Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2972

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
Awb 08 / 31499
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan?

De Nederlandse echtgenote van eiser heeft gebruik gemaakt van het recht op vrij verkeer binnen de gemeenschap. De ratio van de jurisprudentie van het Hof van Justitie is dat de eigen onderdaan niet door eventuele beperkingen bij de terugkeer met zijn of haar partner vanuit het gastland naar het land waarvan hij onderdaan is, van mag worden weerhouden om zich, gebruikmakend van het recht op vrij verkeer en verblijf binnen de gemeenschap, naar een andere lidstaat te begeven en daar te verblijven. Zolang betrokkenen binnen de gemeenschap blijven, kunnen zij de aan hun hoedanigheid van gemeenschapsonderdaan ontleende rechten uitoefenen, dus niet bij terugkeer vanuit de Verenigde Staten.

Relevante feiten:

Eiser, van Amerikaanse nationaliteit, en zijn Nederlandse echtgenote hebben tussen 1973 en 1983 in Nederland gewoond en gewerkt. Vervolgens hebben zij samen van 1983 tot 1997 in Zweden gewoond en gewerkt, waarna zij zijn verhuisd naar de Verenigde Staten en begin mei 2007 zijn teruggekeerd naar Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/31499

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2010

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Amerikaanse nationaliteit,

verblijvende te Dordrecht,

eiser,

gemachtigde mr. C.F.M. van den Ekart,

tegen

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. J.C.O. van Stiphout.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 7 november 2007 om

afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Verweerder heeft het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van

7 augustus 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij de behandeling van een in te dienen beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Eiser heeft op 29 augustus 2008 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van 31 maart 2010, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is of verweerder zijn besluit tot weigering aan eiser van een document of schriftelijke verklaring waaruit diens rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt terecht en op goede gronden heeft gehandhaafd.

Relevante feiten

2. Niet in geschil is dat eiser vreemdeling is in de zin van artikel 1, aanhef en onder m, van de Vw 2000 en dat hij met de Nederlandse [vrouw] is gehuwd. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser en zijn echtgenote tussen 1973 en 1983 in Nederland hebben gewoond en gewerkt. Vervolgens hebben zij samen van 1983 tot 1997 in Zweden gewoond en gewerkt, waarna zij zijn verhuisd naar de Verenigde Staten en begin mei 2007 zijn teruggekeerd naar Nederland.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet als gemeenschapsonderdaan kan worden aangemerkt, waardoor hij niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van het EG-verdrag. De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG, thans Hof van Justitie) van 7 juli 1992 inzake [persoon], C-370/90, is volgens verweerder in het geval van eiser niet van toepassing, omdat eiser en zijn echtgenote niet aansluitend aan hun verblijf in Zweden zijn teruggekeerd naar Nederland. Een eventueel geslaagd beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan niet leiden tot de conclusie dat eiser wel als gemeenschapsonderdaan dient te worden aangemerkt. Omdat eiser volgens verweerder niet als gemeenschapsonderdaan kan worden aangemerkt, heeft verweerder verder niet beoordeeld of de middelen van bestaan toereikend zijn.

4. Eiser daarentegen is van mening dat hij wel als gemeenschapsonderdaan, in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan worden beschouwd. Eiser beoogt verblijf bij zijn Nederlandse echtgenote, die, gebruikmakend van haar recht op vrij verkeer van personen als bedoeld in artikel 1 van EG-verordening 1612/68, in Zweden heeft gewerkt en mitsdien als gemeenschapsonderdaan moet worden beschouwd. Conform artikel 10 van EG-verordening 1612/68, paragraaf B10/5.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) en jurisprudentie van het HvJEG (onder andere de uitspraken van 7 juli 1992, C-370/90, [persoon], en van 11 december 2007, C-291/05, Eind) heeft ook een gezinslid van een Nederlander, dat uit een ander EU-land naar Nederland gaat, recht op verblijf in Nederland op grond van het EU-recht en artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser kan een Nederlander die eenmaal gebruik heeft gemaakt van het recht van vrij verkeer van personen en die daarmee de status van gemeenschapsonderdaan heeft verkregen deze status niet meer verliezen en kan deze status (lees: kunnen de daaruit voortvloeiende rechten) alleen nog maar worden beperkt op grond van gevaar voor de openbare orde. De periode tussen het verblijf in Nederland en het verblijf in Zweden is volgens eiser derhalve niet van belang.

Relevante regelgeving

5. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 verschaft de Minister van Justitie aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met d, f tot en met h en j tot en met l en aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e, sub 2°, 4° en 6°, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

In artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 is bepaald dat de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan, zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Onder gemeenschapsonderdanen moeten, ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Vw 2000 worden - voor zover hier van belang - verstaan:

1°. onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

2°. familieleden van de onder 1° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

Beoordeling door de rechtbank

6. Nederlanders zijn weliswaar EU-burgers, maar zijn daarmee nog geen gemeenschapsonderdanen. Eerst door gebruikmaking van het recht op vrij verkeer van werknemers binnen de EU kunnen Nederlanders, zij het ten opzichte van de ontvangende lid-Staat en de overige lid-Staten, als gemeenschapsonderdaan worden beschouwd. Indien zij, na van dat recht gebruik te hebben gemaakt, naar Nederland terugkeren, komt hun dat recht op terugkeer niet toe op grond van hun hoedanigheid van gemeenschapsonderdaan, maar op grond van het nationale recht.

7. De regeling betreffende het vrij verkeer en verblijf, zoals opgenomen in Richtlijn 2004/38/EG en omgezet in de nationale vreemdelingenregelgeving, heeft ten doel beperkingen ten aanzien van gezinsvorming voor werknemers binnen de grenzen van de EU op te heffen. Uit die regelgeving en uit de jurisprudentie van het HvJEG (o.a. [persoon], HvJEG 7 juli 1992, LJN AB9905, Eind, HvJEG 11 december 2007, LJN BC1839 en [m ], HvJEG 25 juli 2008, LJN BE8788) volgt dat een lidstaat verblijf moet toestaan aan het familie- of gezinslid - ongeacht diens nationaliteit - van een eigen onderdaan, die met dit familie- of gezinslid in een andere lidstaat op grond van het EG-verdrag heeft verbleven en die zich daarna weer vestigt in eigen land.

8. De situatie van eiser kan niet worden gelijkgesteld aan de in rechtsoverweging 7 bedoelde jurisprudentie. De ratio van die jurisprudentie is dat de eigen onderdaan er niet, door eventuele beperkingen bij de terugkeer met zijn of haar partner vanuit het gastland naar het land waarvan hij onderdaan is, van mag worden weerhouden om zich, gebruikmakend van het recht op vrij verkeer en verblijf, naar een andere lidstaat te begeven en daar te verblijven. Indien de eigen onderdaan, in plaats van terug te keren naar het eigen land, zich met zijn of haar partner voor langere tijd buiten het grondgebied van de gemeenschap begeeft, is geen sprake van gebruikmaking van het recht op vrij verkeer binnen de gemeenschap, zodat daarop het gemeenschapsrecht niet van toepassing is. Hetzelfde geldt voor de binnenkomst in de gemeenschap van buiten de gemeenschap. Dat, zoals eiser heeft betoogd, iemand die de status van gemeenschapsonderdaan heeft verkregen deze niet meer kan verliezen of niet meer kan worden beperkt dan op grond van gevaar voor de openbare orde en dergelijke, is juist, voor zover het het verkeer van personen op het grondgebied van de gemeenschap betreft, maar kan, juist omdat eiser en zijn echtgenote het grondgebied van de gemeenschap hebben verlaten, in dit geval niet van doorslaggevende betekenis zijn.

9. Verweerder heeft eiser, gelet hierop, terecht geen document verschaft, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit diens rechtmatig verblijf blijkt.

10. Voor zover eiser een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank dat een mogelijke schending van artikel 8 van het EVRM niet kan leiden tot afgifte van het gevraagde document. Een geslaagd beroep op artikel 8 van het EVRM kan hooguit leiden tot afgifte van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, indien daartoe een aanvraag is ingediend.

11. Gelet op het voorafgaande is het beroep ongegrond.

12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of voor het geven van een last tot vergoeding van het griffierecht.

13. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M.C. Habraken-Hermans als griffier en in het openbaar uitgesproken op

8 juli 2010.