: 28 juli 2010

Scheiding

Beschikking op het op 1 september 2009 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats A],

advocaat: mr. E.S. Florijn te Vught, voorheen mr. S.L.A. Verburgt te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats A],

advocaat: mr. E.K.E. van Herk te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 21 september 2009 met bijlage van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 30 september 2009 van de zijde van de vrouw;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- de brief d.d. 21 maart 2010 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 1 juli 2010 met bijlagen van de zijde van de man;

- het faxbericht d.d. 2 juli 2010 met bijlagen van de zijde van de vrouw.

De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft deze zaak op de voet van artikel 15, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwezen naar de meervoudige kamer.

Op 14 juli 2010 is de onderhavige zaak, gevoegd met de zaak betreffende voorlopige voorzieningen (367547; FA RK 10-4230), ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen ieder met hun advocaat. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

II. te bepalen dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats bij de vrouw zullen hebben;

III. te bepalen dat de man gerechtigd is om als volgt met de kinderen om te gaan:

• De vrouw brengt [de minderjarige A] en [de minderjarige B] iedere woensdag om 09.00 uur respectievelijk één keer in de twee weken op zaterdag om 09.30 uur naar de woning van de man, waarna de man gedurende 15 minuten omgang heeft met [de minderjarige B]. Vervolgens zal de vrouw met [de minderjarige B] weer vertrekken en zal [de minderjarige A] de rest van de woensdag doorbrengen bij de man, die [de minderjarige A] om 19.00 uur weer terug zal brengen bij de vrouw. Eens in de veertien dagen verblijft [de minderjarige A] het weekend, dat wil zeggen vanaf zaterdag 09.30 uur tot zondagavond bij de man. De man brengt [de minderjarige A] dan om 19.00 uur terug bij de vrouw.

• Op vrijdagmiddag in de week waarin geen omgangsweekend is, zal er omstreeks 17.00 uur een telefonisch contactmoment tussen de man en [de minderjarige A] zijn;

• Partijen zijn overeengekomen dat de vakantie- en feestdagen bij helfte worden verdeeld, waarbij:

- de kerstdagen in 2009 de minderjarigen bij de vrouw verblijven, respectievelijk oud en nieuw bij de man. Daarbij zal het de vrouw toegestaan zijn met de minderjarigen gedurende de week van kerst voor vakantieverblijf bij haar familie naar Denemarken te gaan, onder de voorwaarde dat zij op 21 december 2009 of de dagen daarna vertrekt en vanaf 28 december 2009 doch uiterlijk op woensdag 30 december 2009 weer terugkeert naar Nederland, zodat [de minderjarige A] oud en nieuw bij de man kan doorbrengen;

- voor wat betreft de overige (school)vakanties zal [de minderjarige A] bij de de man zijn: één week in de herfstvakantie, één week in de kerstvakantie en één week in het voorjaar.

- de zomervakantie hebben partijen als volgt verdeeld: [de minderjarige A] verblijft twee weken bij de man, gevolgd door twee weken bij de vrouw, gevolgd door één week bij de man, gevolgd door één week bij de vrouw. De overige vakanties worden om en om verdeeld (voorjaarsvakantie, meivakantie en herfstvakantie). Partijen zijn overeengekomen dat zij beiden voorafgaand van elkaar toestemming behoeven voor een verblijf in het buitenland.

IV. op te nemen het door de vrouw nog nader te overleggen ouderschapsplan en de daarin voorgestelde voorzieningen vast te leggen in de ten deze te wijzen echtscheidingsbeschikking, voor zover niet reeds afzonderlijk verzocht;

V. de som, welke de man zal dienen te verstrekken aan de vrouw voor de verzorging en de opvoeding van de kinderen, te bepalen op een bedrag van € 300,- per maand, vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente A] en telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

VI. de som, welke de man na de echtscheiding zal dienen te verstrekken aan de vrouw tot haar levensonderhoud, te bepalen op een bedrag van € 650,- bruto per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen, vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente A] en telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

VII. de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen conform hetgeen de vrouw in posita 28 tot en met 29 van het verzoekschrift heeft uiteengezet en aan de hand van het nog nader door de vrouw te concretiseren verzoek.

De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens verzoekt de man zelfstandig, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

2. primair: te bepalen dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats zullen hebben bij de man, subsidiair en meer subsidiair: een co-ouderschapsregeling, althans een verzorgings- en contactregeling vast te stellen tussen hem en de minderjarigen zoals omschreven onder sub 23 van het verweerschrift, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen (ruimhartige) regeling;

3. voorwaardelijk, voor het geval de vrouw voor of na de te geven beschikking de minderjarigen in strijd met de beschikking of in strijd met de wet meeneemt naar Denemarken en niet laat terugkeren, hem met onmiddellijke ingang met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen te belasten, met bevel aan de vrouw om de kinderen onmiddellijk aan hem af te geven, met machtiging aan de man om dit bevel zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van justitie en politie;

4. hem toe te staan om, wanneer er sprake zou zijn van kinderontvoering door de vrouw na de sluiting van de behandeling op 14 juli 2010, doch voordat een inhoudelijke beslissing is gewezen, dit feit schriftelijk te mogen melden aan de behandelend rechter;

5. voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank zal bepalen dat de kinderen hun gewone verblijfplaats zullen hebben bij de vrouw: te bepalen dat de vrouw haar wettelijke informatie- en consultatieplicht jegens de man dient na te komen, door hem ten minste ten aanzien van de navolgende zaken te informeren en te consulteren: bezoek aan de crèche (welke en wanneer), schoolkeuze, algemene gezondheid en in het bijzonder bezoeken aan artsen en specialisten;

6. te bepalen dat de vrouw haar onvoorwaardelijke medewerking dient te verlenen aan het volgen van onderwijs door [de minderjarige A] aan de [school minderjarige A], aan de [adres school minderjarige A] in [plaats school minderjarige A], met ingang van 16 augustus 2010, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de vrouw deze beschikking niet nakomt;

7. alvorens enige inhoudelijke beslissing te geven over eenhoofdig gezag van de vrouw, verblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw en/of vervangende toestemming aan de vrouw om met de minderjarigen naar Denemarken te verhuizen, een ouderschapsonderzoek, althans een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten;

8. te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres echtelijke woning] te [woonplaats A] gedurende 6 maanden met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk;

9. voorwaardelijk, voor het geval de vrouw geen afstand doet ten gunste van de man van de nalatenschap van zijn vader: de afrekening tussen partijen vast te stellen van de bijdragen die de vrouw op grond van de artikelen 4 juncto 6 van de huwelijkse voorwaarden in verband met de bekostiging van de gemeenschappelijke huishouding van partijen in het jaar 2008 nog aan de man verschuldigd is.

De vrouw voert verweer tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats van het huwelijk] te Denemarken.

- Uit dit huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [de minderjarige A], geboren op [geboortedatum minderjarige A] 2006 te [geboorteplaats minderjarige A];

- [de minderjarige B], geboren op [geboortedatum minderjarige B] 2009 te [geboorteplaats minderjarige B].

- De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Deense nationaliteit.

- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.

- Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 6 augustus 2009 heeft deze rechtbank, voor zover thans van belang, op wederzijds verzoek bepaald dat:

• de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke

woning te [adres echtelijke woning];

• de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd;

• de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarige [de minderjarige A] bij zich te

hebben: iedere woensdag van 09.00 uur tot 19.00 uur, alsmede een weekend per veertien dagen van zaterdag 09.30 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige A] naar de man brengt en de man hem naar de vrouw terugbrengt, alsmede gedurende oud en nieuw, één week in de herfst, één week in de kerstvakantie, één week in het voorjaar en drie weken in de zomervakantie, te verdelen over twee weken aaneengesloten en één week na een verblijf van twee weken aaneengesloten bij de vrouw;

• de man voorlopig gerechtigd is om telefonisch contact met [de minderjarige A] te

hebben een keer per twee weken (in de week waarin er geen contact is in het weekend) op vrijdag omstreeks 17.00 uur;

• de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarige [de minderjarige B] bij zich te

hebben: iedere woensdag van 09.00 uur tot 09.15 uur en een zaterdag per twee weken (dezelfde zaterdag als waarop [de minderjarige A] bij de man is) van 09.30 uur tot 09.45 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige B] (tegelijk met [de minderjarige A]) naar de man brengt en vijftien minuten later weer met haar vertrekt;

• de som welke de man met ingang van 6 augustus 2009 voorlopig zal verstrekken

tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen € 250,- per maand per kind bedraagt.

- Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in kort geding op 1 juni 2010, hebben partijen, voor zover thans van belang, ter beëindiging van hun geschil:

- afspraken gemaakt over de afgifte van Nederlandse paspoorten van de minderjarigen;

- besloten zich tot een of twee mediators te wenden teneinde een ouderschapsplan op te stellen en hun geschil te beëindigen;

- afgesproken dat, als vast komt te staan dat de minderjarigen in Nederland blijven, de zoon van partijen naar school gaat zodra hij de vierjarige leeftijd heeft bereikt.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Echtscheiding

Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.

Nu voor de echtgenoten een gemeenschappelijk nationaal recht ontbreekt en nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben zal de rechtbank krachtens artikel 1, lid 1, aanhef en onder b, van de Wet van 25 maart 1981, houdende regeling van het conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed en de erkenning daarvan, Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).

Nu de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende heeft gemotiveerd dat het niet mogelijk is gebleken een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

De aard van de beslissing tot echtscheiding verzet zich tegen de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zodat deze dient te worden afgewezen.

Gezag

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op een verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarigen.

Hoewel de vrouw in het lichaam van het verweerschrift van 26 januari 2010 naar voren heeft gebracht dat zij het aangewezen acht dat zij na de echtscheiding alleen het gezag over de minderjarigen zal uitoefenen, heeft zij in het petitum niet verzocht haar met het eenhoofdig gezag te belasten. Nu de vrouw voorts ter terechtzitting heeft verklaard dat het geschil zich toespitst op de vraag waar de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben, begrijpt de rechtbank de vrouw aldus dat zij geen verzoek tot eenhoofdig gezag doet. Het voorgaande brengt met zich dat partijen na de echtscheiding gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast zullen blijven.

Vervangende toestemming voor verhuizing naar Denemarken

Ter terechtzitting heeft de vrouw haar verzoek aangevuld, in die zin dat zij om vervangende toestemming heeft verzocht om met de minderjarigen naar Denemarken te mogen verhuizen.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op voormeld verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing naar Denemarken.

Nu de man niet in zijn mogelijkheid tot het voeren van verweer is geschaad, zal de rechtbank de vrouw in haar aanvullende verzoek ontvangen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zij de vrouw zal toestaan zich samen met de minderjarigen in Denemarken te vestigen, nu de man weigert zijn toestemming hiervoor te verlenen.

Ingevolge artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek dient de rechtbank in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008 (LJN: BC5901) overweegt de rechtbank dat daaruit niet mag worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. Bij de beoordeling dient de rechter de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar af te wegen. Hoewel het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn, neemt dat niet weg dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

Bij de onderhavige beoordeling dient de rechtbank het belang van de minderjarigen in acht te nemen en voorts daarbij te betrekken enerzijds het belang van de vrouw om met de minderjarigen naar Denemarken te verhuizen en aldaar een nieuw bestaan op te bouwen en anderzijds het belang van de man en de minderjarigen om regelmatig contact met elkaar te hebben.

De rechtbank ziet geen aanleiding een ouderschapsonderzoek dan wel een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten, nu zij zich voldoende voorgelicht acht. Daar komt bij dat de man ter terechtzitting zelf financiële bezwaren heeft geuit om een ouderschapsonderzoek te laten verrichten.

Alle belangen en omstandigheden van het geval afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw geen vervangende toestemming verleend dient te worden om zich met de minderjarigen in Denemarken te vestigen, hoe begrijpelijk haar wens daartoe ook is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de minderjarigen in Nederland zijn geboren en thans respectievelijk één en vier jaar oud zijn. Zij bezitten zowel de Nederlandse als de Deense nationaliteit. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de minderjarigen een zekere band met Denemarken, nu hun moeder van Deense komaf is. Momenteel hebben de minderjarigen contact met de man overeenkomstig de voorlopige contactregeling zoals bepaald bij beschikking voorlopige voorzieningen van 6 augustus 2009.

Ter terechtzitting heeft de vrouw – ingeval zij met de kinderen in Denemarken mag verblijven – een contactregeling met de man voorgesteld, in die zin dat zij éénmaal per maand een weekend met de minderjarigen naar Nederland zal afreizen, dat de man éénmaal per maand een weekend naar Denemarken komt en dat er voorts contact tussen de man en de minderjarigen zal zijn gedurende de vakantieperiodes.

Ten aanzien van de minderjarige [de minderjarige B] overweegt de rechtbank dat zij zich middenin de hechtingsfase bevindt. Sinds de geboorte van [de minderjarige B] heeft de vrouw zeer beperkt contact tussen de man en [de minderjarige B] toegestaan, te weten één kwartier per week plus één kwartier per veertien dagen. De man heeft daardoor nog geen band met [de minderjarige B] kunnen opbouwen en [de minderjarige B] heeft zich op haar beurt nog niet aan haar vader kunnen hechten. Naar het oordeel van de rechtbank is het van wezenlijk belang dat het contact tussen de man en [de minderjarige B] wordt geïntensiveerd om het hechtingsproces op gang te brengen. Gelet op de zeer jonge leeftijd van [de minderjarige B] is het daarbij wenselijk dat zij regelmatig contact met elkaar hebben. De rechtbank is van oordeel dat een verhuizing naar Denemarken aan voormeld hechtingsproces in de weg staat, nu de daarvoor benodigde intensiteit van het contact met de man niet haalbaar is.

Ten aanzien van de minderjarige [de minderjarige A] overweegt de rechtbank dat het contact met de man als gevolg van de verhuizing naar Denemarken aanzienlijk zal worden beperkt. Hoewel de thans geldende weekendregeling conform het voorstel van de vrouw in stand zou kunnen blijven, zouden de wekelijkse contacten op woensdag wegvallen, terwijl [de minderjarige A] een zodanige jonge leeftijd heeft dat wekelijkse contacten in zijn belang zijn. Voor zover de vermindering van de frequentie van het contact tussen [de minderjarige A] en de man al ondervangen zou kunnen worden door het gebruik van moderne communicatiemiddelen zoals Skype, is de rechtbank van oordeel dat dit niet voor [de minderjarige B] geldt, aangezien zij daarvoor nog te klein is.

De rechtbank zijn voorts financiële en praktische bezwaren gebleken die aan de door de vrouw voorgestelde contactregeling in de weg staan. Hoewel Denemarken een buurland van Nederland is, is de reisafstand aanzienlijk, gemiddeld 8 uur enkele reis per auto. De rechtbank acht de lange reizen die de voorgestelde contactregeling met zich brengt te belastend voor de nog jonge kinderen. Voorts heeft de man voldoende onderbouwd dat zijn financiële situatie het niet toelaat om uitvoering te geven aan de voorgestelde contactregeling. Naar het oordeel van de rechtbank is het aanbod van de vrouw om in die situatie af te zien van kinderalimentatie niet afdoende om aan de financiële bezwaren tegemoet te komen. Daarnaast is het de vraag of de voorgestelde contactregeling naar behoren zal worden uitgevoerd, nu de communicatie en de verstandhouding tussen partijen te wensen overlaat. Nadat partijen eind juli 2009 in het kader van de procedure voorlopige voorzieningen in der minne afspraken hebben gemaakt, is nader overleg tussen partijen niet mogelijk gebleken. Een poging om het geschil door middel van mediation tot een oplossing te brengen is eveneens mislukt. Daar komt bij dat de man onvoldoende weersproken naar voren heeft gebracht dat de vrouw de gemaakte afspraken niet volledig is nagekomen. Niet alleen is de evaluatie van de contactregeling met de kinderen uitgebleven, ook is de vrouw – nog afgezien van het feit dat de vrouw met [de minderjarige A] in april 2009 zonder toestemming van de man naar Denemarken is gegaan – nadien tweemaal zonder voorafgaande goedkeuring van de man met de kinderen naar het buitenland gegaan.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het regelmatige contact tussen de man en de minderjarigen onvoldoende wordt gewaarborgd indien de vrouw zich met de minderjarigen in Denemarken vestigt. De rechtbank merkt in dit verband op dat partijen eind juli 2009 nog het uitgangspunt van een co-ouderschap onderschreven.

De rechtbank gaat voorts, bij gebrek aan voldoende onderbouwing, voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw vanwege een psychische stoornis niet over de capaciteiten beschikt die nodig zijn om voor de minderjarigen te zorgen op grond waarvan een verhuizing naar Denemarken te meer niet in hun belang zou zijn.

Ten aanzien van de stelling van de vrouw dat zij een beter toekomstperspectief in Denemarken heeft dan in Nederland overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de vrouw sinds haar huwelijk met de man in Nederland heeft gewoond, gedurende het huwelijk in Nederland heeft gewerkt en hier te lande haar kinderen heeft gekregen. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat de vrouw dientengevolge een (sociale) binding met Nederland heeft opgebouwd.

Vaststaat dat de vrouw na het voltooien van haar opleiding op HBO-niveau niet werkzaam is geweest in Denemarken.

De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat zij genoodzaakt is om in Denemarken te gaan werken teneinde in haar levensonderhoud en dat van de kinderen te kunnen voorzien. Hoewel de vrouw thans in Nederland geen werkkring heeft, heeft zij hier te lande van april 1999 tot november 2007 fulltime bij verschillende werkgevers gewerkt. Niet gebleken is dat zij niet opnieuw in Nederland een passende baan zou kunnen vinden. Zij heeft daartoe vooralsnog geen poging ondernomen. Daar komt bij dat, in tegenstelling tot hetgeen de vrouw betoogt, zij, zo nodig, in Nederland in aanmerking kan komen voor sociale voorzieningen. Immers, de man heeft ter zitting gesteld dat de vrouw een permanente verblijfsvergunning heeft, hetgeen door de vrouw vervolgens niet is weersproken.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de vrouw in Denemarken wel over betere huisvesting zou kunnen beschikken dan in Nederland. Immers, de vrouw kan met de kinderen bij haar moeder intrekken. Laatstgenoemde is woonachtig in een groot en landelijk gelegen huis. Dat zulks vanwege een slechte verhouding tussen de vrouw en haar moeder niet mogelijk dan wel niet in het belang van de minderjarigen is, heeft de man na betwisting onvoldoende nader onderbouwd. Verder zal de huidige financiële situatie van de vrouw bij een verblijf in Denemarken direct verbeteren, nu zij een baan heeft aangeboden gekregen als boekhouder, welke baan overigens niet is afgestemd op haar ervaring en opleiding. Voor wat betreft haar sociale netwerk brengt de verhuizing naar Denemarken met zich dat de vrouw dichter bij haar overige familieleden – een broer en een neef – en eventuele andere vrienden zal wonen. Naar het oordeel van de rechtbank wegen voormelde door de vrouw aangevoerde belangen echter niet op tegen de hiervoor geformuleerde belangen van de minderjarigen en de man, zodat de vrouw geen vervangende toestemming wordt verleend om zich met de minderjarigen in Denemarken te vestigen.

Hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Gebleken is dat de minderjarigen sinds het moment dat partijen gescheiden leven, te weten sedert 18 april 2009, woonachtig zijn geweest bij de vrouw. Nu niet is gebleken van contra-indicaties ten aanzien van de opvoedingskwaliteiten van de vrouw is de rechtbank van oordeel dat deze situatie in het belang van de minderjarigen gecontinueerd dient te worden. De rechtbank zal, onder afwijzing van het verzoek van de man, het verzoek van de vrouw tot het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar dan ook toewijzen.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat voor een co-ouderschap dan wel een zeer uitgebreide contactregeling, zoals door de man is verzocht, een te gering draagvlak, nu de daarvoor vereiste mate van overeenstemming tussen partijen thans ontbreekt. De rechtbank zal het verzoek van de man derhalve in zoverre afwijzen.

Ter terechtzitting heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij, voor zover haar geen vervangende toestemming wordt verleend om zich met de minderjarigen in Denemarken te vestigen, kan instemmen met het vastleggen in de beschikking van de huidige voorlopige contactregeling tussen de man en [de minderjarige A]. Daarnaast gaat de vrouw akkoord met een uitbreiding van het contact tussen de man en [de minderjarige B], mits dit contact geleidelijk wordt opgebouwd.

De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige A] om de huidige voorlopige contactregeling te continueren en vast te leggen in de beschikking, nu deze ook leeftijdsadequaat is. Aangezien [de minderjarige A] per 16 augustus 2010 naar school gaat, zal de rechtbank bepalen dat hij vanaf dat moment iedere woensdag na schooltijd tot 19.00 uur bij de man zal zijn, waarbij de man zorg draagt voor het halen en brengen. De rechtbank zal daarnaast een telefonisch contactmoment vastleggen, in die zin dat de man gerechtigd is om telefonisch contact met [de minderjarige A] te hebben een keer per twee weken (in de week waarin er geen contact is in het weekend) op vrijdag omstreeks 17.00 uur.

Nu het contact tussen [de minderjarige B] en de man de afgelopen tijd minimaal is geweest, acht de rechtbank het aangewezen dat het contact stapsgewijs wordt opgebouwd, waarbij wordt toegewerkt naar de tussen de man en [de minderjarige A] geldende contactregeling, zodat de minderjarigen uiteindelijk tezamen en gelijktijdig bij de man zullen zijn.

De rechtbank zal een contactregeling tussen [de minderjarige B] en de man vaststellen, inhoudende dat zij bij de man zal zijn:

- gedurende de eerste twee maanden na deze beschikking op woensdag van 14.00 uur tot 19.00 uur, alsmede eenmaal in de veertien dagen (in hetzelfde weekend dat [de minderjarige A] bij de man is) op zondag van 14.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige B] naar de man brengt en de man haar naar de vrouw terugbrengt;

- de twee daarop volgende maanden op woensdag van 09.00 uur tot 19.00 uur, alsmede eenmaal in de veertien dagen (in hetzelfde weekend dat [de minderjarige A] bij de man is) op zondag van 09.30 uur tot 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige B] naar de man brengt en de man haar naar de vrouw terugbrengt;

- vanaf de daarop volgende maand op woensdag van 09.00 uur tot 19.00 uur, alsmede eenmaal in de veertien dagen van zaterdag 09.30 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige B] naar de man brengt en de man haar naar de vrouw terugbrengt;

- alsmede vanaf de vijfde maand na deze beschikking: één week in de herfstvakantie, één week in de kerstvakantie, één week in het voorjaar en drie weken in de zomervakantie (waarvan twee aaneengesloten).

Ten aanzien van de zomervakantie van 2010 merkt de rechtbank op dat de man ter terechtzitting heeft ingestemd met een verblijf van de vrouw met de minderjarigen gedurende twee weken in Denemarken, mits de vrouw de man haar verblijfgegevens kenbaar maakt en telefonisch bereikbaar is.

Schoolgang en –keuze [de minderjarige A]

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige [de minderjarige A] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de man ter zake de schoolgang en -keuze van de minderjarige [de minderjarige A].

Blijkens het proces-verbaal van de behandeling van het kort geding van 1 juni 2010 zijn partijen overeengekomen dat, als vast komt te staan dat de minderjarigen in Nederland zullen blijven, [de minderjarige A] naar school zal gaan zodra hij de vierjarige leeftijd heeft bereikt.

Nu de minderjarigen in Nederland zullen blijven en de vrouw ook overigens geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de man betreffende schoolgang en –keuze van [de minderjarige A], ligt dit verzoek voor toewijzing gereed. Gezien de door partijen in kort geding gemaakte afspraken, ziet de rechtbank geen aanleiding een dwangsom op te leggen. De rechtbank zal het verzoek van de man ter zake derhalve afwijzen.

Informatie- en consultatieregeling

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een informatie- en consultatieregeling.

Aangezien de verstandhouding en de communicatie tussen partijen momenteel te wensen overlaat, ziet de rechtbank aanleiding een informatie- en consultatieregeling vast te stellen zoals door de man is verzocht.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en wordt dit volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.

Het verzoek van de man ter zake het voortgezet gebruik van de echtelijke woning kan als niet weersproken en als op de wet gegrond worden toegewezen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de man ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de vrouw de echtelijke woning meermalen heeft aangeboden, maar dat zij zulks tot op heden heeft afgeslagen.

Kinderalimentatie

Nu de man in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal de rechtbank op grond van artikel 4 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973, Trb. 1974, 86, Nederlands recht toepassen.

Het verzoek van de vrouw een kinderalimentatie van € 300,- per maand per kind vast te stellen kan als niet weersproken en als op de wet gegrond worden toegewezen.

Partneralimentatie

Nu de man in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.

Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 8 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973, Trb. 1974, 86, Nederlands recht toepassen.

De man heeft gesteld dat de vrouw met haar opleiding en ervaring in Nederland een werkkring zou kunnen vinden, maar hier vanaf heeft gezien kennelijk vanuit haar intentie om naar Denemarken te vertrekken. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat er geen sprake is van behoeftigheid aan de kant van de vrouw. De vrouw heeft deze stelling niet althans onvoldoende weersproken.

Vaststaat dat de vrouw thans geen inkomen genereert en van haar spaartegoeden leeft. Haar WW-uitkering, gebaseerd op een inkomen van ongeveer € 3.500,- bruto per maand, is met ingang van 22 december 2009 geëindigd. Deze feiten op zichzelf zijn echter onvoldoende om ervan uit te gaan dat de vrouw niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat de vrouw in staat is een werkkring te vinden waarmee zij in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw derhalve afwijzen en komt niet toe aan het door de man gevoerde verweer ten aanzien van de hoogte van de behoefte van de vrouw en het ontbreken van zijn draagkracht.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek met betrekking tot de afwikkeling de huwelijkse voorwaarden.

Krachtens artikel 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Nederlandse recht, nu de echtgenoten dat interne recht vóór het huwelijk in de huwelijkse voorwaarden hebben aangewezen als het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht.

Ter terechtzitting hebben partijen hun verzoeken ter zake de afrekening in het kader van de huwelijkse voorwaarden ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen.

Overige verzoeken

De rechtbank ziet geen aanleiding de door de man onder 3. en 7. geformuleerde verzoeken toe te wijzen. Voor zover de vrouw de minderjarigen voor of na deze beschikking zonder toestemming van de man naar het buitenland zou meenemen, is de rechtbank van oordeel dat de man alsdan de daartoe geëigende (juridische) middelen dient in te zetten. De rechtbank zal de overige verzoeken van de man derhalve afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de vrouw] (in de GBA geregistreerd als: [de vrouw]), en [de man], gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats van het huwelijk] te Denemarken;

bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning te [adres echtelijke woning] voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de man wordt bewoond en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek van de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen om zich met de

minderjarigen [de minderjarige A], geboren op [geboortedatum minderjarige A] 2006 te [geboorteplaats minderjarige A] en

[de minderjarige B], geboren op [geboortedatum minderjarige B] 2009 te [geboorteplaats minderjarige B], in Denemarken te

vestigen af;

bepaalt dat de minderjarigen de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige A] bij de man zal zijn:

- iedere woensdag van 09.00 uur tot 19.00 uur, en met ingang van 16 augustus 2010 iedere woensdag na schooltijd tot 19.00 uur, waarbij de man [de minderjarige A] van school haalt en hem om 19.00 uur bij de vrouw terugbrengt;

- een weekend per veertien dagen van zaterdag 09.30 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige A] naar de man brengt en de man hem naar de vrouw terugbrengt;

¬- één week in de herfstvakantie, één week in de kerstvakantie, één week in het voorjaar en drie weken in de zomervakantie (waarvan twee aaneengesloten), waarbij de vrouw [de minderjarige A] naar de man brengt en de man hem naar de vrouw terugbrengt,

en verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man gerechtigd is om telefonisch contact met [de minderjarige A] te hebben een keer per twee weken (in de week waarin er geen contact is in het weekend) op vrijdag omstreeks 17.00 uur,

en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige B] bij de man zal zijn:

- gedurende de eerste twee maanden na deze beschikking op woensdag van 14.00 uur tot 19.00 uur, alsmede eenmaal in de veertien dagen (in hetzelfde weekend dat [de minderjarige A] bij de man is) op zondag van 14.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige B] naar de man brengt en de man haar naar de vrouw terugbrengt;

- de twee daarop volgende maanden op woensdag van 09.00 uur tot 19.00 uur, alsmede eenmaal in de veertien dagen (in hetzelfde weekend dat [de minderjarige A] bij de man is) op zondag van 09.30 uur tot 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige B] naar de man brengt en de man haar naar de vrouw terugbrengt;

- vanaf de daarop volgende maand op woensdag van 09.00 uur tot 19.00 uur, alsmede eenmaal in de veertien dagen van zaterdag 09.30 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige B] naar de man brengt en de man haar naar de vrouw terugbrengt;

- alsmede vanaf de vijfde maand na deze beschikking: één week in de herfstvakantie, één week in de kerstvakantie, één week in het voorjaar en drie weken in de zomervakantie (waarvan twee aaneengesloten), waarbij de vrouw [de minderjarige B] naar de man brengt en de man haar naar de vrouw terugbrengt,

en verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw de man informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarigen, en dat zij hem zal raadplegen over te nemen beslissingen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon van de minderjarigen, waarbij de vrouw de man in elk geval over de volgende zaken zal informeren en consulteren: bezoek aan de crèche (welke en wanneer), schoolkeuze, algemene gezondheid en in het bijzonder bezoeken aan artsen en specialisten, en verklaart deze informatie- en consultatieregeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige A] met ingang van 16 augustus 2010 onderwijs zal volgen aan de [school minderjarige A], aan de [adres school minderjarige A] te ’s-Gravenhage, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, F.J. Verbeek en A. Zonneveld, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. L.F.A. Bos als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juli 2010.