Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2040

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
354270 / FT-RK 09-2898
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdsduur tot stand brengen minnelijke regeling WSNP. Inspanningsplicht schuldhulpverlenende instelling. Vanaf de datum dat het toelatingsverzoek WSNP is ingediend en de (tweede) zitting zijn 210 dagen verstreken. In die periode hebben met betrekking tot een minnelijke regeling twee activiteiten plaatsgevonden, te weten een verzoek om saldo-opgave en circa drie maanden later een rappel aan de schuldeisers die nog niet hadden gereageerd. Er is onvoldoende inspanning gepleegd om tot een minnelijke regeling te komen. Toelatingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening 2010/230 met annotatie van mr. G.H. Lankhorst
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rekestnummer: 354270/FT-RK 09-2898

uitspraakdatum: 20 juli 2010

RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

[verzoekster],

wonende te [adres],

[postcode & woonplaats]

verzoekster,

heeft op 1 december 2009 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en daarbij tevens verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening is op 15 januari 2010 ter zitting behandeld.

De rechtbank heeft op 15 januari 2010 een voorlopige voorziening getroffen, welke per 15 april 2010 door tijdsverloop is komen vervallen. Bij de voorlopige voorziening is bepaald dat op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling bij afzonderlijk vonnis zal worden beslist.

Wat betreft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling overweegt de rechtbank thans als volgt.

Uit de stukken blijkt het volgende.

Verzoekster heeft zich op 2 november 2009 bij de schuldhulpverlening van [woonplaats] aangemeld.

Op 1 december 2009 is vervolgens het toelatingsverzoek ingediend, vergezeld van een zogenoemde art. 285 Fw-verklaring, ondertekend door verzoekster en Daniels&Dekkers Schuldhulpverlening namens [woonplaats] (hierna: de schuldhulpverlenende instelling). In de art. 285-verklaring staat vermeld: 'Minnelijk traject gestart? Nee, reden: afsluiting water'.

Op 5 en 7 januari 2010 heeft door de schuldhulpverlenende instelling een check plaatsgevonden bij de Belastingdienst, waaruit is gebleken dat er geen fiscale vorderingen meer openstaan. Tevens heeft op 7 januari 2010 een gesprek met verzoekster plaatsgevonden.

De rechtbank heeft bepaald dat op 30 maart 2010 de behandeling ter zitting van het toelatingsverzoek zou plaatsvinden.

Op 25 maart 2010 heeft de schuldhulpverlenende instelling zich tot de rechtbank gewend met de mededeling dat op 23 maart 2010 aan de schuldeisers om saldo-opgave is verzocht.

De rechtbank heeft daarop de behandeling ter zitting aangehouden tot 29 juni 2010.

Op 22 juni 2010 heeft de schuldhulpverlenende instelling - desverzocht - het volgende aan de rechtbank laten weten:

- Meer dan de helft van de schuldeisers heeft inmiddels gereageerd op het eerste verzoek om een saldo-opgave. De resterende schuldeisers worden vandaag - de rechtbank begrijpt: op 22 juni 2010 - gerappelleerd.

- Er zijn recentelijk belastingsaanslagen over voorgaande jaren bij verzoekster binnengekomen die verzoekster nog niet eerder had gemeld. Deze nagekomen vorderingen zorgen uiteraard weer voor vertraging van het traject.

- Op dit moment is het nog te vroeg om te kunnen bepalen of er een geslaagde schuldregeling tot stand zal komen.

rekestnummer: 354270/FT-RK 09-2898

Op 28 juni 2010 heeft de schuldhulpverlenende instelling nog een faxbericht aan de rechtbank gezonden , waarin wordt medegedeeld: "(...) dat het minnelijk traject nog niet is afgerond en de zittingsdatum voor de WSNP kan worden verschoven naar een datum in de toekomst".

Ter zitting van 29 juni 2010 is niemand verschenen.

De rechtbank stelt vast dat er vanaf de datum dat verzoekster haar toelatingsverzoek heeft ingediend, te weten 1 december 2009, en de zitting van 29 juni 2010, 210 dagen zijn verstreken. Voor zover voor de rechtbank aan de hand van de stukken valt na te gaan, hebben in die periode met betrekking tot de minnelijke regeling twee activiteiten plaatsgevonden, te weten: (1) een verzoek om saldo-opgave op 23 maart 2010 en (2) een rappel aan de schuldeisers die nog niet hadden gereageerd op 22 juni 2010. Beide activiteiten hebben plaatsgevonden in een week waarin de rechtbank een zitting had gepland. De eerste zitting is aangehouden; op de tweede zitting is niemand verschenen, kennelijk omdat de schuldhulpverlenende instelling van mening was dat die datum 'kan worden verschoven naar een datum in de toekomst.'

De rechtbank is van oordeel dat uit het beschreven tijdsverloop, de in de verstreken periode ondernomen activiteiten en de tijdstippen waarop die activiteiten hebben plaatsgevonden, namelijk telkens in een week dat er een zitting gepland stond, volgt dat het verzoek thans moet worden afgewezen.

Het komt de rechtbank namelijk voor dat verzoekster, dan wel, ten behoeve van verzoekster, de schuldhulpverlenende instelling, zich onvoldoende heeft ingespannen om met alle schuldeisers tot een regeling van de schulden te komen en dat ook overigens de vraag gesteld kan worden in hoeverre verzoekster daadwerkelijk aanstuurt op een schuldregeling of dat het haar er in de omstandigheden van november/december 2009 slechts om te doen is geweest een voorlopige voorziening uit te lokken met het doel om de toen bestaande crisissituatie onder controle te brengen.

De rechtbank verwijst voor wat betreft de inspanningen die de schuldhulpverlenende instelling moet leveren naar de Gedragscode Schuldregeling van de NVVK (hierna: de gedragscode), welke voor de schuldhulpverlenende instelling blijkens artikel 11.1 van die Gedragscode bindend is. De gedragscode gaat er - blijkens de daarbij behorende toelichting - onder meer van uit dat binnen 120 dagen na ondertekening van de overeenkomst tot schuldregeling duidelijk moet worden of een schuldregeling voor de schuldenaar kan worden opgezet. Hoewel de stukken in de thans voorliggende zaak niet duidelijk maken op welke datum er sprake was van een ondertekende overeenkomst tot schuldregeling, houdt de rechtbank het er op basis van de beschikbare gegevens op dat deze op of omstreeks 3 december 2009 tot stand moet zijn gekomen. Voorts bevat artikel 5.4 van de gedragscode een regeling voor het geval een schuldeiser niet reageert op een verzoek tot saldo-opgave. Om te voorkomen dat de schuldhulpverlenende instelling nodeloos lang op de reactie van een schuldeiser moet wachten, zijn termijnen gesteld ten aanzien van de periode waarbinnen de schuldeiser dient te reageren. Reageert deze niet binnen de gestelde termijnen, dan wordt de vordering op basis van de gegevens van de schuldenaar geschat of geschrapt. In de nu voorliggende zaak lijkt aan deze bepalingen niet de hand te zijn gehouden. Nadat op 1 december 2009 het verzoek bij de rechtbank was ingediend en pas op 23 maart 2010 (meer dan drie maanden later) om saldo-opgave is verzocht, is immers niet eerder dan op 22 juni 2010 (dat wil zeggen wederom drie maanden later) voor de eerste keer gerappelleerd. De gehanteerde termijnen verhouden zich geenszins tot de in de gedragscode opgenomen 120-dagen-termijn en geven er ook overigens verder geen blijk van dat vorderingen ook geschat of geschrapt kunnen worden.

Zonder nadere toelichting van de kant van verzoekster dan wel de schuldhulpverlenende instelling, die niet is gegeven, is de rechtbank van oordeel dat het handelen dan wel nalaten van de schuldhulpverlenende instelling voor rekening en risico van verzoekster dient te blijven.

Langer aanhouden van een beslissing op het voorliggende verzoek, waarvan de schuldhulpverlenende instelling blijkens het faxbericht van 28 juni 2010 kennelijk zonder meer uitgaat, heeft naar het oordeel van de rechtbank geen enkele zin en dient noch de belangen van verzoekster, noch die van de schuldeisers. Er is immers geen enkel zicht op de termijn waarop uitsluitsel zal kunnen worden gegeven over de vraag of een minnelijke regeling tot stand is gebracht dan wel wanneer de in art. 285 lid 1 onder f Fw bedoelde met redenen omklede verklaring kan worden afgegeven. Het verzoek was aldus ook nog op 29 juni 2010, de zittingsdatum, onvoldoende met redenen omkleed. Daarbij komt nog dat er inmiddels sprake is van nieuwe belastingschulden.

Ter voorlichting van verzoekster merkt de rechtbank nog op dat zij opnieuw een verzoek kan doen om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe is dan wel vereist dat er, als er geen minnelijke regeling tot stand gekomen is, door of namens het college van burgemeester en wethouders

van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van verzoekster tegelijk met het verzoekschrift een met reden omklede verklaring wordt ingediend waaruit blijkt dat verzoekster tevergeefs poging(en) heeft ondernomen om met haar schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen en dat uit die poging(en) is gebleken dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot zo een regeling te komen.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient thans te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van:

[verzoekster],

wonende te [adres],

[postcode & woonplaats].

Gewezen door mr. D.R. van der Meer, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2010 in tegenwoordigheid van S.W.H. Bootsma, griffier.

De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat en procureur worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.

LS32