Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3045

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
346135 - HA ZA 09-2881
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BW2995
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door de politie is een hond van eiser in beslag genomen en deze hond is vervolgens na een machtiging daartoe van de officier van justitie geëuthaniseerd. In de daarop volgende strafprocedure tegen eiser is eiser vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde en is de teruggave van de hond gelast. In de onderhavige procedure vordert eiser een verklaring voor recht dat de politie en het openbaar minsterie als publiekrechtelijke organisaties van de Staat dan wel de Staat onrechtmatig hebben/heeft gehandeld. Daarnaast vordert eiser schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat de Staat niet aansprakelijk is voor gedragingen van de politie. Gedragingen van de officier van justitie kunnen wel aan de Staat worden toegerekend. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. Zowel de inbeslagneming van de hond als het afmaken van de hond waren naar het oordeel van de rechtbank rechtmatig. Gegeven de uitkomst van de strafzaak en het feit dat de hond niet meer in leven is, moet de Staat namens de bewaarder van de hond aan eiser de waarde van de hond vergoeden. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 346135 / HA ZA 09-2881

Vonnis van 14 juli 2010

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser,

advocaat mr. J.W. Verhoef te Uithoorn,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 24 juni 2009;

- de conclusie van antwoord van 21 oktober 2009;

- het tussenvonnis van 4 november 2009, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- het proces-verbaal van comparitie van 8 juni 2010 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Blijkens een kennisgeving van inbeslagneming heeft [hoofdagent] van de Politie Hollands Midden (hierna: [hoofdagent]) op 5 januari 2005 onder [eiser] in beslag genomen een hond van het ras Dobermann Pincher genaamd [hond] (hierna: de hond).

2.2. In het proces-verbaal van 27 januari 2005 heeft [hoofdagent] het volgende verklaard:

'(...)

AANLEIDING:

------------------

Op maandag 03 januari 2005 omstreeks 16.30 uur viel de hond van het ras Dobermann Pincher genaamd '[hond]' van de heer [eiser] (...) de kat van [eigenaar kat] (...) aan. Op dinsdag 04 januari 2005 bezweek genoemde kat aan zijn verwondingen en overleed.

OVERLEG OFFICIER VAN JUSTITIE:

-------------------------------------------------

Op woensdag 05 januari had ik, [hoofdagent], telefonisch overleg met Officier van Justitie Mr. mw. I. Degeling. Zij gaf toestemming om de hond van de heer [eiser] in beslag te doen laten nemen.

(...)

Zij gaf aan mij, verbalisant een machtiging om de inbeslaggenomen hond te laten euthaniseren op grond van artikel 117 van het Wetboek Strafvordering.

Hierbij gaf ik, [hoofdagent] de Officier van Justitie te kennen dat de verdachte [eiser] in het verleden meerdere malen in overtreding was geweest van het aanlijngebod krachtens de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente Alphen den Rijn.

>>>>>> zie proces-verbaal van bevindingen"Historisch Overzicht" met de daarbij de bijgevoegde bijlagen van de mutaties die separaat bij dit proces werden gevoegd.

EUTHANASIE HOND:

------------------------------

Op woensdag 05 januari 2005, werd de onder de verdachte [eiser] in beslaggenomen hond geeuthaniseerd door [dierenarts] (...)'

2.3. Bij vonnis van 2 mei 2005 heeft de politierechter van deze rechtbank bewezen verklaard (i) dat [eiser] onvoldoende heeft zorggedragen voor een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier en (ii) dat [eiser] artikel 2.4.17 onder 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente [woonplaats] heeft overtreden. De politierechter heeft in deze zaak de verbeurdverklaring van de onder [eiser] in beslag genomen hond uitgesproken.

2.4. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 6 januari 2006 het vonnis van 2 mei 2005 van de politierechter vernietigd, [eiser] vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde en de teruggave van de hond gelast. Het gerechtshof heeft onder meer het volgende overwogen:

'(...)

Het hof is van oordeel dat het verschaffen van deels onjuist gebleken informatie aan de officier van justitie ter ondersteuning van een verzoek om toestemming voor inbeslagneming en vernietiging van de hond onzorgvuldig is. Ernstiger is dat uit het Wetboek van Strafvordering noch uit enige andere wettelijke regeling een bevoegdheid kan worden afgeleid op grond waarvan deze hond in beslag kon worden genomen; er was geen sprake van een heterdaadsituatie en de verdachte werd niet van een feit als genoemd in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering verdacht. In andere regelingen zijn alleen Pittbullterriers en daarop gelijkende honden genoemd.

De verdachte heeft door het onrechtmatig optreden van de politie, leidend tot de snelle dood van de hond [hond], materiële en emotionele schade geleden. Niettemin is niet aannemelijk geworden dat de politie en/of het openbaar ministerie doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort hebben gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van deze zaak. (...)

Alles bijeen genomen zijn er, naar het oordeel van het hof, onvoldoende gronden voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging. (...)

Vrijspraak

(...)

Op 3 januari 2005 heeft de verdachte zijn honden, waaronder [hond], uitgelaten op een hondenuitlaatplaats in [woonplaats] Hij heeft [hond] aangelijnd met een zogenaamde pennenketting, waarvan niet te verwachten is dat deze los zal schieten. Op een gegeven moment is de ketting van [hond] toch losgeschoten. Op dat moment is de verdachte onmiddellijk naar [hond] toegelopen om hem wederom aan te lijnen. Enige momenten later, toen de verdachte nog niet de mogelijkheid had gehad om [hond] te pakken, heeft [hond] de kat van [eigenaar kat] gezien, is hij over het hek gesprongen en is achter de kat aangegaan. De verdachte heeft [hond] nog geroepen en is er achteraan gerend, doch was te laat ter plaatse. [hond] had de kat reeds verwond. Later is de kat aan de verwondingen overleden.

Uit deze vaststellingen blijkt naar het oordeel van het hof dat de verdachte voldoende zorg heeft betracht om zijn hond, waarvan hij wist dat deze gevaarlijk was voor katten, onschadelijk te houden. Hij heeft immers al hetgeen van hem in de gegeven situatie mocht worden verwacht gedaan om de hond aangelijnd en bij zich te houden. Verdachte heeft aannemelijk gemaakt dat de pennenketting in strijd met elke verwachting onverhoopt is losgeschoten. Doordat zich even later een kat vertoonde ontstond een samenloop van omstandigheden die niet aan de verdachte kan worden verweten, en dus buiten het bereik van diens schuld valt.

(...)'

2.5. Bij verzoekschrift op grond van artikel 119 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft [eiser] het gerechtshof te 's-Gravenhage verzocht aan hem toe te kennen een bedrag van € 30.000,- ter zake van schadevergoeding ten laste van de Staat. Hij verwijst daarbij naar het arrest van 6 januari 2006, waarin het hof de teruggave van de hond heeft gelast, terwijl teruggave niet meer mogelijk is doordat de hond in opdracht van de officier van justitie is afgemaakt. Het gerechtshof heeft zich bij beschikking van 22 december 2006 niet bevoegd verklaard tot kennisneming van het verzoek, omdat dit verzoek tot de bewaarder van het inbeslaggenomen voorwerp had moeten worden gericht.

2.6. Eveneens op 22 december 2006 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking een verzoek van [eiser] op grond van artikel 591a Sv toegewezen en aan hem ten laste van de Staat een vergoeding toegekend van € 12.000,-. Dit betreft een vergoeding van de ten behoeve van de strafzaak gemaakte kosten voor rechtsbijstand en reiskosten, waarbij is inbegrepen een bedrag van € 540,- ter zake van het opstellen en in raadkamer behandelen van het verzoekschrift.

2.7. De advocaat van [eiser], mr. J.W. Verhoef, heeft namens zijn cliënt gecorrespondeerd met de Onderlinge Verzekeringen Overheid u.a. over schadevergoeding. Onderlinge Verzekeringen Overheid u.a. trad daarbij op als verzekeraar van de Politie Hollands Midden.

2.8. Op of omstreeks 26 februari 2007 heeft de Onderlinge Verzekeringen Overheid u.a. een bedrag van € 1.000,- als voorschot op de schadevergoeding overgemaakt op de bankrekening van de Stichting Beheer Derdengelden mr. J.W. Verhoef.

2.9. In het rapport van expertise van 6 mei 2008 van de heer ing. M.M. Roozendaal re van EMN Expertise B.V. (hierna: Roozendaal), die hiertoe opdracht had gekregen van Onderlinge Verzekeringen Overheid u.a., is het volgende opgenomen:

'(...)

Schadedatum : 5 januari 2005

Betreft : schade in verband met het ten onrechte euthanaseren van een hond

Schadebedrag : waarde hond [hond], inclusief BTW € 1.400,00

(...)

Algemene gegevens

(...)

Tegenpartij:

[eiser] (...) was eigenaar van de huishond [hond]. Het betreft een hond van het ras Dobermann, geboren d.d. 21 september 2001 en geregistreerd onder N.H.S.B.-nummer 2350029.

Relatie tussen betrokken partijen

Verzekerde heeft volgens opgave de hond van verzekerde in beslag genomen en, naar later is gebleken, ten onrechte laten euthanaseren. Conform uw opdracht hebben wij onze expertise beperkt tot de vaststelling van de schade.

Schadeomvang

De schade bestaat uit het verlies van de waarde van de hond op schadedatum.

(...)

Wij ontvingen op 24 januari 2008 kopieën van het stampapier en enkele andere stukken, waaronder bewijs van de twee behaalde certificaten. (...)

De hond is door tegenpartij van fokker [A.] gekocht. In krantenberichten uit het dossier is een aankoopbedrag van NLG 1.900,00 genoemd. Tegenpartij stelt nu het aankoopbedrag op € 1.400,00. De daadwerkelijke aankoopfactuur zou niet meer voorhanden zijn.

Naar ons oordeel was de geadviseerde pupprijs voor bij de Raad van Beheer aangesloten fokkers voor een Dobermann in 2001 tussen de NLG 1.000,00 en NLG 1.500,00. De gemiddelde pupprijs nu ligt tussen de € 1.000,00 em € 1.400,00.

(...)

Op 18 juli 2004 is het DKT examen (Dobbermann Karakter Test) behaald.

Op 8 augustus 2004 is het VZH examen (Verkeers Zekere Hond) alsnog behaald.

Bovengenoemde trainingen wijzen op algemene trainingen en niet op een bedoeld fokprogramma of specifieke trainingen als werkhond die de waarde substantieel zou doen toenemen.

Van de trainingen zijn geen facturen overgelegd. Hierbij moet worden opgemerkt dat de waarde van de hond niet toeneemt bij het onderhouden en voeren en het volgen van deze algemene trainingen.

Tegenpartij is bij de Raad van Beheer niet geregistreerd als erkende fokker. Van enige aspiraties voor een fokprogramma met [hond] is niets gebleken.

(...)

De gegevens van de ouders waren reeds bekend bij de aankoop van de pup en zijn verdisconteerd in de aankoopprijs.

Het bovenstaande geeft voor ons aanleiding om de waarde van de hond vast te stellen op een bedrag van maximaal € 1.400,00.

De claim ad € 10.000,00 voor emotionele schade hebben wij niet beoordeeld en kan voor onderhavige "zaakschade" niet aan de orde zijn.

(...)'

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - samengevat - voor recht te verklaren dat de politie en het openbaar ministerie als publiekrechtelijke organisaties van de Staat dan wel de Staat onrechtmatig hebben/heeft gehandeld jegens [eiser], en de Staat daarbij te veroordelen tot vergoeding van de materiële (€ 20.000,-) en immateriële (€ 10.000,-) schade, vermeerderd met rente en kosten, waaronder een bedrag van € 11.900,- aan buitengerechtelijke kosten.

3.2. [eiser] voert daartoe - samengevat - het volgende aan. De hond is in strijd met de wettelijke regels en voorschriften door de politie te [woonplaats] in beslag genomen en vervolgens op last van de officier van justitie ten onrechte nagenoeg onmiddellijk en met het uitoefenen van dwang op de betreffende dierenarts door de politie afgemaakt. [eiser] is vervolgens op grond van een door de politie onjuist opgemaakt proces-verbaal gedagvaard. Bij arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage is [eiser] vrijgesproken, waarbij het gerechtshof teruggave van de hond heeft gelast. In dit arrest bevestigt het hof dat de politie en de officier van justitie, althans de Staat, jegens [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld. De Staat is ook verantwoordelijk voor het handelen van de politie, nu de politie op aansturing en onder de eindverantwoordelijkheid van de zaaksofficier heeft gehandeld. Gelet hierop dient de Staat de door [eiser] geleden schade te vergoeden.

3.3. De Staat voert verweer.

3.4. Op de (verdere) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] heeft de Staat gedagvaard, "meer speciaal" onder meer "de Politie Hollands Midden, District Rijn- en Vechtstreek, Ministerie van Binnenlandse Zaken". De rechtbank is met de Staat van oordeel dat de Staat niet aansprakelijk is voor de gedragingen van de Politie Hollands Midden, nu in artikel 21 lid 4 van de Politiewet 1993 is bepaald dat een politieregio een rechtspersoon is. [eiser] had derhalve de Politie Hollands Midden zelf kunnen dagvaarden overeenkomstig artikel 49 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). De Politie Hollands Midden is geen orgaan van de Staat, terwijl ook niet gesteld of gebleken is dat de Politie als gevolmachtigde voor de Staat handelde. Evenmin is gebleken dat op andere grondslag de gedragingen van de Politie Hollands Midden aan de Staat kunnen en moeten worden toegerekend. Onder die omstandigheden is voor toerekening van gedragingen van de Politie Hollands Midden aan de Staat geen plaats.

4.2. Dit is anders ten aanzien van de gedragingen van de officier van justitie als leidinggevende van het strafrechtelijke onderzoek. Voor zover de officier van justitie onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser], kunnen deze gedragingen aan de Staat worden toegerekend. Tegen deze toerekening heeft de Staat op zichzelf ook geen verweer gevoerd.

4.3. Anders dan [eiser] stelt, is de burgerlijke rechter niet gebonden aan het oordeel van de strafkamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage zoals weergegeven in het arrest van 6 januari 2006 over de (on)rechtmatigheid van de inbeslagneming van de hond en de daarop gevolgde euthanasie van de hond. De overwegingen van het gerechtshof hierover zijn gegeven in het kader van een prealabel beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafzaak, waaraan in civielrechtelijke zin geen gezag van gewijsde toekomt.

4.4. Wel staat vast dat [eiser] de hem tenlastegelegde feiten niet heeft gepleegd. Tussen partijen is dit ook niet in geschil. Bovendien is sprake van een gemotiveerde vrijspraak van [eiser]. De overwegingen van het gerechtshof komen er immers op neer (i) dat [eiser] voldoende zorg heeft betracht om zijn hond onschadelijk te maken, (ii) dat hij alles heeft gedaan wat in de gegeven situatie in redelijkheid van hem mocht worden verwacht om de hond aangelijnd en bij zich te houden en (iii) dat de samenloop van omstandigheden die niet aan [eiser] kan worden verweten buiten het bereik van diens schuld valt. Gelet hierop is er sprake van gebleken onschuld van [eiser] (vgl. Hoge Raad 13 oktober 2006, NJ 2007, 432 'Begaclaim'). Voor de beoordeling van de vordering in deze procedure heeft deze vaststelling echter slechts een geringe betekenis, aangezien het gaat om de vraag of de inbeslagneming en het afmaken van de hond op zichzelf bezien rechtmatig waren. Dit dient te worden beoordeeld naar het moment waarop deze handelingen plaatsvonden, waarbij het er in de kern om gaat (i) of jegens [eiser] een gerechtvaardigde verdenking bestond van een strafbaar feit dat de inbeslagneming van de hond rechtvaardigde en (ii) of - indien dat het geval was - het afmaken van de hond gerechtvaardigd was.

4.5. In afwijking van het oordeel van de strafkamer van het gerechtshof en met de Staat is de rechtbank van oordeel dat de inbeslagneming van de hond rechtmatig was. Ten tijde van de inbeslagneming werd [eiser] verdacht van overtreding van artikel 350 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten het opzettelijk en wederrechtelijk doden, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken van een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort. Bij verdenking van dit misdrijf kan een bevel tot voorlopige hechtenis worden gegeven (artikel 67 lid 1 aanhef en onder b Sr). Ingevolge artikel 96 lid 1 Sr is de opsporingsambtenaar in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sr bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen. Gelet hierop was de Politie Hollands Midden bevoegd de hond in beslag te nemen.

4.6. Ook het afmaken van de hond was naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden rechtmatig. Ingevolge artikel 117 lid 1 Sv kunnen inbeslaggenomen voorwerpen worden vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek worden bestemd na een machtiging daartoe van het openbaar ministerie. Een dergelijke machtiging kan onder meer worden verleend ten aanzien van voorwerpen die niet geschikt zijn voor opslag of waarvan de kosten van de bewaring niet in een redelijke verhouding staan tot hun waarde. Ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt slechts machtiging tot vernietiging gegeven. Ingevolge artikel 10 lid 2 van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen (Stb. 1995, 699) overlegt de bewaarder ten aanzien van inbeslaggenomen levende dieren over hetzij een passende wijze van bewaring, hetzij een geschikte machtiging tot het prijsgeven of vervreemding om niet of om baat. In geval dat de onttrekking aan het verkeer zal worden gevorderd, geeft het openbaar ministerie een last tot vernietiging.

In het proces-verbaal van 27 januari 2005 (zie randnummer 2.2 van dit vonnis) heeft [hoofdagent] verklaard dat de officier van justitie aan hem een machtiging op grond van artikel 117 Sv had gegeven om de hond te laten euthanaseren. Niet is gebleken dat deze machtiging desondanks niet is gegeven, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in de gegeven omstandigheden in redelijkheid deze machtiging heeft kunnen geven. Honden zijn niet geschikt voor opslag gedurende langere tijd, terwijl bovendien de kosten van bewaring van de hond niet opwegen tegen de waarde van de hond (€ 1.400,-, waarover later meer). Daarbij komt dat de hond voor de vierde maal betrokken was bij een bijtincident met ernstige gevolgen, zodat de officier van justitie ook in zoverre in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het ongecontroleerde bezit van de hond in strijd was met de wet of het algemeen belang. Het stond de officier van justitie dus niet vrij om een andere last dan een last tot vernietiging te geven.

4.7. Dat achteraf door het gerechtshof te 's-Gravenhage aan de bewaarder een last tot teruggave van de hond is gegeven, maakt het afmaken van de hond niet onrechtmatig. Het systeem van de wet gaat er immers van uit dat een dergelijke last ook kan worden gegeven indien de bewaring door onder meer vernietiging op grond van artikel 117 lid 2 Sv is beëindigd. In dat geval gaat de bewaarder over tot uitbetaling van de prijs die de hond bij verkoop door hem redelijkerwijs zou hebben opgebracht (artikel 119 lid 2 Sv).

4.8. Gelet op het voorgaande zal de vordering voor recht te verklaren dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser], worden afgewezen.

4.9. Gegeven de uitkomst van de strafzaak en het feit dat de hond niet meer in leven is, moet de Staat namens de bewaarder aan [eiser] de waarde van de hond vergoeden. Partijen verschillen van mening over de waarde van de hond. De Staat stelt, onder verwijzing naar het rapport van expertise van Roozendaal van 6 mei 2008 dat de waarde van de hond € 1.400,- bedroeg. [eiser] stelt daarentegen dat er sprake was van een tophond die drie jaar intensief was getraind en was opgenomen in het zogenaamde fokprogramma. Een gelijkwaardige hond heeft volgens [eiser] € 80.000,- à € 90.000,- aan dekgelden opgebracht en een reële vraagprijs voor vergelijkbare honden zou zijns inziens € 15.000,- tot € 25.000,- zijn geweest.

4.10. [eiser] heeft zijn stellingen over de waarde van de hond niet met concrete feiten toegelicht, laat staan dat hij deze feiten heeft gedocumenteerd, zelfs niet nadat hij door de rechtbank bij brief van 3 mei 2010 daartoe expliciet was uitgenodigd. Niet is gesteld welke trainingen de hond zou hebben gevolgd en ook zijn geen feiten gesteld waaruit zou kunnen blijken dat de hond was opgenomen in een zogenoemd fokprogramma en dat de vraagprijs voor vergelijkbare honden tussen de € 15.000,- en € 25.000,- zou zijn geweest. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan een opdracht aan [eiser] om zijn stellingen te bewijzen. De rechtbank zal uitgaan van de door Roozendaal gemotiveerd vastgestelde waarde van de hond van € 1.400,-. De door [eiser] gestelde kosten voor training en voedsel van de hond moeten - voor zover deze al voor vergoeding in aanmerking komen - worden geacht te zijn verdisconteerd in de waarde van de hond. Nu door de Onderlinge Verzekeringen Overheid u.a. reeds € 1.000,- aan [eiser] is betaald, zal de Staat worden veroordeeld € 400,- aan [eiser] te betalen.

4.11. [eiser] licht zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade toe door te stellen dat hij, zijn echtgenote en hun destijds zevenjarige zoon ernstige emotionele schade hebben geleden en nog steeds lijden door het plotseling wegvallen van de hond en door de wijze waarop dit is geschied. Dit is volgens [eiser] tevens te beschouwen als shockschade.

4.12. De rechtbank stelt dienaangaande voorop dat alleszins aannemelijk is dat [eiser] en zijn gezinsleden door het overlijden van de hond en de wijze waarop dit heeft plaatsgevonden emotioneel geraakt zijn. Dit betekent echter niet zonder meer dat een recht bestaat op vergoeding van de gestelde immateriële schade. Ten aanzien van de vraag of [eiser] hierop recht heeft, overweegt de rechtbank als volgt.

4.13. Kennelijk stelt [eiser] recht te hebben op vergoeding van zijn immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, waarin is bepaald dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] lichamelijk letsel heeft opgelopen of in zijn eer of goede naam is aangetast, zodat beoordeeld moet worden of hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

4.14. Voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat hij of zijn gezinsleden geestelijk letsel hebben opgelopen door de inbeslagneming en de dood van de hond, volgt de rechtbank hem hierin niet. Niet is gebleken dat bij [eiser] of (één van) zijn gezinsleden sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld als gevolg van de gebeurtenissen, terwijl een meer of minder sterk psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen onvoldoende is voor toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade. De rechtbank oordeelt dan ook, met de Staat, dat ook de vordering tot vergoeding van shockschade niet kan worden toegewezen. Daargelaten de vraag of de wet en jurisprudentie ruimte bieden voor vergoeding van shockschade bij het overlijden van dieren, overweegt de rechtbank dat voor vergoeding van shockschade in ieder geval is vereist dat het overlijden is waargenomen dan wel dat een directe confrontatie met de gevolgen daarvan heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht. Hiervan was geen sprake, nu [eiser] en zijn bedoelde gezinsleden niet aanwezig was bij het afmaken van de hond en zij evenmin direct daarna geconfronteerd zijn met het lichaam van de hond. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] op een andere wijze in zijn persoon is aangetast, terwijl de wet voor vergoeding van affectieschade geen ruimte biedt. De vordering tot vergoeding van de gestelde immateriële schade zal dan ook worden afgewezen.

4.15. De rechtbank zal de gevorderde buitengerechtelijke kosten afwijzen. Nu [eiser] slechts recht heeft op vergoeding van de waarde van de hond, ten bedrage van € 1.400,-, zijn de gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 11.900.- niet redelijk. Bovendien waren de verrichte werkzaamheden niet redelijkerwijs noodzakelijk om het bedrag van € 1.400,- te verkrijgen. De Onderlinge Verzekeringen Overheid u.a. heeft immers bij brief van 22 februari 2007 reeds bericht dat het bedrag dat de hond redelijkerwijs bij verkoop zou hebben opgebracht, wordt vergoed en deze verzekeraar heeft [eiser] uitgenodigd een bewijsstuk van de aankoopprijs van de hond over te leggen. Bovendien is hierbij aangekondigd dat een bedrag van € 1.000,- als voorschot zou worden uitbetaald, wat vervolgens op 26 februari 2007 ook is geschied. Blijkens de door [eiser] overgelegde uren- en kostenregistratie van mr. Verhoef is hieraan slechts een bespreking met [eiser] voorafgegaan. Deze kosten kunnen niet worden aangemerkt als noodzakelijk om de schadevergoeding te krijgen, terwijl ook de nadien gemaakte kosten niet aan dit criterium voldoen.

4.16. [eiser] heeft wettelijke rente gevorderd met ingang van 22 juni 2001 en daarbij opgemerkt dat dit de datum is van het overlijden van de hond. Nu de hond op 5 januari 2005 is overleden, zal de rechtbank ervan uitgaan dat [eiser] deze datum heeft bedoeld. De vordering tot betaling van de wettelijke rente met ingang van 5 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal dus worden toegewezen.

4.17. [eiser] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de Staat tot dusverre begroot op € 2.708,-, waarvan € 920,- aan griffierecht en € 1.788,- aan salaris advocaat (twee punten à € 894, volgens tarief IV).

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. veroordeelt de Staat om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 400,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, berekend over de periode van 5 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 2.708,-;

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2010.