Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN1286

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
FA RK 09-8251 / 349106
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om echtscheiding met nevenvoorzieningen. In geschil zijn met name de partneralimentatie voor de man en de de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Met betrekking tot de afwikkeling huwelijkse voorwaarden staat de vraag centraal of de onderhandse verkoop van de echtelijke woning door de ouders van de man een schenking aan alleen de man of aan het hele gezin betrof. De zaak wordt pro forma aangehouden om de man in de gelegenheid te stellen deze stelling te bewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 09-8251

Zaaknummer: 349106

Datum beschikking: 21 mei 2010

Scheiding

Beschikking op het op 2 oktober 2009 ingekomen verzoek van:

[de man],

wonende te [plaats 1],

advocaat: mr. M.G. Bannenberg te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

wonende te [plaats 1],

advocaat: mr. M.K. de Menthon-Bake te 's-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoekschrift;

- het faxbericht d.d. 12 april 2010 van de zijde van de man;

- de brieven d.d. 12 april 2010, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het verweer tegen het aanvullend verzoekschrift;

- de brief d.d. 12 april 2010, met bijlagen, van de zijde van de vrouw

- het faxbericht d.d. 20 april 2010 met bijlage van de zijde van de vrouw.

De minderjarige heeft schriftelijk zijn mening kenbaar gemaakt.

Op 23 april 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen ieder met hun advocaat. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brief d.d. 29 april 2010 van de zijde van de man;

- het faxbericht d.d. 17 mei 2010 van de zijde van de vrouw.

Verzoek en verweer

De man verzoekt thans, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:

a) tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

b) ten laste van de vrouw te bepalen dat aan de man bij vooruitbetaling dient te worden voldaan, een bijdrage in zijn levensonderhoud van € 4.000,- per maand;

c) ten laste van de man te bepalen dat - maandelijks - op de gezamenlijke kinderrekening een bedrag van € 200,- dient te worden gestort en ten laste van de vrouw te bepalen dat - eveneens maandelijks - een bedrag van € 580,- dient te worden gestort, een en ander ter bestrijding van de verdere kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige;

d) vast te leggen dat de minderjarige recht heeft op een gelijkwaardige verzorging door beide ouders en dat de ouders elkaar op de hoogte houden van belangrijke gebeurtenissen in het leven van het kind en het contact dan wel omgang met de andere ouder bevorderen;

e) vast te leggen dat de ouders belangrijke beslissingen in het leven van het kind - zodra het belang van de minderjarige dit vereist - zoveel mogelijk in gezamenlijk overleg nemen;

f) vast te stellen dat de verblijfplaats van de minderjarige deels bij de vrouw en deels bij de man zal zijn gelegen (co-ouderschap);

g) te verklaren voor recht dat bij de afwikkeling van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden van de verkoopopbrengst aan de man toekomt een bedrag van € 196.722,50 en aan de vrouw een bedrag van € 83.277,50, althans te bepalen dat een bedrag van € 113.445,- buiten de afrekening blijft bij het afwikkelen van de huwelijkse voorwaarden;

h) te gelasten de wijze van verdeling/verrekening op basis van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden die de rechtbank juist acht, na voorstellen daartoe van de respectieve partijen.

De vrouw voert - onder referte voor het overige - verweer tegen het door de man onder b, c, f, g en h verzochte, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. Ten aanzien van de verzochte partneralimentatie stelt de vrouw zich op het standpunt dat dit verzoek dient te worden afgewezen:

- primair vanwege het ontbreken van behoeftigheid aan de zijde van de man;

- subsidiair vanwege het ontbreken van behoefte aan zijde van de man;

- meer subsidiair vanwege het ontbreken van draagkracht aan de zijde van de vrouw;

- uiterst subsidiair, indien en voor zover in rechte komt vast te staan dat de man behoefte heeft aan een uitkering tot levensonderhoud ten laste van de vrouw en de vrouw daartoe voldoende draagkracht heeft, te bepalen dat de aan de man toe te kennen uitkering tot levensonderhoud ten laste van de vrouw eindigt met ingang van 1 januari 2011, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum.

Tevens heeft de vrouw zelfstandig verzocht te bepalen dat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:

1) de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;

2) de minderjarige om de week bij de man zal verblijven van woensdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen regeling;

3) de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap vast te stellen, aldus dat aan ieder van partijen de helft van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning toekomt;

4) tenzij komt vast te staan dat het vermogen van één van partijen of beide partijen per saldo negatief is, de afrekening van de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden vast te stellen met inachtneming van de stellingen van de vrouw.

De man voert verweer tegen het door de vrouw verzochte, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 1992 te [plaats 1].

- Uit dit huwelijk is het thans nog minderjarige kind geboren:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats 2].

- De minderjarige verblijft thans bij de vrouw.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en is burger van Oekraïne.

- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.

- Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 28 januari 2010 heeft deze rechtbank, voor zover thans van belang:

* de som welke de vrouw met ingang van 28 januari 2010 voorlopig zal verstrekken tot levensonderhoud van de man op € 527,- per maand bepaald.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Echtscheiding

[art. 2 lid 1 sub a onder 1 / art. 3 lid 1 sub a onder 1]

Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.

Nu de man onweersproken een keuze voor het Nederlandse recht heeft gedaan, zal de rechtbank krachtens artikel 1, lid 4, van de Wet van 25 maart 1981, houdende regeling van het conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed en de erkenning daarvan, Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

De man heeft geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan overgelegd. Hij heeft daartoe in zijn verzoekschrift gesteld dat het overleg met de vrouw niet tot een ouderschapsplan heeft geleid. Uit het navolgende blijkt dat partijen in de loop van de procedure alsnog afspraken hebben kunnen maken over onder meer de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kosten van de minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan het wettelijke vereiste ten aanzien van het ouderschapsplan. De rechtbank zal de man dan ook ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

Gezag, hoofdverblijfplaats en verdeling zorg- en opvoedingstaken

Overweging in verband met EG-verordening (Brussel II / Brussel IIbis voor verzoeken vanaf 1 maart 2005 ingediend

Overweging in verband met EG-verordening (Brussel II / Brussel IIbis voor verzoeken vanaf 1 maart 2005 ingediend

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige, het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

De rechtbank stelt voorop dat uit de wet voortvloeit dat ouders na de echtscheiding van rechtswege gezamenlijk met het gezag belast blijven. Dit houdt onder meer in dat zij belangrijke beslissingen in het leven van de minderjarige in gezamenlijk overleg dienen te nemen en dat het kind het recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders behoudt. De rechtbank zal de verzoeken van de man ter zake bij gebrek aan belang afwijzen.

Ter terechtzitting heeft de man ingestemd met het verzoek van de vrouw te bepalen dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw. De man heeft zijn verzoek dienaangaande ingetrokken.

De rechtbank stelt vast dat partijen in onderling overleg en in overleg met de minderjarige een contactregeling hebben afgesproken waarbij de minderjarige om de week van woensdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man verblijft.

Ter terechtzitting heeft de man verklaard zich aan de afgesproken regeling te willen conformeren, nu de minderjarige zich daarbij goed voelt. Dit laatste blijkt ook uit de schriftelijke verklaring van de minderjarige aan de rechtbank. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een contactregeling tussen de man en de minderjarige vastleggen conform het verzoek van de vrouw. Het verzoek van de man zal worden afgewezen.

Het verzoek van de vrouw te bepalen dat de minderjarige de helft van de schoolvakanties bij de man zal doorbrengen, kan als niet weersproken en als op de wet gegrond worden toegewezen.

Kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige

Nu de man in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de vast te stellen verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige over partijen. De rechtbank zal hierop op grond van artikel 4 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973, Trb. 1974, 86, Nederlands recht toepassen.

Partijen zijn het met elkaar eens dat de totale behoefte van de minderjarige € 780,- per maand bedraagt.

Partijen zijn het met elkaar eens dat de vrouw € 580,- per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en de man € 200,- per maand. Ieder der partijen zal met het eigen aandeel in die kosten voorzien in de periode dat de minderjarige bij die partij verblijft, waarbij partijen zelf zorg dragen voor de invulling van hun bijdrage. Ter terechtzitting heeft de vrouw verklaard dat zij naast de kosten van wonen en de verblijfskosten in elk geval ook de verzekeringspremies van de door haar ten behoeve van de minderjarige afgesloten verzekeringen, de school- en opleidingskosten en benodigdheden zal voldoen. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er geen financiële overheveling zal plaatsvinden tussen de man en de vrouw.

Nu partijen geen verzoek doen tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige ten laste van de ander, zal de rechtbank geen kinderalimentatie in de beschikking vaststellen.

De rechtbank is van oordeel dat voor een regeling waarbij partijen hun bijdrage op een gezamenlijke kinderrekening storten, zoals door de man is verzocht, een te gering draagvlak bestaat, nu de daarvoor vereiste mate van overeenstemming tussen partijen thans ontbreekt.

De rechtbank zal het verzoek van de man dienaangaande derhalve afwijzen.

Partneralimentatie

Nu de vrouw in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.

Op het verzoek tot alimentatie voor de man zal de rechtbank op grond van artikel 8 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973, Trb. 1974, 86, Nederlands recht toepassen.

Behoefte

De rechtbank stelt vast dat de vrouw het door de man overgelegde uitgavenoverzicht niet heeft weersproken. De totale uitgaven van de man bedragen € 39.394,23 per jaar. De rechtbank neemt deze uitgavenlijst als uitgangspunt. Gezien de welstand tijdens het huwelijk acht de rechtbank deze (totale) behoefte niet bovenmatig.

De man heeft in eerste instantie een jaarrekening over 2009 overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat in 2009 een omzet is gegenereerd van € 23.105,- en een winst van € 19.031,-. Na de zitting heeft de man een jaarrekening en een aangifte IB 2009 overgelegd waaruit een omzet van € 52.096,- en een winst van € 4.768,- blijkt. Uit laatstgenoemde stukken blijkt tevens dat de man € 18.242,- aan de onderneming heeft onttrokken. Gelet op het arbeidsverleden van de man, zijn leeftijd en het inkomen dat hij vervolgens met zelfstandige ondernemingen verwierf (2007: € 28.289,- bruto; 2008: € 13.445,- bruto), acht de rechtbank het redelijk om een verdiencapaciteit in aanmerking te nemen van € 25.000,- bruto per jaar.

Rekening houdend met voormelde verdiencapaciteit en met inkomen uit vermogen, zijnde een rendement van € 3.000,-- per jaar, is de rechtbank van oordeel dat de man in elk geval behoefte heeft aan een bijdrage van de vrouw van € 2.690,- bruto per maand.

De rechtbank volgt de vrouw niet in haar betoog dat de man samenwoont als ware hij gehuwd, nu de man zulks betwist en de vrouw haar stellingen daaromtrent niet nader heeft onderbouwd.

Draagkracht

Inkomen uit arbeid

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw uit van een inkomen van € 94.145,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld en een inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ZVW van € 2.234,- per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2009, welke door de man niet is betwist. De rechtbank zal geen inkomsten uit nevenwerkzaamheden in aanmerking nemen. Hoewel de vrouw in het verleden extra inkomsten heeft genoten, heeft de man ter terechtzitting te kennen gegeven dat zulks niet (langer) van de vrouw kan worden gevergd.

Inkomen uit vermogen

De vrouw heeft een inkomen uit vermogen van € 3.000,- bruto per jaar opgevoerd, uitgaande van een vermogen van € 100.000,-. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw het flexibel krediet van € 15.500,- zal aflossen, zodat zij in het kader van de berekening het flexibel krediet op het bestaande vermogen in mindering zal brengen. Uitgaande van 3% rente, zal de rechtbank een inkomen uit vermogen van € 2.550,- bruto per jaar in aanmerking nemen.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

- de alleenstaande ouderkorting.

De rechtbank neemt de volgende niet - dan wel onvoldoende - betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

- € 1.495,- huur;

- € 91,84 premie basisverzekering Zorgverzekeringswet;

- € 13,75 verplicht eigen risico;

- € 194,99 inkomensafhankelijke bijdrage loon;

- € 151,11 premie levensverzekering kapitaal Zwitser Leven.

De man heeft de volgende opgevoerde maandelijkse lasten betwist:

- € 55,25 aanvullende premie Zorgverzekeringswet;

- € 37,50 zelf betaalde niet vergoede medische kosten;

- € 600,- aflossing flexibel krediet ABN AMRO.

Aanvullende premie Zorgverzekeringswet en zelf betaalde niet vergoede medische kosten

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw aan de hand de door haar ingediende stukken en haar verklaringen ter terechtzitting voldoende onderbouwd dat sprake is van noodzakelijke kosten die zij vanwege haar ziektegeschiedenis en -toestand moet maken. De rechtbank zal aldus rekening houden met de door de vrouw opgevoerde bedragen.

Aflossing flexibel krediet

Vaststaat dat de vrouw een voorschot heeft ontvangen op de verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning (€ 100.000,-). Het krediet bedraagt thans volgens de vrouw € 15.500,-. Nu de vrouw over vermogen beschikt waarmee zij het krediet kan aflossen, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen noodzaak tot het laten voortbestaan van het krediet. De rechtbank zal derhalve geen rekening houden met de door de vrouw opgevoerde aflossing.

Voor de vrouw geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

De rechtbank houdt voorts rekening met de bijdrage die de vrouw voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige voor haar rekening neemt, te weten € 580,- per maand.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de vrouw een beschikbare draagkrachtruimte van € 590,- netto per maand.

De vrouw stelt dat rekening dient te worden gehouden met de door haar aan haar meerderjarige studerende dochter [jongmeerderjarige] te betalen bijdrage van € 776,- per maand, te meer nu zij haar dochter ook tijdens het huwelijk financieel ondersteunde.

De man verweert zich en stelt onder meer dat [jongmeerderjarige] in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, nu zij eigen inkomsten heeft en studiefinanciering ontvangt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat [jongmeerderjarige] in enige mate behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van haar zijde.

Nu de onderhoudsverplichting van de vrouw jegens de man en de meerderjarige [jongmeerderjarige] ingevolge de wet van gelijke rang is, is de rechtbank van oordeel dat de resterende draagkrachtruimte gelijkelijk over deze twee onderhoudsgerechtigden verdeeld dient te worden.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat een uitkering tot levensonderhoud aan de man van € 615,- bruto per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

Duur alimentatie

De rechtbank ziet geen aanleiding een termijn te koppelen aan de duur van de alimentatieverplichting. Daartoe wordt overwogen dat partijen in 1992 met elkaar zijn gehuwd en dat het huwelijk lotsverbondenheid met zich brengt. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van de wettelijke termijn van twaalf jaar moet worden afgeweken. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw derhalve in zoverre afwijzen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek met betrekking tot de afwikkeling de huwelijkse voorwaarden.

Krachtens artikel 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Nederlandse recht, nu de echtgenoten dat interne recht vóór het huwelijk in de huwelijkse voorwaarden hebben aangewezen als het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht.

Blijkens het bepaalde in artikel 14 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen, voor zover thans van belang, overeengekomen dat zij bij het einde van het huwelijk door echtscheiding met elkaar zullen afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd, doch dat alle goederen, die door de echtgenoten ten huwelijk zijn aangebracht, krachtens erfstelling, legaat of schenking zijn of zullen worden verkregen buiten de afrekening blijven.

De rechtbank zal de peildatum voor de afrekening aan het einde van het huwelijk op grond van artikel 14 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden bepalen op 2 oktober 2009, zijnde de datum waarop de procedure tot echtscheiding aanhangig is gemaakt.

De echtelijke woning

Partijen hebben in gemeenschappelijk eigendom de echtelijke woning. Deze is in oktober 2009 verkocht en op 4 januari 2010 aan de kopers in eigendom overgedragen. De verkoopopbrengst (verkoopprijs minus de hypotheekschuld) bedroeg € 280.000,-. Van de overwaarde hebben partijen ieder een bedrag van € 105.532,84 ontvangen. Het restant van de opbrengst is op verzoek van partijen door de notaris in depot gehouden.

De man stelt dat de echtelijke woning in 1997 van zijn ouders is gekocht voor een lagere waarde dan de onderhandse verkoopwaarde en dat het verschil daartussen een schenking aan hem alleen betreft, zodat deze op grond van artikel 14 lid 2 buiten de verrekening als ware het een gemeenschap van goederen valt. De vrouw betwist de stellingen van de man en betoogt dat het een gunst betrof aan het hele gezin.

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan dat de echtelijke woning door de ouders van de man voor een lagere waarde (f 425.000,-) dan de onderhandse verkoopwaarde aan partijen gezamenlijk is verkocht. Ter terechtzitting heeft de vrouw erkend dat de onderhandse verkoopwaarde f 675.000,- bedroeg, zoals blijkt uit de taxatie van 11 april 1997 van de heer H. Tak.

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat sprake is geweest van een wederkerige overeenkomst met een element van bevoordeling, die dient te worden aangemerkt als een schenking in de zin van artikel 14 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden.

Aan het feit dat de echtelijke woning aan beide partijen is verkocht en overgedragen, ontleent de rechtbank echter het vermoeden dat de schenking aan beide partijen is gedaan. De omstandigheid dat de man op 14 januari 1998 schriftelijk aan zijn ouders heeft verklaard dat het een voorschot op de nalatenschap is, levert naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs op in de rechtsverhouding tussen partijen. Ter terechtzitting heeft de man bewijs aangeboden door middel van het laten horen van getuigen (waaronder de ouders van de man, de notaris en de makelaar).

Gelet op hetgeen uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de man dient te worden toegelaten in het door hem aangeboden bewijs van zijn stelling dat het verschil tussen de aankoopsom en de waarde van de echtelijke woning door zijn ouders aan hem (alleen) is geschonken. De rechtbank zal de behandeling van de verzoeken ter zake de verdeling en verrekening op basis van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden aanhouden tot 1 augustus 2010 pro forma teneinde de man de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten.

Voorts wordt de man in de gelegenheid gesteld om een voorstel te doen met betrekking tot de verdeling en verrekening voor het overige en te reageren op de door de vrouw in dit verband in het geding gebrachte stukken (waaronder een schema verrekening en verdeling).

Proceskosten

Nu nog geen eindbeslissing wordt gegeven, zal de rechtbank het verzoek ten aanzien van de proceskosten eveneens aanhouden.

Duur alimentatie

Primair verzoekt de man de duur van de alimentatieverplichting te limiteren tot 2 jaar en 8 maanden, zijnde de periode van de huwelijkssluiting tot het moment waarop de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten. Subsidiair verzoekt de man de duur van de alimentatieverplichting te limiteren tot de duur van het huwelijk.

De vrouw meent dat voor de duur van de alimentatie uitgegaan dient te worden van de wettelijke regels.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de duur van de alimentatieverplichting te beperken tot 2 jaar en 8 maanden. Daartoe wordt overwogen dat de samenwoning van partijen weliswaar eind 2006 is beëindigd, maar dat partijen nadien getracht hebben het contact te herstellen en de relatie te verbeteren. Daar komt bij dat de vrouw al in januari 2002 haar geboorteland heeft achtergelaten en naar Nederland is gekomen om met de man te gaan samenwonen, terwijl als onvoldoende weersproken moet worden aangenomen dat zij zich vervolgens heeft gericht op huishoudelijke werkzaamheden thuis, mede ten dienste van de man, waardoor zij zich niet optimaal heeft kunnen ontplooien voor de Nederlandse arbeidsmarkt.

Gelet op het voorgaande en de lotsverbondenheid die het huwelijk in de onderhavige omstandigheden met zich brengt, zal de rechtbank geen termijn koppelen aan de duur van de alimentatieverplichting en is de rechtbank van oordeel dat de wettelijke termijnen hebben te gelden.

Nu nog geen eindbeslissing wordt gegeven, zal de rechtbank het verzoek ten aanzien van de proceskosten eveneens aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man] en [de vrouw] (blijkens het overgelegde uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [plaats 1] geheten [de vrouw] gehuwd op [datum] 1992 te [plaats 1];

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats 2], de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de minderjarige bij de man zal zijn:

- om de week van woensdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school;

- de helft van de schoolvakanties;

en verklaart deze contactregeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken verzochte af;

bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de man tot zijn levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 615,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders ten aanzien van de alimentatie verzochte af;

laat de man toe tot het leveren van bewijs van zijn stelling dat het verschil tussen de aankoopsom en de waarde van de echtelijke woning door de ouders aan de man alleen is geschonken;

bepaalt dat, indien de man dat bewijs wil leveren door middel van getuigen, deze getuigen zullen worden gehoord door de rechter die deze beschikking geeft, in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage, op een nader te bepalen dag en uur na opgave door de advocaat van de man van de namen van de te horen getuigen, hun verhinderdata en de verhinderdata van partijen en de raadslieden voor de drie maanden volgend op de dag van de uitlating door de advocaat van de man;

bepaalt dat de behandeling voor uitlating als hierboven bedoeld door de advocaat van de man wordt aangehouden tot 1 augustus 2010 pro forma;

bepaalt dat de man vóór genoemde proformadatum aan de vrouw en aan de rechtbank de volgende stukken dient over te leggen:

- een voorstel tot verrekening/verdeling,

- een geactualiseerd verrekenings/verdelingsschema,

- een overzicht van de punten waarover partijen het niet met elkaar eens zijn (geworden);

bepaalt dat, indien er een nadere zitting wordt bepaald, partijen desgewenst kunnen reageren op het standpunt van de wederpartij of nadere stukken kunnen overleggen, welke reacties en/of stukken uiterlijk tien dagen vóór de zitting dienen te zijn overgelegd;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verrekening, de verdeling en de proceskosten aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.F.A. Bos als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2010.