Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3100

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
03-08-2010
Zaaknummer
09/752541-09 Tussenvonnis
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter observatie wordt overgebracht naar het Pieter Baan Centrum (PBC) ex artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Vordering toegewezen. De rechtbank acht het noodzakelijk dat onderzoek wordt verricht naar de persoonlijkheid, de geestvermogens en de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Dit onderzoek kan gelet op de ernst van het verwijt, de achtergrond waartegen dit zou zijn begaan en de houding van verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet op een andere wijze plaatsvinden dan door observatie in het PBC. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het advies van het NIFP om Pro Justitie rapportage te doen opmaken door een psycholoog. Niet te verwachten valt dat, ook gelet op de proceshouding van verdachte tot dusver, met een dergelijk onderzoek de bestaande vragen zullen worden beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/752541-09

Datum uitspraak: 3 augustus 2010

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende tussenvonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Breda.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 20 juli 2010.

De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen. Wel is verschenen de raadsman van verdachte, mr. I.A. van Straalen, advocaat te ’s Gravenhage. De raadsman heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn om verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter observatie wordt overgebracht naar het Pieter Baan Centrum (PBC) ex artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Beoordeling van de vordering.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar vordering een brief overgelegd met advies van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP) van 9 juli 2010, ondertekend door drs. I. van Toor, psychiater in opleiding, en drs. H. Kondakci, forensisch psychiater. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gesteld - zakelijk weergegeven - dat uit het strafrechtelijke onderzoek een beeld van verdachte naar voren komt dat vragen oproept omtrent haar persoonlijkheid en die niet beantwoord kunnen worden met een rapportage van het NIFP. Het daaraan ten grondslag liggende onderzoek bestaat immers enkel uit een gesprek. Gelet op de houding van verdachte zal een enkel gesprek onvoldoende zijn om uitlatingen te kunnen doen over de persoon van verdachte. De officier van justitie acht het – mede gelet op de ernst van het verwijt – dan ook noodzakelijk om verdachte te laten observeren in het PBC.

De raadsman heeft - zakelijk weergegeven - ter terechtzitting het verweer gevoerd dat, voor toepassing van artikel 317 Sv (klinische observatie), vereist is dat een onderzoek naar de geestvermogens van een verdachte noodzakelijk is en dat dit onderzoek niet op een andere wijze kan plaatsvinden. Er is onvoldoende noodzaak nu op 9 juli 2010 reeds door twee psychiaters een bezoek is gebracht aan verdachte. Door hen is gerapporteerd dat er geen opvallende aanwijzingen zijn voor een psychotisch of depressief toestandsbeeld of een psychiatrisch toestandsbeeld in engere zin. Een moeizame ontwikkeling rondom haar jeugd en adolescentie kan weliswaar niet worden uitgesloten, maar voor eventuele daaruit voortvloeiende problematiek zijn geen aanwijzingen in het rapport te vinden. Uit het advies is niet de noodzaak af te leiden voor een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte in het PBC. Uit het advies blijkt hoogstens dat Pro Justitia onderzoek door een psycholoog geïndiceerd is. Op grond hiervan dient de vordering van de officier van justitie te worden afgewezen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat klinische observatie van verdachte een schending zou opleveren van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het feit dat verdachte tegen haar uitdrukkelijke wil een aantal weken in een dwangsituatie zou worden geobserveerd, is een schending van haar recht op een eerlijk proces. De raadsman heeft hierbij gewezen op de het arrest Saunders tegen Verenigd Koninkrijk (NJ 1997, 699) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

De rechtbank overweegt het volgende.

Medeverdachten en getuigen hebben verklaringen afgelegd over de rol van verdachte voor, tijdens en na het feit dat aan haar is telastgelegd. Deze verklaringen tegen de achtergrond van de relatie van verdachte tot het slachtoffer en de ernst van het verwijt roepen zonder enige twijfel vragen op over eventuele beweegredenen en persoonlijkheid van verdachte. Verdachte heeft vooralsnog gebruik gemaakt van haar recht om te zwijgen.

Uit het advies van het NIFP van 9 juli 2010 – welk advies is gebaseerd op een gesprek met verdachte in de penitentiaire inrichting Breda – volgt dat, hoewel geen aanwijzingen zijn gevonden voor een psychiatrisch toestandsbeeld in engere zin, een moeizame ontwikkeling rondom haar jeugd en adolescentie niet is uit te sluiten. Door de houding van verdachte is echter te weinig informatie verkregen om een uitspraak te kunnen doen over haar persoonlijkheid.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het noodzakelijk dat onderzoek wordt verricht naar de persoonlijkheid, de geestvermogens en de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Dit onderzoek kan gelet op de ernst van het verwijt, de achtergrond waartegen dit zou zijn begaan en de houding van verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet op een andere wijze plaatsvinden dan door observatie in het PBC. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het advies van het NIFP om Pro Justitie rapportage te doen opmaken door een psycholoog. Niet te verwachten valt dat, ook gelet op de proceshouding van verdachte tot dusver, met een dergelijk onderzoek de bestaande vragen zullen worden beantwoord.

De rechtbank zal ook het verweer van de verdediging dat ziet op schending van artikel 6 EVRM verwerpen. Het door de raadsman aangehaalde arrest ziet - kort gezegd - op de vraag in hoeverre bewijs vergaard mag worden tegen de wil van verdachte. Het gaat daarbij om het beginsel dat een verdachte niet hoeft mee te werken aan de eigen veroordeling en, als verbijzondering daarvan, op het recht van een verdachte om te zwijgen.

De in artikel 317 Sv genoemde, gevorderde klinische observatie ziet echter niet op bewijsgaring maar op een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte waarvan de uitkomsten mogelijk van belang zijn voor de beantwoording van de vraag in hoeverre het aan de verdachte ten laste gelegde feit bij een eventuele bewezenverklaring aan haar kan worden toegerekend. Ook in meer algemene zin is inzicht in de persoonlijkheid van verdachte van belang bij het bepalen van een eventueel op te leggen straf of maatregel.

De rechtbank zal de vordering tot het overbrengen ter observatie van verdachte naar het PBC toewijzen.

Beslissing

De rechtbank,

hervat het onderzoek ter terechtzitting;

beveelt dat verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar het Pieter Baan Centrum te Utrecht, opdat op de gebruikelijke wijze een persoonlijkheidsonderzoek zal worden verricht;

schorst het onderzoek ter terechtzitting tot de zitting van dinsdag 31 augustus 2010 te 09.00 uur;

beveelt de oproeping van de verdachte tegen het tijdstip van die terechtzitting;

stelt de stukken in handen van de officier van justitie teneinde uitvoering te geven aan hetgeen in dit tussenvonnis is bepaald.

De voorzitter heeft de raadsman op de zitting van 20 juli jl. aangezegd om zonder nadere oproeping op bovengenoemd tijdstip ter terechtzitting aanwezig te zijn.

Dit tussenvonnis is gewezen door

mrs. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter,

G.H.M. Smelt en M. Knijff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2010.