Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2080

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
09/935766-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk verkeersongeval. Verdachte, die sinds 8 september 2009 in het bezit is van een rijbewijs, heeft op 3 oktober 2009 een onnodige en welbewuste korte stuurbeweging gemaakt waardoor een overstuursituatie is ontstaan, de auto is verongelukt en [B] en [A] het leven hebben gelaten. De rechtbank is voorts van oordeel dat dit rijgedrag, gegeven de situatie dat, zoals gezegd, de auto zwaar beladen was en zich twee personen in de achterbak zonder bank of veiligheidsgordels bevonden, moet worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig. Taakstraf (werkstraf) van 240 uur en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/935766-09

Datum uitspraak: 22 juli 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

adres: [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 juli 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.Y. Taekema, advocaat te ’s-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 oktober 2009 te Wassenaar als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto met kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Prinses Marielaan, de Prinsenweg en/of de Backershagenlaan en/of de Groot Haesebroekseweg en/of de N14 en/of de Landscheidingsweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- is gaan rijden terwijl twee personen hadden plaatsgenomen in de bagageruimte van de auto, zonder dat deze voorzien was van een bank/zitplaatsen en/of veiligheidsgordels en/of

- (meermalen) korte stuurbewegingen naar links en/of rechts en/of slingerende stuurbewegingen heeft gemaakt waardoor de auto ging slingeren en/of

- na het inhalen van een andere verkeersdeelnemer snel naar rechts heeft gestuurd en/of

- met hoge snelheid over verkeersdrempels en/of hobbels heeft gereden en/of

- met hoge snelheid door een bocht heeft gereden (tengevolge waarvan de banden zijn gaan piepen) en/of

- (wederom) korte stuurbewegingen naar links en/of rechts en/of slingerende stuurbewegingen heeft gemaakt (ten gevolge waarvan een overstuursituatie is ontstaan en/of de auto de middengeleiding heeft geraakt en/of is overgestoken en/of een lichtmast heeft geraakt en/of over de kop is geslagen),

waardoor een of meer ander(en) (genaamd [A] en/of [B]) werd(en) gedood;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 03 oktober 2009 te Wassenaar als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Prinses Marielaan, de Prinsenweg en/of de Backershagenlaan en/of de Groot Haesebroekseweg en/of de N14 en/of de Landscheidingsweg,

- is gaan rijden terwijl twee personen hadden plaatsgenomen in de bagageruimte van de auto, zonder dat deze voorzien was van een bank/zitplaatsen en/of veiligheidsgordels en/of

- (meermalen) korte stuurbewegingen naar links en/of rechts en/of slingerende stuurbewegingen heeft gemaakt waardoor de auto ging slingeren en/of

- na het inhalen van een andere verkeersdeelnemer snel naar rechts heeft gestuurd en/of

- met hoge snelheid over verkeersdrempels en/of hobbels heeft gereden en/of

- met hoge snelheid door een bocht heeft gereden (ten gevolge waarvan de banden zijn gaan piepen) en/of

- (wederom) korte stuurbewegingen naar links en/of rechts en/of slingerende stuurbewegingen heeft gemaakt (ten gevolge waarvan een overstuursituatie is ontstaan en/of de auto de middengeleiding heeft geraakt en/of is overgestoken en/of een lichtmast heeft geraakt en/of over de kop is geslagen),

waardoor een of meer ander(en) (genaamd [A] en/of [B]) werd(en) gedood en/of

waardoor een of meer ander(en) (genaamd [C] en/of [D] letsel heeft/hebben bekomen

en/of door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op de weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor twee personen werden gedood (feit 1) en dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat er gevaar op de weg werd veroorzaakt waardoor twee personen werden gedood en twee anderen letsel hebben bekomen (feit 2).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte heeft - zakelijk weergegeven - roekeloos gereden, waardoor sprake is van grove schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994).

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde omdat de verdachte verweten gedragingen niet, althans in een te ver verwijderd verband staan tot het ongeval en de gevolgen daarvan, er geen sprake was van roekeloosheid of zeer onvoorzichtig of aanmerkelijk onvoorzichtig, onvoorzichtig en/of onoplettend gedrag van verdachte vlak voorafgaand aan het ongeval en ten slotte omdat mogelijk sprake is van een alternatieve oorzaak van het ongeval die vanaf het begin van het justitieel onderzoek te weinig aandacht heeft gehad.

Indien de rechtbank anders oordeelt, verzoekt de raadsman verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.(1)

Op de avond van zaterdag 3 oktober 2009 was verdachte samen met andere vrienden op een feestje bij zijn vriend [E], wonende aan de Prinses Marielaan in Wassenaar. Op enig moment ontstond het idee om naar het Holland Casino in Scheveningen te gaan. Verdachte, die sinds 8 september 2009 in het bezit is van een rijbewijs(2), stapte in de auto van zijn moeder, een Volvo Stationcar met kentekennummer [kenteken]. [F] ging op de bijrijderstoel zitten en [C], [D] en [E] op de achterbank. [B] en [A] namen plaats in de bagageruime van de auto.(3) Deze bagageruimte was niet voorzien van een bank of zitplaatsen en evenmin van veiligheidsgordels.(4)

Verdachte reed vervolgens vanaf de Prinses Marielaan naar de Wittenburgerweg via de Prinsenweg, de Backershagenlaan, de Groot Haesebroekseweg en de Stoeplaan.(5)

Met de bedoeling om de inzittenden een beetje door elkaar te schudden, nam verdachte op de Prinses Marielaan verkeersdrempels en andere hobbels met behoorlijke snelheid. Ook reed hij via de stoep om een drempel heen.(6)

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na het verlaten van het wijkje (de Prinses Marielaan) rustig is gaan rijden. Uit het dossier blijkt echter dat meerdere getuigen daar anders over verklaren. Getuige [G] die op een scooter reed, heeft verklaard dat verdachte hem op de Prinsenweg, ter hoogte van het Sterrenbad, inhaalde waarna hij zodanig snel naar rechts stuurde dat de achterkant van de auto omhoog kwam.(7) Getuige [F] heeft verklaard dat verdachte ook op de Prinsenweg en in de buurt van het Rijnlands Lyceum op de Backershagenlaan slingerbewegingen maakte.(8) Getuige [C] heeft voorts verklaard dat verdachte op de Groot Haesebroekseweg de bocht met de Jagerslaan met een dusdanig hoge snelheid nam dat de banden gingen piepen.(9) Dit sluit aan bij de verklaring van getuige [H] die die avond in diezelfde bocht een donkerkleurige Volvo-stationcar van een oud model heeft waargenomen die was volgeladen met jonge mensen, die de bocht met piepende banden en met te grote snelheid nam, flink overhelde en vervolgens op de linker weghelft terechtkwam.(10)

Met betrekking tot laatstgenoemde getuige heeft de verdediging betoogd dat [H] een andere auto dan de auto van verdachte moet hebben gezien. De rechtbank verwerpt dit betoog. Hierbij is allereerst van belang dat sprake is van een zeer grote gelijkenis tussen de auto die door getuige [H] is beschreven en de auto die door verdachte werd bestuurd. De enkele omstandigheid dat [H] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij meende een meisje op de achterbank te hebben gezien doet daar – mede gezien de duisternis en de snelheid waarmee de auto reed – niet aan af. Volgens de verdediging kan getuige [H] de auto van verdachte echter niet gezien hebben gelet op het door hem genoemde tijdstip en het tijdstip van het ongeval. De rechtbank onderschrijft dit niet. Het exacte tijdstip van het ongeval staat niet vast en niet is gebleken dat met zekerheid kan worden gezegd dat de black-box van de auto van getuige [H] de juiste tijd aangaf. Daarnaast staat evenmin vast dat getuige [H] inderdaad, zoals hij verklaarde, al vijf minuten ter plaatse was op het moment dat hij de auto langs zag rijden.

De rechtbank is mitsdien van oordeel dat de door getuige [H] waargenomen auto en de door verdachte bestuurde auto een en dezelfde is.

Op grond van het vorengaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet alleen op de Prinses Marielaan zodanig heeft gereden dat gevaar op de weg kon worden veroorzaakt en het verkeer op de weg kon worden gehinderd, maar dat hij dat eveneens heeft gedaan op het vervolg van zijn route in de richting van de N14.

Vast staat verder dat verdachte op de kruising van de Wittenburglaan met de N-14/Landscheidingsweg, zoals dat daar is voorgeschreven, linksaf richting Leidschendam is gereden. Bij de eerste verkeerslichten is verdachte met een scherpe U-bocht teruggedraaid zodat hij op de N-14 richting Scheveningen reed. Uit het dossier volgt dat [B] en [A] door deze scherpe bocht tegen elkaar aanvielen en dat daarover in de auto grapjes werden gemaakt. Net voorbij het hoogste punt van het viaduct over de Rijksstraatweg heeft verdachte over zijn rechter schouder gekeken en gevraagd of iedereen goed zat.(11)

Tevens staat vast dat de auto vervolgens heen en weer over de weg is geslingerd, in een slip is geraakt, de middengeleiding en een daarop staande lichtmast heeft geraakt, over de kop is geslagen en op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer is terechtgekomen.(12) Als gevolg hiervan zijn [B] en [A] komen te overlijden.(13)

Aan de rechtbank ligt de vraag voor wat de oorzaak is geweest van dat slingeren over de weg. Daarover is verschillend verklaard.

Zo heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij, nadat hij over zijn schouder had gekeken, en weer naar voren op de weg keek, zag dat hij te dicht bij de middengeleiding reed. Ook heeft hij aangegeven te vermoeden dat hij met zijn linkerachterwiel de middengeleiding heeft geraakt. Dit heeft hij toen, zo heeft hij eveneens ter zitting verklaard, niet als zodanig ervaren. Hij is tot deze conclusie gekomen toen hij de foto’s van het linkerachterwiel zag die zich in het dossier bevinden.(14) Verdachte heeft voorts ter zitting verklaard dat hij – om weg te komen van de middengeleiding – heeft geprobeerd te corrigeren door snel met een kleine beweging naar rechts te sturen, maar dat hij voelde dat de achterkant van de auto uitbrak, dat die twee of drie keer heen en weer ging en dat hij toen de middengeleiding en de lichtmast raakte.(15)

De rechtbank volgt verdachte niet in die verklaring.

Hierbij weegt zwaar mee dat verdachte (kort) na het ongeval anders heeft verklaard. Na het ongeval is verdachte opgenomen in het ziekenhuis. Daar is hij kort na middernacht gehoord en toen heeft hij verklaard: “Ik maakte een kleine, echt een kleine stuurbeweging. Ik heb een slingerbeweging gemaakt van niet meer dan 1 centimeter.”(16)

Dergelijke uitlatingen heeft hij voordien ook al gedaan tegenover verbalisant [verbalisant 1]. Zij was kort na het ongeval ter plekke aanwezig en heeft zich daar ontfermd over verdachte die op dat moment in gezelschap was van zijn vader. Zij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij hem ongevraagd en uit eigener beweging had horen zeggen “ik heb dat bochtje gemaakt” en dat zij hem ook had horen zeggen dat hij had geslingerd.(17)

De rechtbank volgt de verdediging niet in het betoog dat deze uitlatingen van verdachte, gezien de gemoedstoestand waarin verdachte verkeerde, niet kunnen worden aangemerkt als in vrijheid afgelegde verklaringen en mitsdien niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Zonder twijfel was verdachte toen zeer geëmotioneerd; dat doet echter aan het waarheidsgehalte van zijn verklaringen niets af. Door verbalisant [verbalisant 2] is in het proces-verbaal vermeld dat verdachte op het moment van verhoor in het ziekenhuis goed aanspreekbaar was en dat er een goede interactie tussen hem en verdachte was. Ook verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat verdachte weliswaar praatte en huilde tegelijk, maar dat zij wel contact met hem had.(18)

Getuige [I] heeft voorts bij de rechter-commissaris verklaard dat hij na het ongeluk aan één van de inzittenden had gevraagd wat er gebeurd was en dat deze toen de naam van zijn vriend noemde (die getuige [I] is vergeten) en zei dat deze een rare manoeuvre maakte.(19)

Voorts sluiten de uitlatingen van verdachte kort na het ongeval aan bij de verklaring van getuige [F]. [F] heeft immers bij de rechter-commissaris verklaard dat hij verdachte ongeveer 5 seconden voor het ongeval plaatsvond had gemaand om rustig aan te doen. Daarna voelde hij slingerbewegingen en 2 of 3 seconden later merkte hij dat ze in een slip zaten. Hij heeft op expliciete vragen daarnaar verklaard dat hij verdachte net over de heuvel waarschuwde vanwege het optrekken van verdachte.(20) Verdachte heeft ter zitting verklaard dat [F] hem inderdaad heeft gemaand, maar dat hij op dat moment al aan het tegensturen was. Als de latere verklaring van verdachte op dit punt juist zou zijn, zou dat betekenen dat [F] de eerste slingerbeweging - volgens verdachte het teveel naar links geraken - niet gevoeld heeft. Dat laatste komt de rechtbank echter niet waarschijnlijk voor, mede gezien het feit dat [F] nadrukkelijk slingerbewegingen heeft gevoeld die werden gevolgd door een slip. De verklaring van [F] komt de rechtbank voorts geloofwaardig voor nu [F] ten aanzien van de hier genoemde details op gelijke wijze heeft verklaard in zijn eerste, bij de politie afgelegde, verklaring.(21)

Daarnaast laat de rechtbank meewegen dat verdachte al eerder op de route voor de grap slingerende stuurbewegingen had gemaakt om [A] en [B] achterin door elkaar te schudden en ook dat de slingerbeweging na het viaduct past bij de sfeer in de auto en zijn opmerking of iedereen goed zat.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de raadsman van verdachte evenmin volgt in de stelling dat op basis van het dossier niet kan worden uitgesloten dat de eerste slingerbeweging van de auto is veroorzaakt door het achterom kijken van verdachte in combinatie met de harde wind waardoor de auto de middengeleiding heeft geraakt. Volgens de raadsman is die eerste slingerbeweging niet het gevolg geweest van een bewust heen en weer gaan met het stuur door verdachte. De raadsman heeft er in dat kader op gewezen dat op de foto’s in het dossier wit poeder op het linker achterwiel zichtbaar is. Dit poeder moet afkomstig zijn van de middengeleiding, aldus de raadsman. De middengeleiding is, zo blijkt uit de foto´s, om en om zwart en wit geblokt. Nu de auto in het zwarte gedeelte over de middengeleiding heen is gegaan, kan het niet anders dan dat de linkerachterkant daarvoor al de middengeleiding heeft geraakt en wel in het witte gedeelte.

Voor dit scenario vindt de rechtbank in het dossier geen aanknopingspunten. Aangenomen moet worden dat de inzittenden en in ieder geval de bestuurder zouden moeten hebben gemerkt dat de auto de middengeleiding met het linker achterwiel raakte. Verdachte heeft echter ter zitting verklaard dat hij dit niet gevoeld heeft; andere verklaringen van die strekking ontbreken evenzeer. Voorts blijkt uit de foto’s in het dossier dat niet alleen op het linker achterwiel maar ook op de andere wielen een witte substantie zichtbaar is.(22)

Daarnaast geven de in het dossier aanwezige meteorologische gegevens geen steun aan de stelling van de verdediging dat een plotselinge windvlaag van invloed is geweest. Ook hier heeft te gelden dat verdachte zelf ter zitting heeft verklaard dat hij wist dat het hard waaide maar dat hij bij het rijden geen last heeft gehad van (harde) wind. De enkele omstandigheid dat bij het onderzoek later op die avond, de fotoapparatuur omwaaide(23), maakt dat niet anders. Overigens is de rechtbank van oordeel dat ook indien de eerste slingerbeweging wel zou zijn veroorzaakt door de combinatie van het achteromkijken, de wind en het raken van de lage middengeleiding, verdachte een verwijt kan worden gemaakt. Immers, zeker in de situatie van onbestendig weer, een zwaar beladen auto (24) en een lage middengeleiding, dient bij een snelheid van 70-75 km p/u (25) het over de schouder kijken beperkt te worden tot situaties waarin dat voor de verkeersveiligheid strikt noodzakelijk is.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 3 oktober een onnodige en welbewuste korte stuurbeweging heeft gemaakt waardoor een overstuursituatie is ontstaan, de auto is verongelukt en [B] en [A] het leven hebben gelaten. De rechtbank is voorts van oordeel dat dit rijgedrag, gegeven de situatie dat, zoals gezegd, de auto zwaar beladen was en zich twee personen in de achterbak zonder bank of veiligheidsgordels bevonden, moet worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 3 oktober 2009 te Wassenaar als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto met kenteken [kenteken], daarmede rijdende over de N14 en/of de Landscheidingsweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig

- te rijden terwijl twee personen hadden plaatsgenomen in de bagageruimte van de auto, zonder dat deze voorzien was van een bank/zitplaatsen of veiligheidsgordels en

- korte stuurbewegingen naar links en rechts en/of slingerende stuurbewegingen heeft gemaakt ten gevolge waarvan een overstuursituatie is ontstaan en de auto een lichtmast heeft geraakt en over de kop is geslagen,

waardoor [A] en [B] werden gedood;

en dat verdachte

2.

op 3 oktober 2009 te Wassenaar als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de Prinses Marielaan en de Prinsenweg en de Backershagenlaan en de Groot Haesebroekseweg,

- meermalen korte stuurbewegingen naar links en rechts heeft gemaakt waardoor de auto ging slingeren en

- na het inhalen van een andere verkeersdeelnemer snel naar rechts heeft gestuurd en

- met hoge snelheid over verkeersdrempels en hobbels heeft gereden en

- met hoge snelheid door een bocht heeft gereden (ten gevolge waarvan de banden zijn gaan piepen),

door welke gedragingen van verdachte gevaar op de weg kon worden veroorzaakt en het verkeer op de weg kon worden gehinderd.

Voor zover er in de bewezenverklaarde tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn de fouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, acht de rechtbank niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van 4 jaar.

Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 2 gevorderd dat de rechtbank verdachte schuldig zal verklaren zonder oplegging van straf.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1 en onder 2 ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Hij heeft in dat verband onder meer opgemerkt dat ook de andere inzittenden van de auto verantwoordelijk waren voor het gaan rijden met twee mensen in de bagageruimte en dat het iets willekeurigs heeft dat alleen verdachte voor het ongeval wordt vervolgd; toepassing van artikel 9a Sr is derhalve op zijn plaats.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het betoog van de raadsman ten aanzien van de toepassing van artikel 9a Sr geen stand kan houden nu het verwijt dat verdachte volgens de rechtbank gemaakt moet worden veel verder gaat dan het gaan rijden met de twee latere slachtoffers in de kofferbak. De rechtbank heeft voorts met verbazing kennis genomen van het standpunt van de raadsman dat het unfair is dat alleen verdachte wordt vervolgd en niet ook de andere inzittenden. Het is immers verdachte die als bestuurder de onderhavige keuzes heeft gemaakt.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte, die pas enkele weken voor het ongeval zijn rijbewijs had gehaald, heeft toegestaan dat zes personen bij hem in de auto gingen zitten, waarvan twee in de bagageruimte die daar niet voor bedoeld is. Verdachte heeft als bestuurder van die auto de verantwoordelijkheid genomen voor hun veiligheid. Hij is zich daar onvoldoende van bewust geweest en evenmin heeft hij oog gehad voor de gevolgen van zijn handelen. Immers, bij wijze van grap heeft hij tijdens de rit en ook voorafgaand aan het ongeval een slingerbeweging met het stuur gemaakt. Dit heeft uiteindelijk twee van zijn vrienden, [B] en [A], het leven gekost.

De ouders en familieleden van deze twee jonge mensen is onbeschrijfelijk leed toegebracht en zij zullen altijd met een immens verlies geconfronteerd blijven worden. Het overlijden van [B] en [A] heeft voorts vele andere mensen diep geschokt, niet alleen in de directe omgeving in Wassenaar maar ook daar buiten. Ongevallen als deze, zeker als het gaat om jonge mensen, maken duidelijk hoe gevaarlijk jolig en daarmee overmoedig gedrag in het verkeer is en hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn.

Het aan verdachte verweten aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag en de vreselijke gevolgen die dat gehad heeft, rechtvaardigen op zichzelf een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt er echter rekening mee dat verdachte nog zeer jong is en dat hij zijn leven weer zal moeten oppakken. Hij zal daarbij moeten leren leven met de gedachte dat hij verantwoordelijk is voor de dood van twee vrienden. Ter zitting is duidelijk geworden dat verdachte het er nog steeds heel erg moeilijk mee heeft. Hij wordt nog elke dag aan de dood van zijn vrienden herinnerd en draagt ook het verdriet van hun familie met zich mee.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 juni 2010 waaruit blijkt dat verdachte eenmaal eerder een korte werkstraf heeft gehad voor het rijden op een brommer onder invloed van alcohol. De rechtbank constateert dat verdachte daarvan heeft geleerd, immers van alcoholgebruik was thans geen sprake. Evenmin was verdachte onder invloed van enig ander middel dat de rijvaardigheid zou kunnen beïnvloeden.

De rechtbank acht, gelet het voorgaande, in plaats van een gevangenisstraf, na te melden werkstraf passend en geboden. De rechtbank zal bovendien een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen om verdachte er van te doordringen dat deelname aan het verkeer een grote verantwoordelijkheid met zich brengt.

Ten aanzien van de eveneens bewezenverklaarde gevaarzetting op de weg zal de rechtbank verdachte verder geen straf of maatregel opleggen.

7. De inbeslaggenomen goederen

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voorts dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

(beslaglijst) onder 1 genummerde voorwerp zal worden verbeurdverklaard nu het feit daarmee is gepleegd.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzet zich tegen verbeurdverklaring van het autowrak en is van oordeel dat het een onderzoeksobject betreft en derhalve ter beschikking moet blijven zolang de zaak nog niet onherroepelijk is.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Het wrak van de auto met kenteken [kenteken] is voor verbeurdverklaring vatbaar nu de bewezen verklaarde feiten met deze auto zijn begaan. De vordering zal mitsdien worden toegewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat zolang dit vonnis niet onherroepelijk is, het autowrak ter beschikking blijft voor (eventueel) nader onderzoek.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 9a, 22c, 22d, 33, 33a, 62 van het Wetboek van Strafrecht;

- 5, 6, 175, 177, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

T.a.v. feit 1:

overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

T.a.v. feit 2:

overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte ter zake van feit 1 tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 (tweehonderdveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;

veroordeelt verdachte ter zake van feit 1 voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 jaren;

bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd is geweest bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verdachte ter zake van feit 2:

schuldig zonder oplegging van straf

verklaart verbeurd het op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten het autowrak.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. E.A.G.M. Rens, voorzitter,

E.C.M. Bouman en A.M. Brakel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Heidinga, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2010.

1 Waar in dit vonnis wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van Politie Haaglanden met nummer PL1571/2009/18427. Aangezien het dossier niet is doorgenummerd zal steeds het nummer van het proces-verbaal worden vermeld zoals dat op ieder individueel proces-verbaal is aangegeven, namelijk het algemene nummer gevolgd door een liggend streepje en een twee-cijferig nummer.

2 Proces-verbaal van invordering rijbewijs, PL1571/2009/18427-24.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 23 oktober 2009, PL1571/2009/18427-58.

4 Proces-verbaal Verkeersongevals Analyse, PL1571/2009/18427, p. 4.

5 Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 8 juli 2010.

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 8 juli 2010; verklaring getuige [F] bij de rechter-commissaris op 20 april 2010, onder 12.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige ([G]), PL1571/2009/18427-62.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige ([F]), PL1571/2009/18427-59; verklaring [F] bij de rechter-commissaris op 26 mei 2010, onder 12 en 18.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige ([C]), PL1571/2009/18427-55.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige ([H]), PL1571/2009/18427-20.

11 Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 8 juli 2010.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 23 oktober 2009, PL1571/2009/18427-58.

13 Schriftelijk stuk inhoudende Verslag betreffende een niet natuurlijke dood betreffende [A] d.d. 4 oktober 2009 en Verslag betreffende een niet natuurlijke dood betreffende [B] d.d. 4 oktober 2009.

14 Proces-verbaal Verkeersongevals Analyse, PL1571/2009/18427, fotoblad 18, 19 en 24

15 Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 8 juli 2010.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 4 oktober 2009, PL1571/2009/18427-25.

17 Verklaring getuige [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris d.d. 31 maart 2010, onder 11.

18 Verklaring getuige [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris d.d. 31 maart 2010, onder 10-11 en 17.

19 Verklaring getuige [I] bij de rechter-commissaris d.d. 30 maart 2010, onder 16.

20 Verklaring getuige [F] bij de rechter-commissaris d.d. 20 april 2010, onder 10 en 22.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [F], PL1571/2009/18427-59, tweede pagina, vierde alinea.

22 Proces-verbaal Verkeersongevals Analyse PL1571/2009/18427 fotobladen 17,18,19,21,22 en 23.

23 Proces-verbaal Verkeersongevals Analyse, PL1571/2009/18427, p. 5.

24 Proces-verbaal Verkeersongevals Analyse, PL1571/2009/18427, p. 4.

25 Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 8 juli 2010.