Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2569

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
AWB 10-24966
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Asiel / AC / gewijzigde artikel 83 Vw 2000 / aanvankelijk achtergehouden informatie / toewijzing vovo

In de bodemprocedure dient de rechtbank ook de aanvankelijk achtergehouden informatie mee te wegen.

Verzoeker heeft in de gronden van beroep aangevoerd dat hij homoseksueel is. Hij vreest vervolging en zal bij terugkeer een risico lopen als bedoeld in artikel 3 EVRM. Verzoeker beroept zich in dit verband op artikel 83 Vw.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker zijn nieuwe relaas eerder in de bestuurlijke fase naar voren had kunnen en moeten brengen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de situatie zoals beschreven op de pagina’s 15 en 16 van de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wet van 20 mei 2010 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure waarbij onder meer artikel 83 Vw is gewijzigd (Kamerstuk 2008-2009, 31994, nr. 3, Tweede Kamer), zich thans voordoet. Het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt wordt in het licht van de hiervoor weergegeven passages uit de MvT niet gevolgd. Uit deze passages volgt dat de rechtbank in de bodemprocedure ook de aanvankelijk achtergehouden informatie dient mee te wegen. Overeenkomstig het vijfde lid van artikel 83 Vw dient de Minister zich over deze informatie uit te laten. Een en ander laat zich niet in het kader van de procedure van de voorlopige voorziening afwikkelen. Het voorgaande maakt dat de voorzieningenrechter aan verzoekers belang thans doorslaggevende betekenis toekent en de voorlopige voorziening zal toewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 24966 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juli 2010

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Kameroense nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: mr. J. van Veelen – de Hoop, advocaat te Rotterdam,

tegen:

de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: drs. F. Gieskes, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 6 juli 2010 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 13 juli 2010 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 13 juli 2010 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 20 juli 2010. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker, samengevat, afgewezen op de volgende gronden. Verzoeker is verwijtbaar ongedocumenteerd nu hij geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag en niet aannemelijk is dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen. De verklaringen van verzoeker zijn onvoldoende zwaarwegend om tot vluchtelingschap te concluderen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van persoonlijke feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot vluchtelingschap. Verzoeker komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, c, d, e of f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ten slotte komt verzoeker niet in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning ex artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw nu in het land van herkomst adequate opvang aanwezig is.

2.3 Verzoeker heeft hiertegen, samengevat, aangevoerd dat hem als evident minderjarige ten onrechte geen rust- en voorbereidingstermijn van drie weken is gegund. Dit getuigt van onzorgvuldig handelen door verweerder. Verzoeker verwijst ter onderbouwing van deze grond naar de brief van de minister van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal van 18 juni 2010 (vergaderjaar 2009-2010, 27062, nr. 65). Verzoeker acht hierbij met name van belang dat hij tijdens de gehoren niet de gehele waarheid heeft durven spreken. Zo heeft verzoeker niet gesproken over zijn homoseksualiteit, wat de reden vormde voor zijn vlucht. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder ten onrechte onderscheid maakt tussen lucht- en land-amv-ers nu het grensbewakingsbelang geen rol kan spelen. Immers, de artikel 6 Vw-maatregel wordt bij het uitreiken van het afwijzende besluit op het aanmeldcentrum, indien het een minderjarige betreft, direct opgeheven.

2.4 Verzoeker heeft in de gronden van beroep aangevoerd dat hij homoseksueel is. Hij vreest dientengevolge vervolging en zal vanwege zijn geaardheid bij terugkeer een risico lopen als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker beroept zich in dit verband op artikel 83 Vw en verwijst ter onderbouwing voorts naar C2/2.10.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en de UNHCR Guidance Note van 21 november 2008 alsmede een stuk van het Refugee Documentation Centre of Ireland van 23 april 2010. Tevens komt verzoeker in aanmerking voor een amv-vergunning. Verzoeker zal vanwege zijn geaardheid niet naar zijn moeder kunnen terugkeren, nu zij hem deswege heeft verstoten. Er is aldus geen adequate opvang.

2.5 Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verzoeker zijn nieuwe relaas eerder in de bestuurlijke fase naar voren had kunnen en moeten brengen. Verzoeker heeft daartoe de mogelijkheid gehad nu hij in alle vrijheid en in een vertrouwelijke omgeving tijdens de gehoren heeft kunnen verklaren. De thans aangevoerde motieven hebben geen verband met het eerdere relaas en vallen derhalve, gelet op bestendige jurisprudentie, buiten onderhavige beoordeling.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.6 Bij Wet van 20 mei 2010 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure is onder meer artikel 83 Vw gewijzigd. In de Memorie van Toelichting (Kamerstuk 2008-2009, 31994, nr. 3, Tweede Kamer) is onder meer het volgende neergelegd (pag. 15):

De wijziging van artikel 83 strekt ertoe om de toepassing van deze bepaling te verruimen in het belang van een zorgvuldige besluitvorming en ter bevordering van een effectieve geschillenbeslechting en aldus de redenen voor het indienen van tweede of volgende aanvragen te verkleinen. Daartoe wordt de rechtbank opgedragen meer dan thans het geval is nieuwe gegevens bij de beoordeling te betrekken.

De rechter dient acht te slaan op feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd (onderdeel a). Het betreft niet alleen feiten en omstandigheden die zich pas na het bestreden besluit hebben voorgedaan en in beroep worden aangevoerd maar ook feiten en omstandigheden die zich voor het bestreden besluit hebben voorgedaan, maar eerst in beroep worden aangevoerd.(…)

Onder het thans bestaande artikel 83 geldt, aldus de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de vreemdeling het alsnog aangevoerde niet eerder had kunnen en derhalve had behoren aan te voeren. Dit is niet langer van doorslaggevend belang. De rechtbank dient dus ook rekening te houden met feiten en omstandigheden die de vreemdeling wellicht eerder had kunnen aanvoeren.(…)

Aldus wordt tegemoet gekomen aan bijvoorbeeld vreemdelingen die tijdens de bestuurlijke fase nog niet in staat waren om gewag te maken van traumatiserende gebeurtenissen dan wel er nog niet in geslaagd waren om stukken ter onderbouwing van hun asielrelaas uit het land van herkomst te laten overkomen. (…)

en op pag. 16:

Als de desbetreffende, aanvankelijk achtergehouden informatie tot de conclusie leidt dat de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling of bestraffing loopt, zal die informatie toch meegewogen moeten worden. In dat geval is het vanuit pragmatisch oogpunt wenselijker dat dit in de eerste, lopende procedure wordt gedaan dan in het kader van een tweede of volgende aanvraag.(…)

2.7 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de situatie zoals hierboven beschreven zich thans voordoet. Het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt wordt in het licht van de hiervoor weergegeven passages uit de Memorie van Toelichting niet gevolgd. Uit deze passages volgt dat de rechtbank in de bodemprocedure ook de aanvankelijk achtergehouden informatie dient mee te wegen. Overeenkomstig het vijfde lid van artikel 83 Vw dient de Minister zich over deze informatie uit te laten. Een en ander laat zich niet in het kader van de procedure van de voorlopige voorziening afwikkelen. Het voorgaande maakt dat de voorzieningenrechter aan verzoekers belang thans doorslaggevende betekenis toekent en de voorlopige voorziening zal toewijzen als hierna bepaald.

2.8 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en verbiedt verweerder verzoeker uit te zetten voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan verzoeker;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, en op 27 juli 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Van deze uitspraak staat geen hoger beroep open.