Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN1276

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
FA RK 10-3393 / 365391
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om vaststelling hoofdverblijfplaats minderjarige. In geschil is de relatieve bevoegdheid van de rechtbank. Huidige verblijfplaats is slechts een tijdelijke verblijfplaats en geen feitelijke verblijfplaats aangezien centrum van sociale leven minderjarige in de andere plaats ligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 10-3393

Zaaknummer: 365391

Datum beschikking: 2 juni 2010

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 28 april 2010 ingekomen verzoek van:

[de vader],

wonende te [woonplaats 1],

advocaat: mr. L.M.J. Duijverman te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

wonende te [woonplaats 2],

advocaat: mr. I. Gerrand te Eindhoven.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 29 april 2010, ingekomen op 17 mei 2010 met bijlagen van de zijde van de vader;

- het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;

- de brieven d.d. 26 mei 2010 en 1 juni 2010 met bijlagen van de zijde van de vader.

Op 2 juni 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader en de moeder, beiden vergezeld van hun advocaat. Van de zijde van de moeder is een nader stuk overgelegd.

De minderjarige heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Verzoek en verweer

De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht de hoofdverblijfplaats van de minderjarige vast te stellen bij de vader, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. Tevens heeft de moeder zelfstandige verzoeken gedaan.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 1992 tot [datum] 2000.

- Uit dit huwelijk is onder meer geboren de thans nog minderjarige [minderjarige], op [geboortedatum] te [woonplaats 2].

- In het door beide partijen op 26 augustus 2000 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn partijen onder artikel 2 overeengekomen dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben.

- De minderjarige staat blijkens een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie d.d. 22 april 2010 van de gemeente [woonplaats 2] ingeschreven in [woonplaats 2] op het adres van de moeder.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

Beoordeling

Relatieve bevoegdheid

In geschil tussen partijen is de relatieve bevoegdheid van de rechtbank 's-Gravenhage.

De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige als bedoeld in artikel 1: 12 BW op het moment van indiening van het verzoek van de vader niet bij de vader lag, zodat deze rechtbank niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de hoofdverblijfplaats van voornoemde minderjarige niet is bepaald in de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 3 november 2000. Het door partijen opgestelde echtscheidingsconvenant is niet in de beschikking opgenomen, maar behelst wel een rechtens afdwingbare afspraak ten aanzien van het hoofdverblijf van de minderjarige.

De rechtbank leidt uit de stukken af dat de vader in strijd met het overeengekomene in het convenant de minderjarige na een weekend in maart 2010, waarin de vader in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd was de minderjarige bij zich te hebben, ongeoorloofd heeft achtergehouden. Naar aanleiding hiervan is bij kort geding vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 april 2010 de vader veroordeeld tot afgifte van de minderjarige aan de moeder op 7 mei 2010. In de vijfde van de in totaal zeven weken dat de minderjarige bij de vader verbleef, heeft de vader het onderhavige verzoek ingediend, stellende dat deze rechtbank bevoegd is nu de minderjarige op het moment van indiening van het verzoekschrift feitelijk in [woonplaats 1] verbleef. Ter terechtzitting is gebleken dat de gezinsvoogd zowel hangende deze kort gedingprocedures als thans heeft geadviseerd om de hoofdverblijf van de minderjarige bij de moeder te houden, alsmede een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven op 23 maart 2010 er toe strekkende dat de vader de minderjarige zou terugbrengen naar de moeder.

De rechtbank is van oordeel dat het verblijf van de minderjarige bij de vader, gelet op de context waarin dit verblijf tot stand is gekomen, als een tijdelijk verblijf dient te worden gezien en niet als een feitelijk verblijf in de zin der wet. Immers, het centrum van het sociale leven van de minderjarige ligt in [woonplaats 2], waar de minderjarige zijn basisschooljaar wil afmaken en hij zijn vrienden en sport heeft.

De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige bij de moeder na de echtscheiding in [woonplaats 2] is geweest en daar thans nog ligt. Derhalve is deze rechtbank onbevoegd om van het verzoekschrift kennis te nemen en zal de rechtbank de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank te 's-Hertogenbosch verwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd van het verzoekschrift kennis te nemen;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank te

's-Hertogenbosch.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Steen, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. I.M. Talstra - Touwen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

2 juni 2010.