Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2183

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
AWB 09/15779
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

COa / vergoeding noodzakelijke kosten / tegenonderzoek individueel ambtsbericht / deskundigheid OKDS

In geschil is of de kosten van een tegenonderzoek in verband met een in de asielprocedure uitgebracht individueel ambtsbericht noodzakelijke kosten zijn. De stellige conclusie dat het in beroep overgelegde rapport geen gevolgen zal hebben voor het asielbesluit, en de kosten van het tegenonderzoek dus niet noodzakelijk zijn, volgt de rechtbank niet. Uit de Afdelingsjurisprudentie is op te maken dat het denkbaar is dat een niet in het kader van de besluitvorming op de aanvraag, maar eerst in beroep, overgelegd rapport contra-expertise bij de beoordeling in rechte kan worden betrokken. De stelling van verweerder dat uitgegaan mag worden van de juistheid van de resultaten van het individueel ambtsbericht en dat dit bericht op een door de rechter te controleren wijze tot stand is gekomen, zodat de kosten van een contra-expertise niet noodzakelijk zijn, volgt de rechtbank evenmin. Immers, verweerder mag als het ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten, aan te leveren door middel van een contra-expertise, bestaan voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid ervan. Ten aanzien van de deskundigheid en onafhankelijkheid van de OKDS overweegt de rechtbank dat van verweerder mocht worden verwacht te motiveren waarom uit de door eiser overgelegde brief van de OKDS en uit de (gestelde) samenwerking tussen OKDS en de IND, de deskundig- en onafhankelijkheid van deze organisatie niet blijkt. De omstandigheid dat eiser in de bestuurlijke fase geen nadere specificatie heeft overgelegd ten aanzien van de te maken kosten is onvoldoende voor een ander oordeel. Dat een gedetailleerde specificatie ontbreekt, betekent nog niet dat de kosten zonder meer als niet noodzakelijk zijn te beschouwen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 09/15779

Datum uitspraak: 12 januari 2010

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiser]

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Kazachstaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. J.M.C. de Kok,

tegen

het Bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa),

verweerder.

Het procesverloop

Bij brief van 20 mei 2008 heeft eiser een aanvraag ingediend tot vergoeding van de kosten van een tegenonderzoek in verband met een ten behoeve van zijn asielaanvraag uitgebracht individueel ambtsbericht.

Bij besluit van 9 juni 2008 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser op 17 juni 2008 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 23 september 2008 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 juni 2008 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Op 27 februari 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het daartegen door verweerder ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van 23 september 2008 bevestigd.

Vervolgens heeft verweerder bij brief van 6 maart 2009 eiser om aanvullende informatie verzocht. Bij besluit van 24 april 2009 heeft verweerder de aanvraag van 20 mei 2008 wederom afgewezen. Bij brief van 29 april 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen deze beschikking.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 oktober 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mrs. E.E. van der Kamp en F.E. de Bruijn.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat er geen noodzaak is tot het laten verrichten van tegenonderzoek. Eiser heeft voorts de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de 'Organizatsya Kulturno Druzheskikh Svazi' (hierna: de OKDS) niet aangetoond. Ten slotte is geen nadere specificatie van de kosten van het onderzoek overgelegd, en is de noodzakelijkheid van de kosten ook daarom niet aangetoond.

3. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, samengevat weergegeven, aangevoerd.

Eiser verwijst naar de eerder overgelegde en voorgedragen pleitnota, die als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. In reactie op de brief van 6 maart 2009 heeft eiser verwezen naar de eerder aangevoerde beroepsgronden. Verweerder heeft, gelet op de uitspraak van 23 september 2008, niet op grond van dezelfde argumenten als in het besluit van 9 juni 2008 tot het bestreden besluit mogen komen. Verweerder kon niet anders dan een inwilligend besluit nemen. Eiser heeft de nadere specificatie alsnog bij brief van 28 september 2009, inclusief vertaling, overgelegd.

4. De rechtbank overweegt als volgt

5. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het thans voorliggende besluit van 24 april 2009 strekt ter uitvoering van de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 23 september 2008.

6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet op grond van dezelfde argumenten als in het eerdere besluit een besluit kon nemen. Voor zover eiser daarmee heeft beoogd te stellen dat geen uitvoering is gegeven aan voornoemde rechterlijke uitspraak wordt het volgende overwogen.

7. De rechtbank leest voornoemde, in hoger beroep bevestigde, uitspraak van 23 september 2008 aldus dat, in de kern weergegeven, de rechtbank van oordeel is dat verweerder zijn standpunt, dat de kosten van een nog in beroep te overleggen rapport contra-expertise geen noodzakelijke kosten zijn, onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat verweerder nader dient te motiveren waarom niet van de onafhankelijkheid en de expertise van de OKDS kan worden uitgegaan. Het had in ieder geval op de weg van verweerder gelegen, aldus de rechtbank in die uitspraak, om eiser in de gelegenheid te stellen de onafhankelijkheid en expertise van de OKDS nader aan te tonen. Ten aanzien van de specificatie van de kosten heeft de rechtbank geoordeeld dat het op de weg van verweerder ligt om eiser in de gelegenheid te stellen nadere informatie te leveren, te meer nu in de brief van de OKDS, die in beroep is ingebracht, een specificatie van de kosten is opgenomen.

8. Verweerder heeft met inachtneming van de uitspraak van 23 september 2008 in het besluit van 24 april 2009 ten aanzien van de noodzakelijkheid van de kosten en de onafhankelijkheid en de expertise van de OKDS een nadere motivering opgenomen. Bij brief van 6 maart 2009 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag nader toe te lichten en antwoord te geven op de in deze brief geformuleerde vragen. Aldus heeft verweerder uitvoering gegeven aan de uitspraak van 23 september 2008. Eisers stelling dat na de uitspraak van 23 september 2008 nog slechts tot inwilliging van zijn aanvraag kon worden overgegaan, volgt de rechtbank niet.

9. In het verweerschrift, alsmede ter zitting, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser slechts één beroepsgrond, namelijk dat verweerder niet op grond van dezelfde argumenten tot het bestreden besluit mocht komen, heeft aangevoerd. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen en overweegt hiertoe als volgt.

10. In eerdergenoemde uitspraak van 23 september 2008 heeft de rechtbank het besluit van 9 juni 2008 wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsvereiste vernietigd. De rechtbank heeft zich niet uitgelaten over de noodzakelijkheid van het tegenonderzoek. Aan de bespreking van de in dat kader (in de pleitnota) aangedragen gronden is de rechtbank niet toegekomen.

In de op 25 mei 2009 ingediende beroepsgronden heeft eiser onder 17 aangegeven dat de eerder voorgedragen pleitnota als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Deze pleitnota is ook als productie 5 bij de beroepsgronden gevoegd. Bovendien heeft eiser in deze beroepsgronden verwezen naar de reactie van 16 april 2009 op de brief van 6 maart 2009, waarin eiser eveneens naar deze pleitnota heeft verwezen.

Het voorgaande kan de rechtbank niet anders begrijpen dan dat eiser beoogd heeft de in deze pleitnota genoemde argumenten, voor zover die nog niet eerder in rechte zijn beoordeeld, als beroepsgrond aan te merken. Er is voorts geen grond voor het oordeel dat de enkele verwijzing naar de pleitnota niet als beroepsgrond is aan te merken, nu uit de pleitnota zonder meer valt af te leiden op welke gronden eiser zich niet kan verenigen met het (nieuwe) besluit van 24 april 2009. Voor deze opvatting vindt de rechtbank steun in de uitspraken van de Afdeling van 23 juni 2003 (nr. 200302241/1, JV 2003/351) en 10 oktober 2003 (nr. 200303799/1, RV 2003/57).

11. De rechtbank ziet zich dus voor de vraag gesteld of verweerder zich terecht, en met een toereikende motivering, op het standpunt heeft gesteld dat de kosten voor het verrichten van de door eiser gewenste contra-expertise niet als noodzakelijke kosten zijn aan te merken in de zin van artikel 17 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005).

12. In artikel 3 van de Rva 2005 is bepaald aan welke categorieën asielzoekers of daarmee gelijk te stellen categorieën vreemdelingen door het COa opvang wordt geboden.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005 omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval betaling van buitengewone kosten.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Rva 2005 kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, die hij heeft gemaakt. Ingevolge het tweede lid zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.

13. In het besluit van 24 april 2009 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen noodzaak is tot het verrichten van een tegenonderzoek. Daartoe heeft verweerder overwogen – onder verwijzing naar het afwijzende asielbesluit van 4 juni 2008 – dat het eiser vrij staat een contra-expertise te laten verrichten indien hij het niet eens is met het onderzoeksresultaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, maar dat de uitkomst van een tegenonderzoek geen gevolgen zal hebben voor het besluit van 4 juni 2008. Daarbij weegt verweerder mee dat uitgegaan mag worden van de juistheid van de resultaten van het door het Ministerie van Buitenlandse Zaken verrichte onderzoek en dat een individueel ambtsbericht op een door de rechter te controleren wijze tot stand is gekomen.

14. Eiser heeft in de pleitnota van 22 augustus 2008 betoogd dat de omstandigheid dat verweerder in de asielprocedure negatief heeft beslist op een asielaanvraag nog niet betekent dat de noodzaak van een tegenonderzoek is komen te vervallen. Daarbij heeft eiser gewezen op de beroepsmogelijkheden. De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat ook een in beroep overgelegd rapport contra-expertise zijn betekenis kan hebben in een asielprocedure en de daartoe gemaakte kosten noodzakelijk kunnen zijn in de zin van artikel 17 van de Rva 2005.

15. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 31 maart 2005 in zaak nr. 200410541/1; JV 2005/207), volgt uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 dat een rapport houdende een contra-expertise in beginsel in het kader van de besluitvorming dient te worden overgelegd. Slechts indien dit niet mogelijk is geweest als gevolg van niet aan de vreemdeling toe te rekenen omstandigheden, kan het in rechte bij de beoordeling worden betrokken.

16. Uit deze jurisprudentie maakt de rechtbank op dat denkbaar is dat een niet in het kader van de besluitvorming op de aanvraag, maar eerst in beroep, overgelegd rapport contra-expertise bij de beoordeling in rechte kan worden betrokken. In het licht hiervan kan de rechtbank de stellige conclusie van verweerder dat de uitkomst van een tegenonderzoek geen gevolgen zal hebben voor het besluit van 4 juni 2008, en de met dit onderzoek gemoeide kosten daarom niet noodzakelijk zijn, dan ook niet, althans niet zonder een op deze zaak toegespitste motivering, volgen. In de overweging in het verweerschrift dat verweerder eiser in de gelegenheid heeft gesteld de noodzakelijkheid van het onderzoek nader toe te lichten, en dat het uitblijven van eisers reactie voor zijn rekening en risico moet komen, ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. Gelet op het bij uitspraak van 23 september 2008 aangenomen motiveringsgebrek lag het op de weg van verweerder, als bevoegd orgaan om een beslissing te nemen op het voorliggende verzoek om de vergoeding van buitengewone kosten en deze beslissing dus ook van een deugdelijk motivering te voorzien, en gelet op hetgeen reeds in de pleinota terzake naar voren was gebracht, om het ontbreken van de noodzaak tot het verrichten van een tegenonderzoek nader te motiveren.

17. De stelling van verweerder dat uitgegaan mag worden van de juistheid van de resultaten van het door het Ministerie van Buitenlandse Zaken verrichte onderzoek en dat een individueel ambtsbericht op een door de rechter te controleren wijze tot stand is gekomen, waarmee – naar de rechtbank begrijpt – eveneens beoogd is te stellen dat de kosten van een contra-expertise niet noodzakelijk zijn, kan de rechtbank niet volgen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

18. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 oktober 2001 (zaak nr. 200103977/1, AB 2001/359), volgt dat een individueel ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding van – voorzover mogelijk en verantwoord – de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid ervan. In de regel worden deze concrete aanknopingspunten aangedragen aan de hand van een rapport van een contra-expert. Reeds hieruit volgt dat het feit dat een besluit berust op een individueel ambtsbericht niet betekent dat geen noodzaak kon bestaan tot het instellen van een tegenonderzoek.

19. Ten aanzien van de deskundigheid en onafhankelijkheid van de OKDS overweegt de rechtbank als volgt.

20. Verweerder heeft zich in het besluit van 24 april 2009 op het standpunt gesteld dat de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de OKDS niet is aangetoond. In de beëindiging van de samenwerking tussen de OKDS en de IND heeft verweerder redenen gezien eiser vragen te stellen. Nu deze niet zijn beantwoord, is verweerder niet overtuigd geraakt van de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de OKDS.

21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet met deze motivering kunnen volstaan. In de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 23 september 2008 heeft de rechtbank overwogen dat verweerder zijn standpunt dat de onafhankelijkheid en de expertise van de OKDS niet is aangetoond onvoldoende heeft gemotiveerd, waarbij de rechtbank waarde heeft gehecht aan de omstandigheid dat de OKDS in het verleden meermaals door de IND is ingeschakeld in de besluitvormingsprocedure.

Van verweerder mocht worden verwacht te motiveren waarom uit de door eiser overgelegde brief van de OKDS van 23 april 2008 de deskundig- en onafhankelijkheid van deze organisatie niet blijkt. Voorts heeft eiser in zijn brief van 16 april 2009 verwezen naar de hiervoor genoemde pleitnota, waarin is vermeld dat de IND heeft samengewerkt met de OKDS. Aan deze omstandigheid heeft de rechtbank, zoals hiervoor aangegeven, betekenis toegekend. Het lag dan ook op de weg van verweerder om nader te motiveren waarom, in dat licht bezien, de OKDS als ondeskundig of partijdig dient te worden aangemerkt. Dit klemt te meer nu uit het besluit van 24 april 2009 (pagina 4) blijkt dat verweerder heeft begrepen dat de samenwerking tussen de OKDS en de IND abrupt en op resolute wijze is beëindigd, waaruit de rechtbank opmaakt dat verweerder contact heeft gehad met de IND over deze samenwerking, zodat verweerder op betrekkelijk eenvoudige wijze de redenen van de beëindiging van de samenwerking had kunnen achterhalen.

22. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zijn conclusie dat de kosten niet noodzakelijk zijn, niet kan doen steunen op de in het besluit van 24 april 2009 gegeven motivering.

De omstandigheid dat eiser in de bestuurlijke fase geen nadere specificatie heeft overgelegd ten aanzien van de te maken kosten is onvoldoende voor een ander oordeel. Daarbij komt betekenis toe aan de omstandigheid dat eiser bij brief van 23 april 2008 een specificatie heeft overgelegd van de kosten van het tegenonderzoek, waarin een prognose is gemaakt van de te verwachten kosten, en eiser, in reactie op de brief van 6 maart 2009, bij brief van 16 april 2009 heeft bericht dat hem achteraf, dus nadat het tegenonderzoek heeft plaatsgevonden, een gespecificeerde rekening wordt toegezonden, waarop verweerder in het besluit van 24 april 2009 niet is ingegaan. Voorts ziet de rechtbank niet in, althans niet zonder nadere motivering, waarom kosten vanwege het ontbreken van een gedetailleerde specificatie niet als noodzakelijk zijn aan te merken. Dat een gedetailleerde specificatie ontbreekt, betekent immers nog niet dat de kosten zonder meer als niet noodzakelijk zijn te beschouwen.

23. Dit leidt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en het besluit van 24 april 2009 wegens strijd met het motiveringsbeginsel (zoals opgenomen in artikel 3:46 van de Awb) dient te worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij verweerder de door eiser bij brief van 28 september 2009 overgelegde nadere (en vertaalde) specificatie in zijn beoordeling dient te betrekken.

24. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

De beslissing

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 24 april 2009;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,-. Dit bedrag dient te worden betaald aan de griffier van deze nevenzittingsplaats, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Linschoten, voorzitter, mr. W.F. Bijloo en mr. D.S.M. Bak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay als griffier.

de griffier

de voorzitter?

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2010.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).