Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN1347

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
336416 - FA RK 09-3340
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De man heeft verzocht de verzoeken van de vrouw af te wijzen. Ondanks dat de vrouw geen ouderschapsplan heeft overgelegd wordt zij toch ontvankelijk verklaard in haar verzoek, aangezien de man een ouderschapsplan heeft overgelegd waarmee de vrouw heeft ingestemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 09-3340

Zaaknummer: 336416

Datum beschikking: 3 mei 2010

Scheiding

Beschikking op het op 23 april 2009 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

wonende te [plaats A],

advocaat: mr. A.M. Beuwer te Utrecht.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

wonende te [plaats B],

advocaat: mr. J.W. Bogaardt te Wassenaar.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift tot echtscheiding, met een nevenvoorziening;

- de brief van 22 mei 2009 van de zijde van de vrouw, inhoudende een wijziging petitum verzoek tot scheiding van tafel en bed;

- de brief van 2 juni 2009 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- de brief van 2 november 2009 van de zijde van de vrouw, inhoudende een aanvulling van het verzoekschrift, met als bijlage een faxbericht van 29 juni 2009 van Bureau Jeugdzorg Haaglanden met als onderwerp "Bevestiging afspraken tbv ouderplan".

Op 9 november 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en een tolk, de heer A. Daghmani, en de man met zijn advocaat. Namens de raad voor de kinderbescherming is verschenen mevrouw I. Simons.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het faxbericht van 17 december 2009 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht van 18 januari 2010 van de zijde van de vrouw;

- de brief van 29 januari 2010 van de zijde van de man, met als bijlage het door man ondertekende ouderschapsplan;

- de brief van 11 februari 2010 van de zijde van de vrouw;

- de brief van 11 februari 2010 van de zijde van de man met bijlagen.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt thans tot scheiding van tafel en bed, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarig kinderen bij de vrouw;

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de minderjarige kinderen, in die zin dat de minderjarige kinderen gedurende één weekend per twee weken, van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag, waarbij de man de kinderen haalt en brengt. De kosten van het halen en brengen zullen geheel voor rekening van de man komen. De vakanties zullen bij helfte worden gedeeld, één en ander in onderling overleg tussen de ouders. Op feestdagen gaan de ouders samen naar de kerkdienst. Na afloop gaan de kinderen mee met de ouder waar zij op dat moment verblijven ingevolge de omgangsregeling; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man heeft verzocht het verzoek van de vrouw tot scheiding van tafel en bed af te wijzen. Tevens heeft de man zelfstandig verzocht: kosten rechtens.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2002 te [plaats C] (Egypte).

- Uit dit huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige A], geboren op [geboortedatum] te [plaats B],

- [minderjarige B], geboren op [geboortedatum] te [plaats B].

- De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw.

- Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de minderjarigen uit.

- De man heeft de Nederlandse en de Egyptische nationaliteit en de vrouw heeft de Egyptische nationaliteit.

- Bij beschikking van 5 augustus 2008 van deze rechtbank zijn de voornoemde minderjarigen onder toezicht gesteld van Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, welke steeds jaarlijks is verlengd, laatstelijk tot 5 augustus 2010. Bij de laatste beschikking is Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Leidschendam-Voorburg, vervangen door Stichting Bureau Jeugdzorg Haarlem.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 815 lid 2 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv.) dient een verzoekschrift tot scheiding van tafel en bed een ouderschapsplan te bevatten. De vrouw heeft bij haar verzoekschrift geen ouderschapsplan gevoegd.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot scheiding van tafel en bed aangehouden voor een termijn van zes weken teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een ouderschapsplan dat voldoet aan de eisen van artikel 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in het geding te brengen. De rechtbank heeft partijen bij brief van 19 november 2009 verzocht het ouderschapsplan vóór het verstrijken van voormelde termijn te sturen. Na een gesprek tussen partijen, de advocaten en de gezinsvoogd, heeft de man de rechtbank een door hem op 29 januari 2010 ondertekend ouderschapsplan doen toekomen. De vrouw heeft vervolgens medegedeeld dat zij zich met dit ouderschapsplan kan verenigen met uitzondering van de bepalingen ad 2 (zorgregeling) en ad 3 sub B., H. en I (onderdelen betreffende het contact en de informatie uitwisseling). De man heeft vervolgens zijn zienswijze ter zake aan de rechtbank uiteengezet. Uit deze reacties volgt dat partijen het eens zijn over het ouderschapsplan, met uitzondering van het bepaalde ad 2 ten aanzien van de reiskosten en het bepaalde ad 3 sub B. H. en I.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het ouderschapsplan dat door de man is overgelegd voor zover de vrouw zich hiermee kan verenigen en in samenhang bezien met de reactie van de man op de zienswijze van de vrouw aan de eisen die het bepaalde in artikel 815 lid 3 Rv aan een ouderschapsplan stelt. In het betreffende ouderschapsplan zijn concrete afspraken opgenomen over, kort gezegd, de wijze waarop de echtgenoten de zorg- en opvoedingstaken verdelen, de wijze waarop zij elkaar informatie verschaffen en raadplegen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen en de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. Tevens is gebleken op welke wijze de [minderjarige A] bij het opstellen van het ouderschapsplan is betrokken. Dat de man en de vrouw niet op alle punten overeenstemming hebben kunnen bereiken, doet aan het vorenstaande niet af. De vrouw zal derhalve worden ontvangen in haar verzoek. Het vorenstaande impliceert ook dat partijen zich aan dit ouderschapsplan dienen te houden, met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen en beslist.

Scheiding van tafel en bed

Rechtsmacht

Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot scheiding van tafel en bed rechtsmacht toe.

Toepasselijk recht

Nu de vrouw onweersproken een keuze voor het Nederlandse recht heeft gedaan, zal de rechtbank krachtens artikel 1, lid 4, van de Wet van 25 maart 1981, houdende regeling van het conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed en de erkenning daarvan, Nederlands recht op het verzoek tot scheiding van tafel en bed toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.

De man heeft de door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk aanvankelijk betwist. Ter terechtzitting heeft hij zich ten aanzien van de duurzame ontwrichting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de omstandigheid dat de vrouw ter terechtzitting haar verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft gehandhaafd, sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw derhalve als op de wet gegrond toewijzen.

Hoofdverblijfplaats van de minderjarigen

Nu de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de vrouw de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar te bepalen.

Nu niet gebleken is dat de belangen van de minderjarigen zich hiertegen verzetten, zal de rechtbank het verzochte als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (ofwel: de zorgregeling)

De gevraagde voorziening betreffende de zorgregeling is niet ingetrokken, noch hebben partijen de rechtbank verzocht om aanhechting van het ouderschapsplan aan deze beschikking. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook belang bij haar verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.

Tussen partijen is niet in geschil dat de minderjarigen elke maand drie weekenden bij de man zijn en één weekend bij de vrouw, te weten van vrijdagmiddag na school tot zondagmiddag. Daarbij is door de vrouw als voorwaarde gesteld dat de man opvoedingsondersteuning via de gezinsvoogd accepteert. De man heeft te kennen gegeven dat hij dit accepteert. De rechtbank gaat er van uit dat de man zich aan zijn toezegging zal houden.

Ten aanzien van het halen en brengen van de minderjarigen zijn partijen blijkens het op dit onderdeel niet in geschil zijnde door de man ondertekende ouderschapsplan overeengekomen dat zij hierover zelf afspraken maken.

Partijen zijn voorts overeengekomen dat de helft van de vakanties tussen hen zullen worden verdeeld, in onderling overleg te bepalen, en voor de feestdagen geldt dat partijen samen met de kinderen naar de kerkdienst gaan en dat zij na afloop meegaan met de ouder waar zij op dat moment verblijven.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande beslissen zoals hierna in het dictum geformuleerd. De genoemde overige afspraken tussen partijen betreffende de uitvoering van de zorgregeling lenen zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor opname in het dictum.

Partijen verschillen van mening over de vraag voor wiens rekening de reiskosten in verband met de zorgregeling dienen te komen. Partijen hebben in een op 18 juni 2009 gevoerd overleg met Bureau Jeugdzorg afgesproken dat de vrouw € 100,-- per kwartaal aan de man zal betalen in verband met door de man te maken reiskosten ter uitvoering van de toen, en ook thans afgesproken zorgregeling.

De vrouw stelt dat zij niet in staat is om voornoemd bedrag aan de man te voldoen, aangezien zij met de minderjarigen moet rondkomen van een WWB-uitkering, zij alle kosten van de minderjarigen voldoet, waaronder de kinderopvang en de overblijfkosten, zij schulden moet aflossen en de man geen financiële bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen levert. De man heeft betoogd dat zijn WAO-inkomen is gewijzigd doordat de toeslag op zijn inkomen met 10 % is verminderd en daarnaast voldoet hij gedurende de zorgregeling de kosten van de minderjarigen. De man persisteert bij zijn voorstel dat een bijdrage van € 100,-- per kwartaal voor de vrouw mogelijk moet zijn, waarbij hij erop wijst dat de vrouw ook de kinderbijslag ontvangt.

Bij gebrek aan financiële informatie houdt de rechtbank het ervoor dat de inkomens van partijen ongeveer gelijk zijn en dat zij in gelijke financiële omstandigheden verkeren. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk dat zij de reiskosten die gemoeid zijn met de uitvoering van de zorgregeling bij helfte delen. De rechtbank zal aldus beslissen.

Nu de rechtbank geen verzoeken ter beoordeling voorliggen met betrekking tot de informatie- en contactregeling in het ouderschapsplan en de geschilpunten tussen partijen in dit verband betreffende de bepalingen ad 3 sub B. H. en I. in het ouderschapsplan zal de rechtbank op deze geschilpunten verder niet ingaan.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de scheiding van tafel en bed tussen: [de man], en [de vrouw], gehuwd op [datum] 2002 te [plaats C] (Egypte);

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige A], geboren op [geboortedatum] te [plaats B],

- [minderjarige B], geboren op [geboortedatum] te [plaats B];

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

bepaalt dat voornoemde minderjarigen bij de man zullen zijn:

- drie weekenden per maand, weekenden en halen en brengen van de minderjarigen in onderling overleg tussen partijen te bepalen;

- de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg tussen partijen te bepalen, waarbij partijen gemaakte reiskosten in verband met de uitvoering van deze zorgregeling bij helfte dienen te delen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. E.N.A. Wooning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 mei 2010.