Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2409

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
09/22441 BEPTDN en 09/44184 BEPTDN - 09/26640 BEPTDN en 10/1851 BEPTDN - 09/26641 en 10/1853
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ranov / duurzame en exclusieve relatie / voorwaarden gezinsvorming

De (huidige) echtgenoot van verzoekster was op 13 december 2006 nog gehuwd met een ander. Daarom kan er geen sprake van zijn dat verzoekster en haar huidige echtgenoot op voornoemde datum een duurzame en exclusieve relatie onderhielden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE,

zittinghoudend te MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Procedurenummers:

1. AWB 09 / 22441 BEPTDN en 09 / 44184 BEPTDN

2. AWB 09 / 26640 BEPTDN en 10 / 1851 BEPTDN

3. AWB 09 / 26641 BEPTDN en 10 / 1853 BEPTDN

Uitspraak

in het geding tussen

1. [eiseres], verzoekster sub 1,

2. [eiser], verzoeker,

3. [belanghebbende], verzoekster sub 2,

hierna te noemen, verzoekers,

en

de Minister van Justitie, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

Datum bestreden besluiten: 5 november 2009.

Kenmerk: 0203.17.8002.

V-nummers: [xxx]; [xxx]; [xxx].

1. Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen verweerders besluiten van 17 juni 2009.

Verzoekers hebben ten aanzien van deze besluiten bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te treffen.

Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten heeft verweerder op dit bezwaar beslist.

Verzoekers hebben tegen deze besluiten beroepen ingesteld.

De verzoeken zijn met toepassing van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb gelijkgesteld met verzoeken die worden gedaan hangende beroep bij de rechtbank.

Verweerder heeft de stukken die op de zaken betrekking hebben ingezonden.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 20 april 2010, alwaar verzoekster sub 1 tezamen met haar echtgenoot [de man] in persoon is verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde A.J.P. Lemmen, advocaat te Heerlen.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door R.J.M.F.P. Wouters, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie.

2. Overwegingen

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De verzoeken als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter is gewezen in de kennisgeving aan partijen van de behandeling van de verzoeken ter zitting.

Na kennisneming van de stukken en na de behandeling van de verzoeken ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaken niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten.

De voorzieningenrechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaken en overweegt daartoe als volgt.

Verzoekster sub 1 heeft uit een eerdere relatie een zoon, verzoeker. Verzoekster sub 1 is gehuwd met [de man], met wie zij een dochter heeft, verzoekster sub 2.

Verzoekster sub 1 en verzoekster sub 2 hebben op 16 december 2008 aanvragen ingediend en verzoeker heeft op 18 december 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met als doel ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e), gezinsvorming’ dan wel ‘gezinshereniging bij ouder(s)’.

Verweerder heeft de aanvragen afgewezen en zich in de bestreden besluiten op het standpunt gesteld dat verzoekers niet hebben voldaan aan de voorwaarde dat zij op of voor 13 december 2006 een gezin hebben gevormd met een vreemdeling die op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: Regeling) een verblijfsvergunning heeft gekregen. Zodoende komen verzoekers niet in aanmerking voor vrijstelling van het vereiste van een (geldige) machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verder beschikken zij niet over een (geldige) mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd. Verzoekers vallen niet onder de categorieën van het mvv-vereiste vrijgestelde vreemdelingen genoemde in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h, van de Vw 2000, dan wel de categorieën vrijgestelde vreemdelingen genoemd in artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Evenmin is er in de visie van verweerder sprake van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000, weshalve er geen aanleiding bestaat tot toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule. Het vasthouden aan het mvv-vereiste is volgens verweerder voorts niet in strijd met artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), gelet op de gemaakte belangenafweging in dit kader.

Verzoekers kunnen zich hier niet mee verenigen en hebben hiertoe het volgende aangevoerd. Verzoekster sub 1 stelt dat zij kan aantonen, door middel van getuigen, dat zij wel degelijk op of voor 13 december 2006 een duurzame en exclusieve relatie had met [de man], de vader van haar dochter, zijnde verzoekster sub 2. Zij stonden met reden niet op hetzelfde adres in het kader van de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven. Verzoekers en [de man] stonden immers op twee verschillende Asielzoekerscentra geregistreerd en zij moesten wachten totdat zij formeel in een woning konden samenwonen. Dat [de man] op 13 december 2006 nog niet officieel was gescheiden van zijn toenmalige echtgenote doet niet af aan het feit dat verzoekster sub 1 en [de man] op dat moment een duurzame en exclusieve relatie hadden en dat zij feitelijk samenwoonden. Verweerder moet aansluiting zoeken bij de voorwaarden zoals die gelden in het kader van de reguliere gezinshereniging. Verzoekers willen ter onderbouwing van hun stelling dat verzoekster sub 1 en [de man] vóór 13 december 2006 samenwoonden ter zitting getuigen horen. Verder heeft [de man] verzoekster sub 2 erkend en is het gezamenlijk gezag aangevraagd bij de rechtbank Leeuwarden. Daarnaast hanteer verweerder ten onrechte het middelenvereiste en de daarmee samenhangende 120%-norm.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, kan worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.

Op grond van artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoekers niet beschikken over een geldige mvv en dat zij niet behoren tot een van de bij algemene maatregel aangewezen categorieën vreemdelingen die zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste.

In paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is bepaald dat het ontbreken van een mvv niet van betekenis is bij de vraag of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve wordt verleend aan onder meer een vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van de Pardonregeling.

Verzoekers hebben zich beroepen op de Regeling, zoals op 13 juni 2007 is gepubliceerd in de Staatscourant en op 15 juni 2007 in werking is getreden. Ten tijde van de door verzoekers ingediende aanvragen was het beleid neergelegd in paragraaf B14/5 van de Vc 2000.

Volgens paragraaf B14/5.7 van de Vc 2000 – voor zover van belang – kunnen personen die op of voor 13 december 2006 in Nederland een gezin hebben gevormd met een vreemdeling wiens verblijf op grond van de Regeling is aanvaard, op reguliere wijze verblijf aanvragen bij die hoofdpersoon. Daarbij vindt vrijstelling plaats van het mvv-vereiste, de inkomenseis en de verplichting tot het betalen van leges. Genoemde vrijstellingen vinden plaats indien de aanvraag is ingediend nadat aan de hoofdpersoon een vergunning verblijf op grond van de Regeling is verleend. De overige vereisten worden onverkort gehandhaafd.

Op grond van de Regeling wordt verblijf toegestaan aan gezinsleden van een vreemdeling wiens verblijf op grond van de Regeling is aanvaard indien deze gezinsleden uiterlijk op 13 december 2006 Nederland zijn ingereisd en voor zover de gezinsband reeds bestond voor de komst van de hoofdpersoon naar Nederland. Dit geldt tevens voor in Nederland geboren kinderen van wie de ouder(s) op grond van de Regeling verblijf wordt toegestaan. Onder gezinslid wordt in dit verband verstaan:

a. de vreemdeling van achttien jaar of ouder die met de hoofdpersoon een naar Nederlands recht, waaronder het in Nederland toe te passen internationaal privaatrecht, geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel de biologische of juridische ouder is van een biologisch of juridisch kind van de hoofdpersoon en met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt;

b. het minderjarig biologisch of juridisch kind van de hoofdpersoon, dat feitelijk behoort tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder rechtmatig gezag van die hoofdpersoon staat;

c. (..).

De vergunning wordt verleend onder de beperking verband houdend met gezinsvorming.

De voorwaarden die zijn gesteld met betrekking tot gezinsvorming zijn neergelegd in de artikelen 3.13 tot en met 3.22 van het Vb 2000.

Op grond van artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, in samenhang gelezen met artikel 3.14, tweede lid, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘gezinsvorming’ verleend aan de vreemdeling die 21 jaar of ouder is, die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt, waarin de partners:

1. niet tot elkaar in een zodanige nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een huwelijksbeletsel zou vormen, en

2. ongehuwd zijn en geen in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, tenzij het huwelijk door wettelijk beletselen, waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden.

De voorzieningenrechter overweegt met betrekking tot de beroepsgrond dat verweerder in het aan verzoekster sub 1 gerichte thans bestreden besluit niet meer heeft tegengeworpen dat er geen sprake zou zijn van een duurzame en exclusieve relatie, als volgt.

In het besluit in primo van 17 juni 2009 is mede in de afwijzingsgrond dat niet is aangetoond noch gebleken dat eiseres en referent vóór 13 december 2006 een duurzame en exclusieve relatie hadden en feitelijk samenwoonden, betrokken dat de echtscheiding tussen referent en zijn echtgenote eerst op 22 mei 2008 in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. In het bestreden besluit is met name nog ingegaan op hetgeen in bezwaar en ter zitting is aangevoerd, waarna is geconcludeerd: “Ook in bezwaar is niet aangetoond, dan wel gebleken dat betrokkene op of voor 13 december 2006 een duurzame en exclusieve relatie hadden en feitelijk samenwoonden, zodat ook in bezwaar geen reden bestaan om betrokkene vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de regeling ter afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet.”

Gelet hierop volgt de voorzieningenrechter hetgeen door verzoekster sub 1 is gesteld dan ook niet.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [de man] op 13 december 2006 nog gehuwd was met zijn toenmalige echtgenote [betrokkene] Immers, uit de gedingstukken blijkt dat pas op 22 mei 2008 de echtscheiding/huwelijksontbinding tussen deze twee personen bij de burgerlijke stand van ’s-Gravenhage (onder aktenummer AV1536/2008) is ingeschreven.

Gelet op de omstandigheid dat [de man] op 13 december 2006 met een ander dan verzoekster sub 1 was gehuwd, kan er geen sprake van zijn dat verzoekster sub 1 met [de man] een duurzame en exclusieve relatie onderhield. Dat beide personen op dat moment, te weten op 13 december 2006, ongehuwd waren, is een essentieel onderdeel van de beoordeling of een duurzame en exclusieve relatie werd onderhouden in de zin van artikel 3.14 van het Vb 2000. Indien aan deze voorwaarde niet is voldaan, betreft dit een wettelijk beletsel voor vergunningverlening. Nu in de Regeling wordt aangegeven dat de vergunning wordt verleend onder de beperking verband houdend met gezinsvorming ziet de rechtbank geen grond te oordelen dat in het kader van de Regeling deze in het Vb 2000 neergelegde beletselen niet zouden gelden en aan te nemen dat in het kader van de Regeling dienaangaande andere vereisten zouden gelden. Daarvoor zijn in de Regeling geen aanknopingspunten te vinden.

Ter zitting heeft verzoekster sub 1 een viertal getuigen gehoord, te weten [getuige] [getuige], [getuige] – [getuige] en [getuige], ter onderbouwing van haar standpunt dat zij op 13 december 2006 daadwerkelijk met [de man] samenwoonde. De voorzieningenrechter treedt niet in de beoordeling van de waarde van de verklaringen van deze getuigen reeds omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat beide personen, verzoekster sub 1 en [de man], ongehuwd waren op de peildatum 13 december 2006.

Met betrekking tot verzoeker, stelt de voorzieningenrechter vast dat hij geen biologisch en juridisch kind is van de hoofdpersoon, [de man], zodat verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan hem de gevraagde vergunning niet had behoeven te verlenen.

Aangaande de dochter (verzoekster sub 2) van verzoekster sub 1 en de hoofdpersoon stelt de voorzieningenrechter vast dat in dit geval wel sprake is van een biologische en juridisch kind. Ten tijde van het sluiten van het onderzoek was er echter nog geen uitsluitsel over het gevraagde gezamenlijk gezag dat de hoofdpersoon en verzoekster sub 1 hebben gevraagd. Op dat moment stond dan ook niet vast dat verzoekster sub 2 onder het rechtmatige gezag van de hoofdpersoon stond. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder gelet hierop aan verzoekster sub 2 evenmin de gevraagde vergunning behoeven te verlenen.

Op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 kan verweerder het eerste lid van deze bepaling buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

Uit de wetsgeschiedenis (TK 1999-2000, 26 732, nr. 7, blz. 108-109) blijkt dat de in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 neergelegde bevoegdheid is bedoeld als zijnde discretionair van aard en beperkt van omvang. Gevallen, waaromtrent is voorzien dat het mvv-vereiste niet zal kunnen worden tegengeworpen, zijn bij en krachtens artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 van dat vereiste uitgesloten, zodat toepassing van de hardheidsclausule beperkt kan blijven tot zeer uitzonderlijke gevallen die door de wet- en regelgeving niet zijn voorzien. In een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 19 september 1997 (TK 1997-1998, 24 544, nr. 16, blz. 1) is voorts als beleidsuitgangspunt gekozen dat een beroep op de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke individuele gevallen wordt gehonoreerd.

Naar uit de hiervoor aangehaalde wetgeschiedenis moet worden afgeleid, komt verweerder ter zake van de toepassing van de hardheidsclausule een ruime beoordelingsmarge toe. De weigering van verweerder om in een bepaald geval toepassing te geven aan die clausule zal de toetsing in rechte slechts dan niet kunnen doorstaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het onderhavige geval geen aanleiding bestond om aan te nemen dat het onverkort vasthouden aan artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, weswege hij gebruik had dienen te maken van de bevoegdheid ex artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000. Verzoekster sub 1 heeft ter onderbouwing van dit standpunt aangevoerd dat zij niet kan terugkeren naar haar land van herkomst omdat zij daar te vrezen heeft voor haar leven. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat deze onderbouwing asielgerelateerd is en niet bij de onderhavige beoordeling kan worden betrokken vanwege de strikte scheiding tussen reguliere en asielprocedures. Bovendien hebben verzoekers reeds een tweetal aanvragen ter verkrijging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die zijn afgewezen.

Met betrekking tot verzoekers beroep op het bepaalde in artikel 3.71, tweede lid, onder l van het Vb 2000, op grond waarvan van het mvv-vereiste wordt vrijgesteld de vreemdeling van wie de uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Niet wordt betwist dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van inmenging op het recht op familie- of gezinsleven omdat de weigering om verzoekers verblijf hier te lande toe te staan niet strekt tot het ontnemen van een verblijfstitel die hun tot het uitoefenen van het familie- of gezinsleven hier te lande in staat stelden. Verzoekers hebben nimmer rechtmatig verblijf gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000. Het gezinsleven van verzoekers met [de man] is ontstaan tijdens onrechtmatig verblijf van verzoekers nu zij niet in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning. Verzoekers waren in de wetenschap dat zij, mochten zij een negatieve beschikking ontvangen op hun eerder ingediende aanvragen ter verkrijging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, Nederland zouden moeten verlaten. Ook na zodanig beslissingen te hebben ontvangen, hebben zij ervoor gekozen in Nederland te blijven. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt en is van oordeel dat onder die omstandigheden de gevolgen van het aangaan van familie- en gezinsleven voor rekening en risico van verzoekers moeten komen.

Op verweerder kan echter een positieve verplichting rusten die ertoe leidt dat aan verzoekers verblijf wordt toegestaan voortvloeiende uit het recht op eerbieding van het gezinsleven. In dit geval moet een belangenafweging worden gemaakt tussen de belangen van verzoekers enerzijds en de belangen van de Nederlandse overheid anderzijds. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat niet is gebleken dat [de man] verzoekers niet naar hun land van herkomst zou kunnen volgen. Van de kinderen [naam kind 1] en [naam kind 2] kan, mede gelet op hun jeugdige leeftijd alsmede het feit dat zij geen verblijfsrecht bezitten, worden gevergd dat zij verzoekster sub 1 naar Armenië volgen teneinde het gezinsleven al dan niet tijdelijk in Armenië voort te zetten. Aldus is niet gebleken van een objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

Met betrekking tot het economisch belang van de Staat heeft verweerder verzoekers in de gelegenheid gesteld om bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat verzoekster sub 1 dan wel [de man] beschikken over voldoende, duurzame en zelfstandige middelen van bestaan. Verder wordt veel gewicht toegekend aan het belang van de Staat bij het handhaven van het mvv-vereiste nu daarmee wordt beoogd het algemeen belang te waarborgen dat de overheid bij haar onderzoek of de vreemdeling aan alle verblijfsvoorwaarden voldoet, niet reeds door diens onrechtmatig verblijf in Nederland met alle gevolgen van dien, voor een voldongen feit wordt geplaatst.

Verweerder heeft zich, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van Nederlandse Staat zwaarder weegt dan het belangen van verzoekers en dat dit evenmin leidt tot vrijstelling van het mvv-vereiste.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder op goede gronden de gevraagde verblijfsvergunningen aan verzoekers heeft onthouden.

De beroepen worden ongegrond verklaard.

Gelet op de omstandigheid dat uitspraak in de hoofdzaken wordt gedaan en het bestreden besluiten daardoor niet langer onderwerp vormen van een door de voorzieningenrechter te beslissen geschil, bestaat geen aanleiding meer voor het treffen van de voorlopige voorzieningen, zodat de daartoe strekkende verzoeken worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart de beroepen ongegrond;

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van A.J.H. Bosgoed, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2010.

w.g. A. Bosgoed

w.g. Y. Klik

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 23 juli 2010

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak staat het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. In artikel 6:5 van de Awb is onder meer bepaald dat bij het beroepschrift een afschrift van de uitspraak moet worden overgelegd. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 88 van de Vw 2000 juncto artikel 8:81 van de Awb de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.