Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2505

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
AWB 10/13425
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn / omvang te beoordelen gebied / situatie in Zuid- en Centraal-Somalie

De rechtbank is van oordeel, mede gelet op de bestaande jurisprudentie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, dat de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie in beginsel plaatsvindt tegen de achtergrond van een land of een deel daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel niet uitgesloten dat die beoordeling plaatsvindt tegen de achtergrond van een klein(er) deel van een land, een provincie of een stad. Verweerder heeft weliswaar gemotiveerd waarom de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn in algemene zin niet moet plaatsvinden tegen de achtergrond van een stad of een gebied van beperkte omvang, maar heeft nagelaten te motiveren waarom de beoordeling van voornoemd artikel niet zou kunnen plaatsvinden tegen de achtergrond van Mogadishu in het bijzonder. In zoverre schiet de motivering van verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook tekort.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het standpunt van verweerder dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in Zuid- en Centraal-Somalië, het gebied waaruit zij afkomstig is, sprake is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, zowel ten aanzien van de afzonderlijke aspecten die daarbij een rol spelen (zoals de aard en intensiteit van het geweld, de vluchtelingenstromen en de gevolgen voor de burgerbevolking) als ten aanzien van die aspecten beschouwd in onderling verband en samenhang, een draagkrachtige motivering mist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Meervoudige Kamer

Zaaksnummer: AWB 10/13425 BEPTDN S7

Uitspraak van de rechtbank van 27 juli 2010

inzake:

[...],

geboren 1983,

van Somalische nationaliteit,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

eiseres,

gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo,

tegen:

de minister van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. F.W.A. Croonen, ambtenaar bij de IND.

Procesverloop

Op 1 april 2010 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Bij besluit van 9 april 2010 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij beroepschrift van 9 april 2010 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen dit besluit. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres gezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. De gronden van het beroep zijn op 20 april 2010 ingediend.

Bij mondelinge uitspraak van 23 april 2010 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en de behandeling van het beroep verwezen naar de meervoudige kamer.

Op 21 mei 2010 heeft eiseres aanvullende stukken aan de rechtbank en verweerder doen toekomen.

Verweerder heeft op 21 mei 2010 een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van de meervoudige kamer van 1 juni 2010. Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep bekend onder Awb 10/13429.

Motivering

In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is onder meer van belang of verweerder de aanvraag zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen.

Verweerder heeft de aanvraag mede op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 afgewezen, omdat eiseres ter staving van haar aanvraag toerekenbaar geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar aanvraag. Verweerder meent voorts dat eiseres ongeloofwaardige, tegenstrijdige en vage verklaringen heeft afgelegd en dat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Samengevat heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat verweerder geen geloof hecht aan de verklaringen van eiseres.

Volgens vaste jurisprudentie behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de minister en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst.

De minister pleegt het relaas van de asielzoeker en de daarin gestelde feiten voor waar aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien geldt daarvoor als vereiste dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw 2000 opgesomde omstandigheden voordoen die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker. Wordt aan dat laatste vereiste niet voldaan, dan mogen ingevolge artikel 31 Vw 2000 in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen dat zij toerekenbaar geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Volgens paragraaf C4/3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag van belang de identiteit van de asielzoeker, de nationaliteit van de asielzoeker, de reisroute van de asielzoeker en het asielrelaas van de asielzoeker. In de Vc 2000 is voorts vermeld dat, indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van deze elementen documenten ontbreken en indien dit is toe te rekenen aan de

asielzoeker, dit reeds voldoende is voor de conclusie dat sprake is van toerekenbaar ontbreken van documenten.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen documenten heeft ingebracht ten aanzien van haar reisroute. Tussen partijen is in geschil of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ontbreken van reisbescheiden eiseres kan worden toegerekend.

Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat haar het ontbreken van reisdocumenten niet kan worden tegengeworpen, omdat zij met de reisagent had afgesproken die documenten weer af te geven, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit voornoemd beleid volgt dat wanneer de asielzoeker aannemelijk maakt dat de documenten onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen. Dat in het geval van eiseres sprake is geweest van dwang is niet gesteld of gebleken. Het standpunt van eiseres treft derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen doel.

Voor zover eiseres meent dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij geen informatie over de reis heeft kunnen verschaffen, omdat zij een ongeschoolde vrouw zonder ervaring is en, ten aanzien van de tegenstrijdige verklaringen omtrent haar reis, dat haar dat niet kan worden tegengeworpen, omdat zij niet goed heeft begrepen wat er is gebeurd en zij is bijgestaan door een medepassagier, is de rechtbank van oordeel dat ook deze stellingen geen doel treffen. In dit verband wijst de rechtbank opnieuw naar voornoemd beleid waaruit volgt dat verklaringen die inhouden dat een asielzoeker geen documenten heeft én niets meer weet van de reis niet geloofwaardig zijn. Het is aan de asielzoeker om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op een dergelijke wijze heeft gereisd. Dit bewijs kan alsnog worden geleverd door consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reis af te leggen. De door eiseres gestelde omstandigheden maken niet dat dat van haar niet gevergd kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet door consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen, haar reis aannemelijk heeft gemaakt.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het ontbreken van reisbescheiden aan eiseres kan worden toegerekend.

Voorts is de rechtbank evenmin gebleken van documenten waarmee eiseres haar asielrelaas kan staven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen.

Positieve overtuigingskracht asielrelaas

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

Verweerder stelt zich in dit verband op het standpunt dat eiseres ongeloofwaardige, tegenstrijdige en vage verklaringen heeft afgelegd.

Eiseres heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. Zij meent dat verweerder haar ten onrechte tegenwerpt dat zij ongeloofwaardige, tegenstrijdige en vage verklaringen heeft afgelegd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die beoordeling slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op de motivering neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

In dit verband stelt de rechtbank eerst vast dat verweerder bij schrijven van 4 mei 2010 een door eiseres op 9 april 2010 ingediende klacht gegrond heeft verklaard. Hieruit volgt dat de passage in het eerste gehoor die inhoudt dat eiseres op het door haar opgegeven adres daadwerkelijk heeft geleefd, gewoond en geslapen gedurende de door haar opgegeven periode, niet letterlijk dient te worden opgevat. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder zich tijdens de zitting desgevraagd op het standpunt gesteld dat aan eiseres niet meer wordt tegengeworpen dat zij ten aanzien van haar verklaringen omtrent de verblijfplaatsen geen eenduidige verklaringen heeft afgelegd. Dit betekent dat de rechtbank voor de vraag staat of verweerder zich, op grond van de andere door verweerder genoemde ongeloofwaardige, tegenstrijdige en vage verklaringen, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het relaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag bevestigend beoordeeld te worden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent haar werkzaamheden als theeverkoopster. Zo heeft zij in het eerste gehoor verklaard dat zij tot februari 2010 werkzaam is geweest als theeverkoopster toen Al Shabaab haar heeft gezegd te stoppen, terwijl zij bij het nader gehoor heeft verklaard dat zij tijdens de aanval op 8 maart 2010 werkzaam was als theeverkoopster. Het standpunt van eiseres dat sprake is geweest van miscommunicatie op dit punt en dat zij tijdens het eerste gehoor heeft bedoeld te zeggen dat zij tot en met februari 2010 als theeverkoopster werkzaam is geweest, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. In dit verband acht de rechtbank van belang dat eiseres op dit punt geen correcties en aanvullingen heeft ingediend en dit wel de kern van haar relaas betreft.

In het verlengde van het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank eveneens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verklaring van eiseres dat zij in februari 2010 van Al Shabaab de opdracht heeft gehad te stoppen met haar werkzaamheden niet te rijmen valt met de verklaringen dat eiseres vóór 8 maart 2010 geen problemen heeft ondervonden.

Reeds op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het relaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Aan een bespreking van de door verweerder als vaag bevonden verklaringen, en het standpunt van eiseres in dit verband, komt de rechtbank niet toe.

Het standpunt van eiseres dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door eiseres ingediende zienswijze en correcties en aanvullingen, maakt voornoemd oordeel niet anders. In dit verband acht de rechtbank van belang dat niet concreet is aangegeven op welke punten verweerder niet zou zijn ingegaan.

Het standpunt van eiseres dat geen rekening is gehouden met haar achtergrond en ontwikkeling, biedt naar het oordeel van de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op voornoemd standpunt heeft kunnen stellen. Niet valt in te zien waarom eiseres de haar gestelde vragen, gelet op haar achtergrond en ontwikkeling, niet heeft kunnen beantwoorden. Het rapport van gehoor biedt naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat eiseres onvoldoende in staat is geweest de vragen te beantwoorden.

Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op juiste gronden op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.

Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

In dit verband heeft verweerder zich met betrekking tot artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij het risico loopt op folteringen of op onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Verweerder wijst in dit verband op hetgeen inzake de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres is overwogen.

De rechtbank is van oordeel, gelet op het voorgaande, dat verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres, op grond van individuele omstandigheden, een reëel risico loopt op folteringen of op onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

In het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 ziet de rechtbank zich ook gesteld voor de vraag of eiseres recht heeft op bescherming op grond van de omstandigheid dat zij een alleenstaande vrouw is.

In het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2009/16 van 2 juli 2009 worden vrouwen, noch alleenstaande vrouwen genoemd als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. Eiseres komt niet op grond van voornoemd beleid voor vergunningverlening in aanmerking. Bovendien volgt uit het voorgaande dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas positieve overtuigingskracht mist en dat daarom niet geloofwaardig is dat eiseres een alleenstaande vrouw is.

Ten overvloede wijst de rechtbank in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2010 (LJN: BM1474) waar het volgende wordt overwogen. “Hoewel in het ambtsbericht tevens wordt vermeld dat de mogelijkheid tot clanbescherming in de verslagperiode is afgenomen of zelfs verdwenen, volgt daaruit niet dat alleenstaande vrouwen in Somalië systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen en de vreemdeling reeds vanwege het behoren tot deze groep aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.”

Het beroep van eiseres op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, gebaseerd op de omstandigheid dat zij een alleenstaande vrouw is, treft, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank geen doel.

In het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 ziet de rechtbank zich vervolgens gesteld voor de vraag of eiseres recht heeft op bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004, inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft van de Raad van de Europese Unie (hierna: de richtlijn).

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 25 mei 2009, LJN: BI4791) kan uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 in zaak C-465/07, JV 2009/111, gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land, of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade. Hieruit volgt dat de desbetreffende vreemdeling aan artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn aanspraak op bescherming kan ontlenen, indien hij erin slaagt aannemelijk te maken dat er sprake is van de uitzonderlijke situatie, als vorenbedoeld.

Niet is in geschil dat eiseres afkomstig is uit Mogadishu, dat is gelegen in Zuid- en Centraal-Somalië. Evenmin is in geschil dat in Zuid- en Centraal-Somalië sprake is van een gewapend conflict, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Zuid- en Centraal-Somalië sprake is van de uitzonderlijke situatie, als vorenbedoeld.

Verweerder wijst in dit verband op zijn brief van 29 maart 2010 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. In die brief staat onder meer, samengevat, dat de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in algemene zin niet moet plaatsvinden tegen de achtergrond van een stad of een gebied van beperkte omvang. Een zo beperkte toetsing aan dit artikel is naar het oordeel van verweerder in redelijkheid ook niet uitvoerbaar. Dit zou immers betekenen dat een aparte en actuele beoordeling nodig is van elke stad in een land van herkomst waar een asielzoeker uit afkomstig is. Artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn spreekt van ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Bij de beoordeling moet dan ook in beginsel worden gekeken naar de situatie in het hele gebied waarin het betreffende gewapend conflict plaats heeft, voor zover zich dat binnen het grondgebied van het betreffende land van herkomst afspeelt. In de context van Somalië betreft dit Zuid- en Centraal-Somalië. Met Zuid- en Centraal-Somalië worden die delen van Somalië bedoeld die niet behoren tot de noordelijke (autonome) gebieden Puntland en Somaliland. Deze gebiedsafbakening sluit ook aan bij de eerdere gebiedsafbakening binnen Somalië, zoals deze gold tijdens het in het verleden gevoerde categoriaal beschermingsbeleid. De gewelds- en mensenrechtensituatie in met name Zuid- en Centraal-Somalië is al vele jaren zorgwekkend. Dit is binnen het bestaande landengebonden asielbeleid voor Somalië ook al lange tijd aanleiding om met bijzondere zorg te beslissen op individuele asielverzoeken waarbij de algehele situatie een rol speelt in de individuele beoordeling. De aard en intensiteit van het geweld in heel Zuid- en Centraal-Somalië, zoals onder andere blijkt uit het meest recente algemeen ambtsbericht inzake Somalië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (d.d. 26 maart 2010), zijn echter niet dusdanig dat moet worden geconcludeerd dat iedere burger aldaar een reëel risico op ernstige schade loopt.

Gelet op voornoemde brief heeft verweerder zich in het bestreden besluit – waarvan het voornemen deel uitmaakt – op het standpunt gesteld dat ten behoeve van de beoordeling van de veiligheidssituatie onder meer wordt gekeken naar de aard en intensiteit van het geweld, de vluchtelingenstromen binnen en vanuit Zuid- en Centraal-Somalië en de gevolgen voor de burgerbevolking. Hoewel de aard en intensiteit van het geweld aanleiding is voor voortdurende en bijzondere zorg, heeft het geweld volgens verweerder niet dusdanige vormen aangenomen dat iedere burger een reëel risico loopt op ernstige schade. Voor wat betreft het aantal slachtoffers stelt verweerder dat dit aantal niet op zichzelf kan worden beoordeeld, maar in relatie moet worden gezien tot het totaal aantal inwoners. Vanwege de grote en sterk wisselende migratiestromen is het moeilijk een inschatting te maken van het aantal inwoners. Verweerder schat het aantal inwoners in heel Somalië op 8,8 miljoen. Ten aanzien van de grote vluchtelingenstromen en het grote aantal ontheemden meent verweerder dat deze enerzijds gezien kunnen worden als een bevestiging van de slechte situatie in Zuid- en Centraal-Somalië. Anderzijds duidt dit erop dat op het moment dat sprake is van gewelddadigheden grote aantallen personen in staat zijn zich binnen Somalië te bewegen naar gebieden die rustiger zijn. Voorts stelt verweerder zich in dit verband op het standpunt dat de humanitaire omstandigheden in geheel Somalië slecht zijn en dat dit mede wordt veroorzaakt door de slechte voedselsituatie. De voedselsituatie, die voor ontheemden in het bijzonder zeer ernstig is, is evenwel niet zodanig dat reeds op die grond iedere burger een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij is tevens van belang dat in Somalië internationale hulporganisaties actief en vertegenwoordigd zijn, aldus verweerder.

Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt aldus samengevat dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie omdat de gevechten niet voortdurend zijn en er ook niet voortdurend met zeer zware wapens wordt gevochten waarbij voortdurend veel slachtoffers vallen.

Ten aanzien van de door eiseres op 21 mei 2010 overgelegde stukken heeft verweerder zich, gelet op artikel 83, derde lid, van de Vw 2000, op het standpunt gesteld dat deze geen aanleiding zijn voor wijziging of intrekking van het bestreden besluit. Met toepassing van het eerste lid van voornoemd artikel houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met deze stukken.

Eiseres stelt primair dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat geen sprake is van de uitzonderlijke situatie als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de hiervoor reeds vermelde uitspraak van 25 mei 2009 en voorts de uitspraak van 15 januari 2010, met zaaknummer 200908528/1/V2 (www.raadvanstate.nl)) aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat er sprake is van de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. De stelling van eiseres, dat het op de weg van verweerder ligt om het tegendeel aannemelijk te maken, gaat dan ook niet op.

Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder gehouden was te beoordelen of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat er in Mogadishu sprake is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Zo de aanvraag van eiseres beoordeeld zou moeten worden in het licht van de veiligheidssituatie in geheel Zuid- en Centraal-Somalië stelt eiseres dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in dat gebied sprake is van een situatie als hiervoor bedoeld. Zij verwijst in dit verband naar de informatie zoals die is meegewogen in de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2010 (LJN: BL1483, JV 2010/78). Verder wijst zij op andere berichten zoals het ambtsbericht inzake Somalië van maart 2010, het rapport van 10 december 2009 van het Internal Displacement Monitoring Centre, het rapport van 31 december 2009 van de secretaris-generaal (de rechtbank begrijpt: van de Verenigde Naties) en een rapport van Human Rights Watch van 13 april 2004 (de rechtbank leest: 2010). Bij aanvullend schrijven van 21 mei 2010 heeft eiseres nog meer rapporten en berichten overgelegd (ruim dertig in aantal) waaronder het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) “UNHCR eligibility guidelines for assessing the international protection needs of asylum-seekers from Somalia” van 5 mei 2010 en het “Country Report on Human Rights Practices 2009” van US Department of State.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het thans aan de orde zijnde besluit ten aanzien van de vraag of in Mogadishu sprake is van de uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, geen standpunt heeft ingenomen, ondanks dat de Afdeling (in haar hiervoor reeds vermelde uitspraak van 26 januari 2010) heeft geoordeeld dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met de enkele stelling dat in het aantal burgerslachtoffers geen aanleiding wordt gevonden voor het aannemen van een uitzonderlijke situatie in Mogadishu. Verweerder meent echter dat de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in algemene zin niet moet plaatsvinden tegen de achtergrond van een stad of een gebied van beperkte omvang (zoals Mogadishu), maar tegen de achtergrond van heel Zuid- en Centraal-Somalië.

De rechtbank is van oordeel, mede gelet op de bestaande jurisprudentie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, dat de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie in beginsel plaatsvindt tegen de achtergrond van een land of een deel daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel niet uitgesloten dat die beoordeling plaatsvindt tegen de achtergrond van een klein(er) deel van een land, een provincie of een stad.

Verweerder heeft weliswaar gemotiveerd waarom de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in algemene zin niet moet plaatsvinden tegen de achtergrond van een stad of een gebied van beperkte omvang, maar heeft nagelaten te motiveren waarom de beoordeling van voornoemd artikel niet zou kunnen plaatsvinden tegen de achtergrond van Mogadishu in het bijzonder. In zoverre schiet de motivering van verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook tekort.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in Zuid- en Centraal-Somalië kan worden omschreven als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

Uit het bestreden besluit kan worden opgemaakt dat verweerder voor de beoordeling van de veiligheidssituatie heeft gekeken naar de aard en intensiteit van het geweld, de vluchtelingenstromen binnen en vanuit Zuid- en Centraal-Somalië en de gevolgen voor de burgerbevolking.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit het algemeen ambtsbericht Somalië van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2010, maar ook uit de andere door partijen genoemde en overgelegde rapporten over de situatie in Zuid- en Centraal-Somalië, volgt dat de algehele situatie en, in het bijzonder, de veiligheidssituatie in Zuid- en Centraal-Somalië zeer slecht is. Ten aanzien van de door verweerder onderscheiden aspecten blijkt daaruit onder meer het navolgende.

Aard en intensiteit van het geweld

Het door eiseres ingebrachte document van het UN Office of the High Commissioner for Human Rights, getiteld “Extremely Serious” - Strong Warning On Security, Human Rights And Humanitarian Situation In Somalia, 28 January 2010 (bijlage 22 bij de door de gemachtigde van eiseres overgelegde brief van 11 mei 2010 van VluchtelingenWerk Nederland), houdt onder meer het volgende in:

“The United Nations Independent Expert on the situation of human rights in Somalia, Shamsul Bari, issued a strong warning on the security, human rights and humanitarian situation in the country, including Somaliland and Puntland. Dr. Bari described as “extremely serious” the situation in South and Central Somalia, where civilians continue to bear the brunt of the fighting between forces of the Transitional Federal Government forces and Islamist armed groups. (…) “The Islamist Forces fighting to topple the Transitional Federal Government are reported to have carried out extrajudicial executions, planted mines, bombs and other explosive devices in civilian areas, and used civilians as human shields”, said Dr. Bari, adding that “fighters from both sides are reported to have fired mortars indiscriminately into areas populated or frequented by civilians.”

Een bericht van Amnesty International van 25 maart 2010 (bijlage 12 bij voormelde brief), houdt – voor zover hier van belang – in:

“Civilians are often caught up in shelling and cross-fire by all parties to the conflict, resulting in death and injury to thousands. The fighting has provoked massive displacement within and outside cities in south and central Somalia and disruption of access to humanitarian aid, which are already curtailed by insecurity and the targeting of aid workers. Civilians living in areas controlled by armed opposition groups are also increasingly subject to abduction, torture and unlawful killings. (…) There are near weekly incidents of fighting and shelling between armed opposition groups on one side and TFG forces and AMISOM troops on the other side, and near weekly reports of civilian deaths and injuries as a result. Armed opposition groups continue to launch attacks from areas inhabited or frequented by civilians in Mogadishu, endangering the lives of civilians. They fire mortars and heavy artillery in the direction of TFG and AMISOM bases, near which civilians live.”

Naar het oordeel van de rechtbank wordt door verweerder ten onrechte geen, althans geen kenbaar, onderscheid gemaakt tussen de slachtoffers van de verschillende soorten mensenrechtenschendingen die in Zuid- en Centraal-Somalië plaatsvinden. Zo is onduidelijk of verweerder enkel dodelijke slachtoffers van geweld bij zijn beoordeling heeft betrokken of dat verweerder ook niet dodelijke slachtoffers van geweld daarbij heeft betrokken. In dit verband wijst de rechtbank op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn waar wordt gesproken over ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon (cursivering van de rechtbank) van een burger als gevolg van willekeurig geweld. Verder acht de rechtbank in dit verband van belang dat verweerder, hoewel verweerder stelt dat het aantal slachtoffers in relatie moet worden gezien tot het totaal aantal inwoners, geen aantallen slachtoffers noemt, ook niet bij benadering, en dat verweerder hierbij het aantal inwoners van heel Somalië betrekt, in plaats van het inwonertal van (alleen) Zuid- en Centraal-Somalië.

Vluchtelingenstromen

Verweerder heeft ter motivering van zijn standpunt voorts aangevoerd dat, enerzijds, de veiligheidssituatie in Zuid- en Centraal-Somalië zó slecht is dat grote en sterk wisselende migratiestromen op gang komen, maar dat, anderzijds, de veiligheidssituatie niet zó slecht is dat die migratiestromen niet mogelijk zijn. De rechtbank acht deze motivering ontoereikend, en wel op grond van de volgende overwegingen.

In Zuid- en Centraal-Somalië is sprake van grote vluchtelingenstromen vanwege de slechte veiligheidssituatie, zoals onder meer blijkt uit een bericht van de UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs van maart 2010 (bijlage 27 bij voormelde brief). Dat bericht houdt onder meer in:

“The security in Mogadishu continued to deteriorate with grave humanitarian consequences for the civilian population. There were more than 900 conflict-related injures in March. Nearly 60,000 people fled the city - more than double the number of people displaced in February - bringing the total displacement from Mogadishu since the beginning of the year to more than 100,000 people. (…) The displacements from Mogadishu have more than doubled from an estimated 24,000 people in February 2010 to 58,200 in March. UNHCR estimates that a total of 82,200 people have been displaced from the city between 1 February to early April.”

In het geval in een land sprake is van grote vluchtelingenstromen vanwege de slechte veiligheidssituatie, kan het niet zo zijn dat die grote vluchtelingenstromen er tegelijkertijd zonder meer op duiden dat de situatie niet zodanig onveilig is dat deze op zichzelf dan wel in samenhang met andere aspecten de uitzonderlijke situatie oplevert als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Bovendien is de rechtbank niet gebleken dat verweerder in dit verband de bescherming van clanstructuren, en bij ontheemden het ontbreken daarvan, bij zijn beoordeling heeft betrokken.

Voorts neemt de rechtbank daarbij in overweging dat uit noot 549 op pagina 67 van het ambtsbericht van maart 2010 blijkt dat gezien de slechte veiligheidssituatie in Somalië, de gegevens in het ambtsbericht omtrent de migratiestromen niet in dezelfde mate van detail geactualiseerd zijn als in de ambtsberichten die daarvóór (tot augustus 2008) zijn verschenen en dat op pagina 48 van dat ambtsbericht is vermeld dat reizen door Zuid- en Centraal-Somalië risicovol is. Ten slotte neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat volgens UNHCR (Eligibility Guidelines van 5 mei 2010) Zuid- en Centraal-Somalië niet zijn aan te merken als binnenlands vestigings- of vluchtalternatief. Hiertoe zij verwezen naar hetgeen UNHCR schrijft op pagina 34, onder 2., van sectie E “Internal Flight or Relocation Alternative (IFA/IRA)” van voornoemde Eligibility Guidelines:

“In light of the risks to safety and security, ongoing armed conflict and the shifting armed fronts and ongoing widespread human rights violations, it cannot be considered reasonable for any Somali, regardless of whether the individual originates from southern and central Somalia, Somaliland or Puntland, to relocate within or to southern and central Somalia.

(…)

In Galgaduud, which has received one of the largest numbers of IDPs [Internally Displaced Persons] in 2007, it was one of the few regions which also witnessed returns to Mogadishu. Interviewees reported to UNHCR that they had reached a level of desperation so severe that they preferred the misery and insecurity in Mogadishu. Based on the above, UNHCR considers that there is no available internal flight or relocation alternative in any part of southern and central Somalia.”

Gevolgen voor de burgerbevolking

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook ten aanzien van de humanitaire omstandigheden en de slechte voedselsituatie in de motivering is tekortgeschoten. In dit verband acht de rechtbank van belang dat verweerder bij zijn beoordeling heeft betrokken dat in Zuid- en Centraal- Somalië internationale hulporganisaties actief en vertegenwoordigd zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee ten onrechte geen acht geslagen op de omstandigheid dat hulpverlenende instanties, juist door de onveilige situatie in Zuid- en Centraal-Somalië, aldaar steeds minder actief en vertegenwoordigd zijn.

In dit verband wijst de rechtbank op de pagina’s 14 en 15 van de UNHCR Eligibility Guidelines van 5 mei 2010:

“Since 2008, the situation of Somali humanitarian workers has worsened. Kidnappings of both international and national staff have taken place, including of the UNHCR Head of Office for Mogadishu in June 2008. The UNDP Head of Office for Mogadishu was assassinated on 6 July 2008. According to the office of the UN Emergency Relief Coordinator, 47 human rights activists and humanitarian workers were killed between 2008 and 2009. Assassinations of persons linked to the civil society continued in 2009. Since January 2009, seven aid workers have been killed and seven abducted. A total of 16 aid workers are still in captivity, some since 2008. Somali NGOs have increasingly come under pressure, and some were forced to close by al-Shabaab on accusations of being agents of Western governments, especially those NGOs engaged in human rights monitoring, reporting and advocacy. Due to continuous threats, extortion attempts and intimidation of its staff, the World Food Programme had to suspend food distribution in most regions of southern and central Somalia at the beginning of 2010.”

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in Zuid- en Centraal-Somalië, het gebied waaruit zij afkomstig is, sprake is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, zowel ten aanzien van de afzonderlijke aspecten die daarbij een rol spelen (zoals de aard en intensiteit van het geweld, de vluchtelingenstromen en de gevolgen voor de burgerbevolking) als ten aanzien van die aspecten beschouwd in onderling verband en samenhang, een draagkrachtige motivering mist.

Het beroep is daarom gegrond. Het besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000, thans geen bespreking hoeft.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

-draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,00 en bepaalt dat verweerder deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mrs. N.A. Vlietstra, voorzitter, P.J. Duinkerken en R. Depping, leden, bijgestaan door mr. M. Buikema, griffier. De griffier is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.

mr. M. Buikema mr. N.A. Vlietstra

In het openbaar uitgesproken op 27 juli 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te

’s-Gravenhage. In gevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

afschrift verzonden op: