Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2872

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
AWB 09-20161
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit het bestreden besluit, waarin het voornemen als herhaald en ingelast is beschouwd, volgt dat de door eiser gestelde gebeurtenissen, door verweerder geloofwaardig worden bevonden. Verweerder hecht echter aan de door eiser gestelde vrees geen geloof, omdat de aan de feiten ontleende vermoedens van de vrees voor vervolging positieve overtuigingskracht ontberen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat

a. de dood van eisers zwager geen verband houdt met de persoon van eiser,

b. niet aannemelijk is dat er een verband is tussen de dood van eisers zwager en het bezoek van de nationale garde aan het ouderlijk huis van eiser,

c. er geen reden is om aan te nemen dat de nationale garde nu nog belangstelling zal hebben voor eiser, en

d. niet aannemelijk is dat het zich negatief uitlaten tijdens eisers krijgsgevangenschap in de jaren ’80 in Iran nu nog negatieve gevolgen zal hebben voor eiser.

De rechtbank overweegt dat de vermoedens genoemd onder a en b gebeurtenissen betreffen die eiser zijn overkomen voor zijn komst naar Nederland en deze gebeurtenissen tevens omvatten dat wat eiser vermoedt dat hem is overkomen. Het geheel van die gebeurtenissen en vermoedens wordt aangeduid als het asielrelaas. De beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas is primair aan verweerder. Zoals hiervoor is vermeld, is in dat verband van belang of zich geen van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw opgesomde omstandigheden voordoet. Is dat wel het geval dan dient van het relaas positieve overtuigingskracht uit te gaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een verband bestaat tussen eiser en de dood van zijn zwager en tussen het bezoek van de nationale garde aan zijn ouderlijk huis en de dood van zijn zwager.

De vermoedens genoemd onder c en d zien naar het oordeel van de rechtbank op de toekomst. Deze vermoedens van eiser maken derhalve geen deel uit van de gebeurtenissen die volgens het geloofwaardig bevonden (gedeelte van het) asielrelaas hebben plaatsgevonden, maar zijn vermoedens over wat hem zal overkomen na terugkeer naar zijn land van herkomst. In het licht van voornoemde uitspraak van de Afdeling van 2 april 2010, was verweerder gehouden de plausibiliteit van de vermoedens c en d te beoordelen in het kader van de beantwoording van de vraag of de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden als rechtsgrond voor verlening van voormelde verblijfsvergunning kwalificeren. Het bestreden besluit geeft daar geen blijk van. Hetgeen verweerder hierover in het verweerschrift en ter zitting heeft betoogd, doet hieraan niet af. In het onderhavige geval heeft verweerder ten onrechte getoetst of positieve overtuigingskracht uitgaat van de aan de geloofwaardig bevonden gedeelten van het asielrelaas ontleende verwachtingen omtrent hetgeen eiser zal overkomen na terugkeer naar zijn land van herkomst.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder ten aanzien van de beoordeling van het asielrelaas ten tijde van de vergunningverlening een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, zodat het in strijd met artikel 3:46 van de Awb is genomen. Nu het bestreden besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt, zullen de overige beroepsgronden onbesproken blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09/20161

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 juli 2010

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. A. Spel, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. H. Hanssen-Telman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 27 juni 2007 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft bij besluit van 9 april 2008 aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij besluit van 7 mei 2009 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken. Tegen dit besluit heeft eiser op 3 juni 2009 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft op 12 april 2010 een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 22 april 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien de grond voor verlening is komen te vervallen.

2.3 Bij het besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, wordt voorts beoordeeld of een verblijfsvergunning asiel kan worden verleend op een van de overige gronden van artikel 29, Vw.

2.4 Bij brief van 12 september 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie de Tweede Kamer der Staten-Generaal bericht dat is besloten het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak te beëindigen. Bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2008/28 is met ingang van 22 november 2008 de beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid voor Centraal-Irak van kracht geworden.

2.5 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser heeft van 1982 tot 1990, tijdens de oorlog tussen Irak en Iran, als krijgsgevangene in Iran vastgezeten. Vanwege zijn soennitische religie is hij in de Iraanse gevangenis door Iraakse sji’itische krijgsgevangenen mishandeld. Ook kreeg hij in de gevangenis problemen door zijn negatieve uitlatingen over Iran. Eiser stelt dat meer dan 20.000 Iraakse sji’itische krijgsgevangenen zich na de oorlog tegen Iran hebben aangesloten bij de Badr-groep in Irak, die later de nationale garde in Irak vormde. Vanwege de machtswisseling in Irak verwacht eiser bij terugkeer in Irak problemen te ondervinden. Hij wordt bedreigd als soenniet en als ex-krijgsgevangene. In Jordanië is hij in februari 2005 gebeld door iemand met de mobiele telefoon van eisers zwager. Deze zwager is niet veel later dood gevonden. Voorts heeft zijn moeder enige tijd later gebeld met eiser en hem verteld dat er mensen langs waren geweest en dat zij naar hem gevraagd hadden. Voorts zijn twee neven van eiser vanwege hun soennitische religie door de nationale garde meegenomen. Ook heeft zijn echtgenote in Irak problemen ondervonden. Zij is onder andere mishandeld door Amerikaanse militairen in verband met een bij haar gevonden pasje, waarin staat dat zij tot de vrienden van Saddam Hoessein behoort.

2.6 Verweerder heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, is komen te vervallen. Eiser komt ook niet op een van de overige gronden van artikel 29 Vw voor verlening van een verblijfsvergunning in aanmerking. Eiser heeft ter staving van zijn aanvraag onvoldoende reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden overgelegd en niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. De door eiser genoemde feiten worden door verweerder aannemelijk geacht. De daaraan gekoppelde vrees voor de nationale garde acht verweerder echter niet aannemelijk, nu deze niet nader is geconcretiseerd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het overlijden van zijn zwager verband houdt met de persoon van eiser of het bezoek van de nationale garde aan het ouderlijk huis van eiser. Daarnaast is er geen reden om aan te nemen dat de nationale garde belangstelling zal hebben voor eiser. Eiser verbleef immers al sinds 1996 in Jordanië. Het wordt niet aannemelijk geacht dat eiser twintig jaar na dato te vrezen heeft. Evenmin is aannemelijk dat eiser vanwege zijn soenniet zijn gedood zal worden door de nationale garde. Ook de gestelde problemen van zijn vrouw zijn niet gerelateerd aan de persoon van eiser. Er is geen reden om aan te nemen dat eiser op dit moment wel in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning asiel op één van de gronden van artikel 29 Vw. Niet gebleken is van een zodanige medische situatie van eiser dat hij bij terugkeer een risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Irak sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn).

2.7 Eiser heeft in beroep, waarin de zienswijze als herhaald en ingelast is beschouwd, aangevoerd dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afschaffing van het categoriale beschermingsbeleid ten aanzien van Centraal-Irak, zodat hij (nog immer) in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op de d-grond van artikel 29, eerste lid, Vw. Er zou opnieuw een beleid van categoriale bescherming moeten worden ingesteld omdat de veiligheidssituatie sinds de afschaffing is verslechterd. Daarnaast stelt eiser dat zijn vrees voor vervolging aannemelijk is. Er is wel een verband tussen de dood van eisers zwager, de huiszoeking door de nationale garde en de persoon van eiser. De nationale garde had ten tijde van eisers aanvraag en heeft ook op dit moment nog steeds belangstelling voor eiser. Al Hakim, de leider van de Badr-groep, is op dit moment leider van de grootste coalitie in het Iraakse parlement. De sji’ieten zijn nu aan de macht in Irak en de nationale garde speelt nog steeds een rol bij het oppakken van tegenstanders. Eiser loopt meer gevaar dan andere soennieten omdat hij zich kritisch tegenover sji’ieten heeft opgesteld tijdens zijn krijgsgevangenschap. Daarbij kampt eiser met psychische klachten, waarvoor hij sinds 2008 onder behandeling bij de GGZ is. In Irak is geestelijke zorg niet beschikbaar. Eiser stelt dat in Irak sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Hij dient derhalve zowel ex tunc als ex nunc toetsend in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b of c, Vw. In het aanvullend beroepschrift van 9 april 2010 stelt eiser dat de Definitierichtlijn, gelet op de Preambule onder overwegingen 5, 7 en 9, ook op hem van toepassing is. Eiser stelt voorts dat hij ten tijde van de vergunningverlening in het bezit had moeten worden gesteld van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, nu hem op grond van de indicator a van artikel 3.106 Vb een verblijfsvergunning was verleend, welke omschrijving overeenkomt met artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij zijn stelling, dat het categoriaal beschermingsbeleid ten onrechte is afgeschaft en dit beleid opnieuw zou moeten worden ingesteld, niet langer handhaaft, zodat deze grond geen verdere bespreking behoeft.

2.9 Beoordeeld dient allereerst te worden of op goede gronden aan eiser, ten tijde van de verlening van de aan hem verleende verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, een verblijfsvergunning op een van de andere gronden van artikel 29 Vw is onthouden.

2.10 Op grond van artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.11 Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f van genoemd artikel, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.12 Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) mogen, indien zich één van de gevallen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, Vw voordoet, in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.13 Eiser heeft zijn stelling dat verweerder ten onrechte artikel 31, tweede lid, onder f, Vw heeft tegengeworpen, nu deze bepaling niet mag worden gebruikt bij intrekking maar slechts bij de beoordeling van de eerste aanvraag, ter zitting ingetrokken. Gelet daarop behoeft deze grond geen bespreking.

2.14 Eiser heeft gesteld dat hij zijn identiteit en nationaliteit voldoende met andere documenten dan zijn paspoort heeft aangetoond. Verweerder heeft zich hierover in het bestreden besluit niet uitgelaten. Derhalve is sprake van een motiveringsgebrek. Daarbij heeft eiser bij de zienswijze een kopie van zijn paspoort overgelegd. Ten onrechte wordt bij de intrekking tegengeworpen dat eiser niet heeft aangetoond illegaal in Jordanië te hebben verbleven. Voorts heeft eiser plausibele en verifieerbare verklaringen over zijn reisroute afgelegd.

2.15 De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser slechts een deel van zijn reis met documenten heeft onderbouwd, namelijk zijn reis van Maleisië naar Amsterdam en eiser van zijn reis van Jordanië naar Maleisië geen bewijs heeft overgelegd. Eiser heeft immers verklaard dat hij zijn paspoort in Maleisië heeft afgestaan aan een reisagent.

2.16 In onderdeel C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is als bijzonder aandachtspunt vermeld bij het ontbreken van documenten inzake de reis, dat het in beginsel niet geloofwaardig is dat een asielzoeker geen enkel (indicatief) bewijs van de reis kan overleggen en dat in het geval een asielzoeker geen documenten inzake de reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, hij blijk geeft van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen.

2.17 De Afdeling heeft bij uitspraak van 8 april 2008 (nr. 200708959/1) overwogen dat dit beleid volgens verweerder inhoudt dat met het afleggen van consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis op zich nog niet aannemelijk is gemaakt dat het afgeven van reisdocumenten aan de reisagent de vreemdeling niet kan worden toegerekend; daarvan is pas sprake indien de documenten onder dwang zijn afgegeven. De Afdeling acht deze uitleg, gezien de tekst van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw en onderdeel C4/3.6.3 van de Vc, in onderlinge samenhang bezien, niet onredelijk of anderszins onjuist.

2.18 Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat, nu in geval van eiser niet is gebleken dat hij zijn paspoort onder dwang aan de reisagent in Maleisië heeft afgegeven, verweerder het ontbreken van deze documenten in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen. De stelling van eiser dat hij zijn identiteit en nationaliteit voldoende met andere documenten heeft onderbouwd, doet hieraan niet af. Dat eiser een kopie van het paspoort heeft overgelegd, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu het slechts een kopie betreft waarvan de echtheid niet kan worden vastgesteld.

2.19 De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert.

2.20 Uit het bestreden besluit, waarin het voornemen als herhaald en ingelast is beschouwd, volgt dat de door eiser gestelde gebeurtenissen, door verweerder geloofwaardig worden bevonden. Deze betreffen eisers krijgsgevangenschap in Iran; dat hij in de Iraanse gevangenis door Iraakse sji’itische krijgsgevangenen is mishandeld en problemen heeft gekregen vanwege zijn negatieve uitlatingen over Iran; dat meer dan 20.000 Iraakse sji’itische krijgsgevangenen zich na de oorlog tegen Iran hebben aangesloten bij de Badr-groep in Irak die later de nationale garde in Irak vormde; dat eiser in februari 2005 in Jordanië is gebeld door iemand met de mobiele telefoon van eisers zwager; dat deze zwager niet veel later dood is gevonden; dat zijn moeder niet veel later heeft gebeld met eiser en hem heeft verteld dat er mensen bij haar langs zijn geweest en dat zij naar eiser gevraagd hebben; dat twee neven van eiser door de nationale garde zijn meegenomen; dat zijn echtgenote in Irak problemen heeft ondervonden en onder andere is mishandeld door Amerikaanse militairen in verband met een bij haar gevonden pasje waarin staat dat zij tot de vrienden van Saddam Hoessein behoort.

2.21 Verweerder hecht echter aan de door eiser gestelde vrees geen geloof, omdat de aan de feiten ontleende vermoedens van de vrees voor vervolging positieve overtuigingskracht ontberen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat

a. de dood van eisers zwager geen verband houdt met de persoon van eiser,

b. niet aannemelijk is dat er een verband is tussen de dood van eisers zwager en het bezoek van de nationale garde aan het ouderlijk huis van eiser,

c. er geen reden is om aan te nemen dat de nationale garde nu nog belangstelling zal hebben voor eiser, en

d. niet aannemelijk is dat het zich negatief uitlaten tijdens eisers krijgsgevangenschap in de jaren ’80 in Iran nu nog negatieve gevolgen zal hebben voor eiser.

2.22 De Afdeling heeft ten aanzien van de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas bij uitspraak van 2 april 2010 (nr. 200908557/2/V1) in rechtsoverweging 2.1.2 het volgende overwogen:

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 februari 2010 in zaak nr. 200906650/1/V2, www.raadvanstate.nl) geldt dat, indien en voor zover de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat de door een vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde feiten en omstandigheden met inbegrip van diens eventuele vermoedens die deel uitmaken van gebeurtenissen die volgens het asielrelaas hebben plaatsgevonden geloofwaardig worden geacht, en in zoverre als vaststaande feiten en omstandigheden moeten worden aangenomen, het vervolgens aan hem is om te beoordelen of deze feiten en omstandigheden kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. In het kader van die beoordeling vindt, zoals volgt uit voormelde uitspraak van 21 juli 2009, de beoordeling plaats van de plausibiliteit van de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat. Van die beoordeling maakt voorts deel uit de beantwoording van de vraag of, indien en voor zover de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat plausibel worden geacht, deze voldoende zwaarwegend zijn voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning.

2.23 De rechtbank overweegt dat de vermoedens genoemd in rechtsoverweging 2.21 onder a en b gebeurtenissen betreffen die eiser zijn overkomen voor zijn komst naar Nederland en deze gebeurtenissen tevens omvatten dat wat eiser vermoedt dat hem is overkomen. Het geheel van die gebeurtenissen en vermoedens wordt aangeduid als het asielrelaas. De beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas is primair aan verweerder. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.12 is vermeld, is in dat verband van belang of zich geen van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw opgesomde omstandigheden voordoet. Is dat wel het geval dan dient van het relaas positieve overtuigingskracht uit te gaan.

2.24 De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een verband bestaat tussen eiser en de dood van zijn zwager en tussen het bezoek van de nationale garde aan zijn ouderlijk huis en de dood van zijn zwager. Verweerder heeft in het bestreden besluit op dit onderdeel het volgende overwogen:

“Weliswaar kan betrokkene gebeld zijn in verband met zijn zwager en kan de garde bij zijn ouders zijn geweest, maar dit laat onverlet dat het verband tussen de dood van eisers zwager en het causale verband met de persoon van betrokkene in vluchtelingenrechtelijke zin niet vaststaat. Immers niet duidelijk is waarom de garde naar betrokkene gevraagd zullen hebben. Dit kan om geheel andere redenen geweest zijn dan betrokkene aanneemt. Hierbij is bij voorbeeld in ogenschouw genomen dat zijn neven ook zouden zijn opgepakt door de garde maar weer zijn vrijgelaten. Eveneens is hierbij betrokken dat hij reeds vele jaren in Jordanië vertoefde, waardoor zijn subjectieve vrees dat hij in de negatieve aandacht staat van de nationale garde nog immer niet aannemelijk is gemaakt.”

2.25 De rechtbank kan verweerder in deze motivering niet volgen. Zoals door de Afdeling overwogen in de uitspraak van 11 februari 2005 (200407775/1) dient verweerder het realiteitsgehalte van de door een vreemdeling geuite vermoedens te beoordelen in het licht van hetgeen deze overigens heeft verklaard en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen, naar aanleiding van de gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbare situatie.

De enkele overweging van verweerder dat niet duidelijk is waarom de nationale garde naar eiser gevraagd heeft en dit andere redenen kan hebben dan door eiser aangenomen, geeft er geen blijk van dat verweerder beoordeeld heeft of dit vermoeden van eiser voldoende realiteitsgehalte heeft om het plausibel te achten. Dit volgt ook niet uit de daaropvolgende overweging van verweerder dat de neven van eiser zouden zijn opgepakt en weer zijn vrijgelaten. De omstandigheid dat die neven, de zoons van de gedode zwager, zijn opgepakt, vormt eerder een ondersteuning van eisers vermoeden. Dat die neven vervolgens zijn vrijgelaten is geen relevante omstandigheid bij de beoordeling van het vermoeden, maar is hooguit van belang voor de beoordeling van wat eiser vermoedt dat hem bij terugkeer te wachten staat. Dit geldt evenzeer voor het lange verblijf in Jordanië. Verweerder heeft aldus de door eiser geuite vermoedens, die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens het asielrelaas hebben plaatsgevonden, niet zonder nadere motivering ongeloofwaardig kunnen achten.

2.26 De vermoedens genoemd in rechtsoverweging 2.21 onder c en d zien naar het oordeel van de rechtbank op de toekomst. Deze vermoedens van eiser maken derhalve geen deel uit van de gebeurtenissen die volgens het geloofwaardig bevonden (gedeelte van het) asielrelaas hebben plaatsgevonden, maar zijn vermoedens over wat hem zal overkomen na terugkeer naar zijn land van herkomst. In het licht van voornoemde uitspraak van de Afdeling van 2 april 2010, was verweerder gehouden de plausibiliteit van de vermoedens c en d te beoordelen in het kader van de beantwoording van de vraag of de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden als rechtsgrond voor verlening van voormelde verblijfsvergunning kwalificeren. Het bestreden besluit geeft daar geen blijk van. Hetgeen verweerder hierover in het verweerschrift en ter zitting heeft betoogd, doet hieraan niet af. In het onderhavige geval heeft verweerder ten onrechte getoetst of positieve overtuigingskracht uitgaat van de aan de geloofwaardig bevonden gedeelten van het asielrelaas ontleende verwachtingen omtrent hetgeen eiser zal overkomen na terugkeer naar zijn land van herkomst.

2.27 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder ten aanzien van de beoordeling van het asielrelaas ten tijde van de vergunningverlening een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, zodat het in strijd met artikel 3:46 van de Awb is genomen. Nu het bestreden besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt, zullen de overige beroepsgronden onbesproken blijven.

2.28 De rechtbank zal het beroep gelet op het voorgaande gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Algemene wet bestuursrecht en aan verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.29 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het beroep ad € 644,- en draagt verweerder op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, voorzitter en mrs. H.C. Greeuw en K. van Dijk, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, in tegenwoordigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2010.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.