Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN1330

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
301823 - FA RK 07-7860
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling geboortegegevens - verklaring voor recht dat Thaise rechterlijke uitspraak kan worden gelijkgesteld met een beslissing waarbij de man vervangende toestemming heeft verkregen tot erkenning van het kind als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 07-7860

Zaaknummer: 301823

Datum beschikking: 21 juni 2010

Beschikking op het op 31 december 2007 ingekomen verzoekschrift van:

[de man],

wonende te [plaats 1],

advocaat: mr. C.F. Wassenaar te Rotterdam.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente te 's-Gravenhage,

zetelend te 's-Gravenhage,

hierna: de ambtenaar

en

[het kind], geboren op [geboortedatum] te Thailand,

in rechte vertegenwoordig door mr. A.J. van Steensel,

advocaat te 's-Gravenhage,

in de hoedanigheid van bijzonder curator.

Procedure

Bij beschikking van 3 november 2008 van deze rechtbank en kamer is - voor zover van belang - de behandeling van de verzoeken van de man aangehouden om de man in de gelegenheid te stellen om stukken in het geding te brengen en de bijzonder curator in de gelegenheid te stellen om verweer te voeren.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- de brief met bijlagen d.d. 18 november 2008 van de zijde van de man;

- de brief met bijlagen d.d. 29 januari 2009 van de zijde van de man;

- de brief met bijlage d.d. 27 februari 2009 van de ambtenaar;

- het verweerschrift van de bijzonder curator;

- de brief d.d. 12 mei 2009 van de zijde van de man;

- de brief met bijlagen d.d. 18 november 2009 van de zijde van de man;

- het faxbericht met bijlagen d.d. 1 december 2009 van de zijde van de man.

Op 8 december 2009 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

- de man en zijn advocaat;

- de ambtenaar in de personen van de heer A.R. Baptiste en mevrouw L.I. Holtus;

- de bijzonder curator.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brief met bijlagen d.d. 2 april 2010 van de zijde van de man.

Aanvulling feiten

Na afgifte van voormelde beschikking d.d. 3 november 2008 zijn - voor zover thans van belang - nog de volgende bescheiden overgelegd:

- een stuk gedateerd 22 augustus 2001 afgegeven door de Local Registrar van het Na Dee District te Thailand waaruit blijkt dat [mevrouw A] toestemming heeft gekregen om haar voornaam te wijzigen in "[voornaam B]";

- een stuk genaamd "Certificate of Death" waaruit blijkt dat [mevrouw A] is overleden op [datum] 2006 in het [ziekenhuis] te Thailand;

- de Nederlandse vertaling van de Thaise uitspraak van de rechtbank van de provincie Prachin Buri voor kinder- en familiezaken d.d. 8 februari 2007 met zwart zaaknummer Phor. 41/2549 en rood zaaknummer Phor. 8/2550, waarbij aan de man toestemming wordt verleend om het kind te laten registreren als zijn wettige dochter.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Het primaire verzoek.

De man heeft de rechtbank primair verzocht voor recht te verklaren dat de Thaise geboorteakte van het kind is opgemaakt conform de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand. Tevens heeft de man verzocht inschrijving van deze geboorteakte te gelasten.

De rechtbank heeft in haar tussenbeschikking d.d. 3 november 2008 (rechtsoverweging 7) reeds geoordeeld dat erkenning van de Thaise geboorteakte van het kind, voor zover het de vermelding van de man als de vader van het kind betreft, in beginsel in strijd is met de Nederlandse openbare orde als bedoeld in artikel 10 lid 1 juncto artikel 9 lid 1, aanhef en onder c, van de Wet conflictenrecht afstamming (WCA). Zoals in voornoemde beschikking reeds is overwogen, geldt immers naar Thais recht dat de op de geboorteakte vermelde vader van een kind niet noodzakelijkerwijs de juridische vader van een kind hoeft te zijn. Door de vermelding van de man als vader op de geboorteakte staat derhalve niet vast dat hij de juridische vader van het kind is, hetgeen in strijd is met het Nederlandse rechtssysteem. Immers, in Nederland is de op de geboorteakte vermelde vader van het kind wel de juridische vader. De ambtenaar heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat, zelfs indien door middel van de aanvullingen zoals genoemd in rechtsoverweging 8 van voormelde beschikking zou worden aangetoond dat de man later op enig moment juridisch vader van het kind is geworden, dit de strijdigheid met de Nederlandse openbare orde niet opheft, aangezien dit niet in de geboorteakte is terug te zien. De Thaise geboorteakte suggereert bovendien dat het kind staande huwelijk van de ouders is geboren, terwijl van een huwelijk geen sprake is geweest. Zulks acht de ambtenaar strijdig met de Nederlandse openbare orde. Tot slot heeft de ambtenaar opgemerkt dat uit de akte bovendien de oorspronkelijke geboortegegevens van het kind niet blijken. Ook dit acht de ambtenaar in strijd met de Nederlandse openbare orde. De ambtenaar heeft in dit verband betoogd dat naar Nederlands recht akten in de burgerlijke stand de volledige historie van een persoon in chronologische volgorde dienen weer te geven. Derhalve dienen in een geboorteakte de geboortegegevens van een kind te worden opgenomen zoals deze luidden op het moment van de geboorte, en dienen latere wijzigingen (zoals naamswijzigingen, een erkenning etc.) afzonderlijk te worden toegevoegd. Dit is volgens de ambtenaar ook in lijn met artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (Trb. 1990, 170) dat verlangt dat voor een kind zijn afstammingshistorie kenbaar is. De huidige geboorteakte van het kind voldoet niet aan deze criteria nu de akte geen chronologisch overzicht geeft van de oorspronkelijke gegevens van het kind en de latere wijzigingen, aldus de ambtenaar.

De bijzonder curator heeft in dit kader nog verwezen naar artikel 3 van de Overeenkomst van Rome van 10 september 1970 (Trb. 1972,61) waarin is bepaald dat de geldigheid van een wettiging overeenkomstig de bepalingen van intern recht van de nationale wet van de vader of de moeder niet mag worden ontkend, zelfs niet met een beroep op de openbare orde.

De rechtbank overweegt ter zake dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat sprake is geweest van een wettiging naar Thais recht. Gelet hierop kan niet met een beroep op artikel 3 van de Overeenkomst van Rome worden voorbijgegaan aan de strijdigheid van de Thaise geboorteakte van het kind met de Nederlandse openbare orde. De rechtbank is met de ambtenaar van oordeel dat nu niet vaststaat dat de man ten tijde van de geboorte van het kind de juridische vader van het kind was, zowel de vermelding van de man in de geboorteakte als de vader van het kind, als het feit dat de geboorteakte geen chronologisch overzicht bevat van de oorspronkelijke gegevens van het kind en de latere wijzigingen, maken dat de geboorteakte in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Nu niet is gebleken van omstandigheden die rechtvaardigen dat voorbij dient te worden gegaan aan het beroep op de openbare orde, zal de rechtbank het primaire verzoek van de man afwijzen.

Het subsidiaire verzoek

Subsidiair heeft de man de rechtbank verzocht te bepalen dat er in Thailand een procedure is gevoerd die overeenkomt met het bepaalde in artikel 1:204 lid 3 BW en te gelasten dat de Thaise rechterlijke uitspraak die is gevolgd op deze procedure wordt ingeschreven. De bijzonder curator heeft dit verzoek namens het kind overgenomen. De ambtenaar heeft zich ten aanzien van het eerste deel van dit verzoek gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Volgens de ambtenaar kan de verzochte last tot inschrijving van de Thaise uitspraak echter niet worden toegewezen. De ambtenaar heeft hiertoe aangevoerd dat de wet voorschrijft welke akten en latere vermeldingen binnen de registers van de burgerlijke stand bestaan. Inschrijving van een akte of latere vermelding betreffende een rechterlijke uitspraak inzake toestemming tot erkenning valt hier niet onder, aldus de ambtenaar.

De rechtbank zal thans bezien of de Thaise uitspraak van de rechtbank van de provincie Prachin Buri voor kinder- en familiezaken d.d. 8 februari 2007 met zwart zaaknummer Phor. 41/2549 en rood zaaknummer Phor. 8/2550 kan worden gelijkgesteld met een beslissing waarbij de man vervangende toestemming heeft verkregen tot erkenning van het kind als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW.

Ingevolge artikel 1:204 lid 3 BW kan de rechtbank de vereiste schriftelijke toestemming tot erkenning van de moeder op verzoek van de man die het kind wil erkennen vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind.

Uit voormelde Thaise uitspraak d.d. 8 februari 2007 blijkt dat de Thaise rechter heeft vastgesteld dat de man de Nederlandse nationaliteit heeft en dat in dat geval de wettelijke erkenning van een kind geschiedt volgens Nederlands recht dat bepaalt dat de vader het kind kan erkennen (in de uitspraak wordt hierbij verwezen naar de Engelse vertaling van artikel 1:204 BW). De Thaise rechter heeft vervolgens vastgesteld dat uit het bijgevoegde rapport van het onderzoek ter vaststelling van het ouderschap blijkt dat de man de (biologische) vader is van het kind. De Thaise rechter heeft vervolgens beslist om de man toestemming te verlenen "to proceed with the registration of the legitimation of the minor [het kind]".

Nu de Thaise rechtbank met zoveel woorden heeft aangegeven dat zij Nederlands recht heeft toegepast, heeft vastgesteld dat de moeder is overleden en dat de man de verwekker is van het kind, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de Thaise uitspraak d.d. 8 februari 2007 gelijkgesteld kan worden met de vervangende rechterlijke toestemming tot erkenning als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW. Het eerste deel van het subsidiaire verzoek van de man kan aldus worden toegewezen.

Nu een rechterlijke uitspraak inzake toestemming tot erkenning niet in aanmerking komt voor inschrijving in de registers van de burgerlijke stand, zal de rechtbank het hiertoe strekkende verzoek van de man afwijzen.

De rechtbank merkt echter op dat de man zich op grond van het voorgaande tot de ambtenaar van de burgerlijke stand kan wenden met het verzoek een akte van erkenning van het kind op te maken en een keuze betreffende de geslachtsnaam van het kind te maken.

Aanvulling verzoek

De man heeft zijn verzoek ter terechtzitting aangevuld met een verzoek tot het vaststellen van de geboortegegevens van het kind op grond van artikel 1:25c van het Burgerlijk Wetboek (BW).

De ambtenaar heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen dit verzoek zolang de oorspronkelijke namen en de oorspronkelijke afstamming uit de geboortegegevens zullen blijken.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde geboorteakte blijkt - onder meer - dat het kind met de voornaam [voornaam kind] is geboren op [geboortedatum] te [plaats B] (Thailand), als dochter van de moeder [mevrouw A]. Nu deze geboortegegevens niet ter discussie staan, kunnen deze door de rechtbank worden vastgesteld. Hierbij zij opgemerkt dat de moeder haar voornaam na de geboorte van het kind heeft gewijzigd van "[voornaam A]" in "[voornaam B]".

Op de geboorteakte van het kind staat de man als vader vermeld. Nu de man bij de geboorte van het kind niet de status van juridische vader van het kind had, kunnen de gegevens van de man niet als oorspronkelijke oudergegevens worden vastgesteld.

Voorts bestaat er geen eenduidigheid over de oorspronkelijke geslachtsnaam van het kind. In de overgelegde geboorteakte is de geslachtsnaam [geslachtsnaam A] doorgestreept en vervolgens de geslachtsnaam [geslachtsnaam B] (zijnde de geslachtsnaam van de man) ingevuld. De man heeft onweersproken verklaard dat er in eerste instantie sprake is geweest van een vergissing bij het opmaken van de geboorteakte van het kind waarbij abusievelijk het adres van de man is verwisseld met zijn geslachtsnaam. Nu zowel de naam [geslachtsnaam A] als de naam [geslachtsnaam B] derhalve verwijzen naar de man, kunnen beide namen niet als oorspronkelijke geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld, nu de man op het moment van geboorte van het kind niet aangemerkt kon worden als juridische vader. Nu evenmin duidelijk is of het kind de geslachtsnaam naar Thais recht kon ontlenen aan haar moeder, zal de rechtbank geen geslachtsnaam vaststellen. De rechtbank zal de geboortegegevens van het kind derhalve vaststellen als na te melden.

De rechtbank merkt op dat de ambtenaar van de latere naamswijziging van de moeder ambtshalve een latere vermelding aan de geboorteakte van het kind kan toevoegen. Ook van de erkenning en de keuze voor de geslachtsnaam kunnen latere vermeldingen aan de geboorteakte van het kind worden toegevoegd.

Beslissing

De rechtbank:

*

stelt van het kind de volgende geboortegegevens vast:

geslachtsnaam : -

voornaam : [voornaam]

geboortedatum : [geboortedatum]

geboorteplaats : [plaats B]

geboorteland: : Thailand

geslacht : vrouwelijk

geslachtsnaam vader : -

voornaam vader : -

geslachtsnaam moeder : [geslachtsnaam C]

voornaam moeder : [voornaam A]

*

verklaart voor recht dat de Thaise uitspraak van de rechtbank van de provincie Prachin Buri voor kinder- en familiezaken d.d. 8 februari 2007 met zwart zaaknummer Phor. 41/2549 en rood zaaknummer Phor. 8/2550 kan worden gelijkgesteld met een beslissing waarbij de man vervangende toestemming heeft verkregen tot erkenning van het kind als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F.J. Verbeek, J.M. van Baardewijk en B. Meijer, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2010.