Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2775

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
314437 - FA RK 08-5118
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke vaststelling vaderschap

Eindbeschikking in een zaak waarin door de Keniaanse moeder, tezamen met de minderjarige wonende te Oeganda, verzocht wordt om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een Nederlandse vader. Partijen zijn gehuwd in de Verenigde Arabische Emiraten, waar de minderjarige ook geboren is. De minderjarige is staatloos en de vrouw verzoekt aanvullend om de Nederlandse nationaliteit bij de minderjarige vast te stellen.

In de tussenbeschikking (LJN: BN2772) is verzocht aan het Internationaal Juridisch Instituut om de bevoegdheid van de rechtbank en de mogelijkheid tot vaststelling van het vaderschap in de andere landen te onderzoeken.

In deze beschikking oordeelt de rechtbank dat zij in beginsel geen rechtsmacht heeft, maar dat er toch voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer bestaat zodat zij over deze zaak kan oordelen. Daarbij neemt zij in overweging dat de minderjarige volgens artikel 7 van het IVRK recht heeft op een nationaliteit. Een besluit tot onbevoegdheid van de rechtbank zal de minderjarige dit recht onthouden. Aan de hand van het recht van de gewone verblijfplaats van de minderjarige (Oegandese recht) wordt het vaderschap vastgesteld, waardoor de minderjarige de Nederlandse nationaliteit verkrijgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: 08-5118

Zaaknummer: 314437

Datum beschikking: 26 juli 2010

Gerechtelijke vaststelling vaderschap

BESCHIKKING op het op 27 juni 2008 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw],

wonende te [plaats A], Oeganda,

advocaat mr. M. Timmer te 's-Gravenhage (mr. W. Frouws te Utrecht).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

1. [de man],

wonende te [plaats B], Nederland,

2. [de minderjarige],

geboren op [geboortedatum] te [plaats C], Verenigde Arabische Emiraten,

wonende te [plaats A], Oeganda,

in rechte vertegenwoordigd door:

mr. A.J. van Steensel, kantoorhoudende te 's-Gravenhage, in de hoedanigheid van bijzonder curator over voornoemde minderjarige,

hierna te noemen: de bijzonder curator.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 9 maart 2009 (LJN: BN2772):

- is het Internationaal Juridisch Instituut verzocht onderzoek te doen naar de vraag of de vrouw, dan wel de minderjarige, dan wel de man, in Kenia of in Oeganda of in de Verenigde Arabische Emiraten de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over de minderjarige kan/kunnen verzoeken en zo ja, welke consequenties dit heeft voor de nationaliteit van de minderjarige;

- zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut;

- is de behandeling van de zaak en iedere verdere beslissing aangehouden tot 1 juni 2009 pro forma.

De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:

- het faxbericht d.d. 15 april 2009 van de zijde van de vrouw;

- de rapportage van het Internationaal Juridisch Instituut d.d. 19 mei 2009, met kenmerk sh-21.574;

- het faxbericht d.d. 8 juni 2009 van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 25 juni 2009 van de zijde van de bijzonder curator;

- het faxbericht d.d. 16 oktober 2009 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 7 april 2010 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 3 mei 2010 van de zijde van de vrouw.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Bij faxbericht d.d. 8 juni 2009 heeft de vrouw aanvullend verzocht vast te stellen dat de minderjarige de Nederlandse nationaliteit bezit.

Het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) heeft partijen in overweging gegeven de huwelijksakte van de man en de vrouw en de geboorteakte van de minderjarige ter inschrijving aan te bieden bij de burgerlijke stand van de woonplaats van de man. Bij weigering van de verzochte inschrijving zou de vrouw volgens het IJI haar verzoek kunnen wijzigen in die zin dat primair een verklaring voor recht wordt verzocht op grond van artikel 1:26 van het Burgerlijk Wetboek en subsidiair de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.

De vrouw heeft de rechtbank bij faxbericht d.d. 16 oktober 2009 bericht dat de man doende is de minderjarige te erkennen.

Bij faxbericht d.d. 3 mei 2010 heeft de vrouw bericht dat zij geen verdere informatie kan verstrekken. Voorts verzoekt zij vast te stellen dat de minderjarige de Nederlandse nationaliteit heeft dan wel te beslissen conform het zelfstandig verzoek van de bijzonder curator, te weten het vaststellen van het vaderschap van de man over de minderjarige.

Gelet op de berichtgeving van de vrouw gaat de rechtbank er van uit dat erkenning van de minderjarige door de man dan wel inschrijving van de huwelijks- en geboorteakte niet mogelijk is gebleken dan wel dat partijen hebben afgezien van deze opties.

Bevoegdheid

Zoals in de voorgaande beschikking reeds is overwogen heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in beginsel geen rechtsmacht.

Met de bijzonder curator - welk standpunt de vrouw ter terechtzitting d.d. 8 december 2008 heeft overgenomen - is de rechtbank echter van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van een uitzonderlijk geval, waardoor zij zich wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. De man heeft immers de Nederlandse nationaliteit, de minderjarige verkrijgt de Nederlandse nationaliteit bij toewijzing van het (zelfstandig) verzoek, de man heeft woonplaats in Nederland en partijen zijn voornemens zich bij toewijzing van het (zelfstandig) verzoek op korte termijn als gezin in Nederland te vestigen. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de vrouw het verzoek bij de Nederlandse rechter heeft ingediend en de man de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet heeft betwist.

De rechtbank neemt daarbij bovendien in aanmerking dat uit voornoemd rapport van het Internationaal Juridisch Instituut blijkt dat geen bevestigend antwoord kan worden gegeven op de vraag of de man, de vrouw dan wel de minderjarige bevoegd zijn ter plaatse in Kenia, Oeganda dan wel de Verenigde Arabische Emiraten een procedure te voeren resulterend in de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over de minderjarige. Als dit al mogelijk zou zijn, staat voorts niet vast of een dergelijke buitenlandse uitspraak voor erkenning in Nederland in aanmerking komt op grond van artikel 9 van de Wet conflictenrecht afstamming. Indien dit niet het geval zou zijn, kan de minderjarige niet de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap verkrijgen, hetgeen partijen (mede) tot doel hebben.

Nu evenmin is gebleken dat de minderjarige aanspraak op een andere nationaliteit kan maken zal een onbevoegdverklaring van de rechtbank er toe leiden dat het recht van de minderjarige op een nationaliteit, welk recht wordt beschermd door artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), de minderjarige wordt onthouden.

Dat juist deze minderjarige, die afstamt van ouders met verschillende nationaliteit, groot belang heeft bij vaststelling van een nationaliteit staat voor de rechtbank voldoende vast.

Artikel 7 IVRK luidt als volgt:

"1) Het kind wordt onmiddellijk na de geboorte ingeschreven en heeft vanaf de geboorte het recht op een naam, het recht een nationaliteit te verwerven en, voor zover mogelijk, het recht zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd.

2) De Staten die partij zijn, waarborgen de verwezenlijking van deze rechten in overeenstemming met hun nationale recht en hun verplichtingen krachtens de desbetreffende internationale akten op dit gebied, in het bijzonder wanneer het kind anders staatloos zou zijn."

De rechtbank vindt steun voor haar opvatting dat het recht op nationaliteit wordt beschermd door artikel 7 IVRK in de uitspraak van het gerechtshof 's-Gravenhage van 15 oktober 2003, LJN AL9057. Dat het in die uitspraak om een geslachtsnaam ging en niet om nationaliteit noopt niet tot een ander oordeel.

Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank zich bevoegd van het (zelfstandig) verzoek kennis te nemen.

Toepasselijk recht

Uit artikel 6, eerste lid, van de Wet conflictenrecht afstamming volgt dat of en onder welke voorwaarden het vaderschap van een man gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de moeder, of indien dit ontbreekt, door het recht van de staat van hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat voor de toepassing van het eerste lid bepalend is het tijdstip van de indiening van het verzoek.

Vast staat dat de man en de vrouw geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben, noch een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats. Derhalve is het recht van toepassing van de gewone verblijfplaats van het kind, te weten het recht van Oeganda.

Inhoudelijke beoordeling

Uit de rapportage van het Internationaal Juridisch Instituut blijkt dat de rechter op grond van de Oegandese Children's Act kan vaststellen dat de man de vader is van het kind, waardoor familierechtelijke banden tussen de man en het kind zullen ontstaan.

De rechtbank verwijst daarbij naar de volgende bepalingen.

Sectie 71 Children's Act

Daarin is bepaald dat men ervan kan uitgaan dat de afstamming van de moeder tot stand komt door de geboorte.

Tevens is de naam van de persoon die in het geboorteregister wordt genoemd, het bewijs dat de betreffende persoon de moeder van het kind is.

De naam van de persoon die in het geboorteregister wordt genoemd, is het bewijs dat de betreffende persoon de vader is van het kind.

Secties 67 tot en met 72

Aldaar is onder meer bepaald dat het ouderschap (vader- of moederschap van een persoon ongeacht of deze persoon zich in of buiten Oeganda bevindt) door de rechtbank kan worden vastgesteld op het verzoek van:

- de moeder van het kind;

- de vader van het kind;

- de voogd van het kind;

- het kind zelf of een naaste vriend.

Een dergelijk verzoek kan worden gedaan:

- tijdens de zwangerschap;

- voor het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt;

- binnen drie jaar na het overlijden van de vader of de moeder.

Naar Oegandees recht staat vast dat de vrouw en de man de ouders van de minderjarige zijn, nu zij beiden staan vermeld op de geboorteakte van de minderjarige.

Als moeder van de minderjarige is de vrouw naar Oegandees recht bevoegd een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in te dienen voordat de minderjarige de leeftijd van 18 jaar bereikt. De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar verzoek.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap - waarmee de man zowel schriftelijk als mondeling ter terechtzitting van 8 december 2008 heeft ingestemd - als niet weersproken en op de Oegandese wet gegrond kan worden toegewezen. De man staat immers vermeld op de geboorteakte van de minderjarige waarmee naar Oegandees recht het bewijs is geleverd dat hij de vader van de minderjarige is.

Nu het verzoek van de vrouw tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt toegewezen, behoeft het zelfstandig verzoek van de bijzonder curator geen beoordeling en beslissing meer.

Het aanvullend verzoek van de vrouw vast te stellen dat de minderjarige de Nederlandse nationaliteit heeft, wordt bij gebrek aan belang afgewezen nu de minderjarige door de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap op grond van artikel 4, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap reeds de Nederlandse nationaliteit verkrijgt.

Beslissing:

De rechtbank:

stelt vast het vaderschap van:

[de man], geboren op [geboortedatum] te [plaats D], Somalia,

over:

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats C], Verenigde Arabische Emiraten,

uit:

[de vrouw], geboren op [geboortedatum] te Kenia;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.D. Veenendaal, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M. Huisman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juli 2010.