Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN1219

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
16-07-2010
Zaaknummer
369465 - KG ZA 10-792
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opschorting tenuitvoerlegging onvoorwaardelijke gevangenisstraf in afwachting van een beslissing van het EHRM op een klacht van de veroordeelde. Een dergelijke vordering is - onder meer - toewijsbaar ingeval van een uitspraak van het EHRM, waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden en die tot de stlotsom dwingt dat de beslissing tot stand is gekomen in strijd met fudamentele mensenrechten. Die uitspraak van het EHRM kan betrekking hebben op de strafzaak van de veroordeelde in kwestie, maar ook op een strafzaak die daarmee zeer grote gelijkenis vertoont voor wat betreft de (vermeende) schending van het fundamentele recht. In laatstbedoelde situatie moet de overeenkomst tussen beide zaken wel zodanig zijn dat met een grote mate van zekerheid kan worden aangenomen dat (ook) jegens de veroordeelde in kwestie sprake is van schending van een fundamenteel recht, die meebrengt dat een daartegen gerichte klacht zal worden gehonoreerd door het EHRM. In casu is daaraan niet voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 2 juli 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer 369465 / KG ZA 10-792 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.F.M. Wasser te Tilburg,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" en "de Staat".

1. Het procesverloop

[eiser] heeft de Staat op 28 juni 2010 doen dagvaarden om op 1 juli 2010 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en er is op 2 juli 2010 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 1 juli 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 december 2006 is [eiser], wegens (i) poging tot met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam en (ii) ontucht plegen met zijn minderjarig kind, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

2.2. Bij arrest van de Hoge Raad van 17 november 2009 zijn de cassatiemiddelen van [eiser] tegen voormeld arrest van 18 december 2006 verworpen en is [eiser] (ambtshalve) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

2.3. Op 29 april 2010 heeft [eiser] een klacht ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna "EHRM"). Zijn klacht komt er kort gezegd op neer dat hij van mening is dat in de strafzaak die heeft geleid tot voormelde arresten zijn recht om getuigen te ondervragen, zoals vastgelegd in artikel 6 lid 3 onder d van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna "EVRM"), is geschonden, aangezien zijn veroordeling wegens seksueel misbruik vrijwel uitsluitend en in ieder geval in beslissende mate is gebaseerd op de verklaring van het (vermeende) slachtoffer, dat op geen enkele wijze kon worden ondervraagd door de verdediging.

2.4. [Eiser] heeft aan de advocaat-generaal bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch verzocht om de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf op te schorten totdat het EHRM zijn klacht niet-ontvankelijk, dan wel ongegrond heeft verklaard c.q. de Nederlandse rechter opnieuw tot een oordeel is gekomen. Dat verzoek is op 25 mei 2010 afgewezen.

2.5. Op 21 juni 2010 heeft het ministerie van justitie [eiser] bericht dat van hem wordt verwacht dat hij zich op 5 juli 2010 voor 10.15 uur meldt in de gevangenis [X] te [Y] voor het ondergaan van de hem opgelegde gevangenisstraf.

3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. [Eiser] vordert - zakelijk weergegeven - de Staat te veroordelen de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf niet ten uitvoer te leggen tot het moment dat het EHRM zijn ([eiser]'s) klacht niet-ontvankelijk, dan wel ongegrond heeft verklaard c.q. de Nederlandse rechter opnieuw tot een oordeel is gekomen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2. Naast de hiervoor vermelde feiten voert [eiser] daartoe - samengevat - het volgende aan.

In de strafzaak werd [eiser] verdacht van seksueel misbruik van zijn dochtertje, hetgeen hij steeds heeft ontkend. Zijn onherroepelijke veroordeling daarin is tot stand gekomen door/na schending van het hem toekomende recht om getuigen te (doen) ondervragen, zoals vastgelegd in artikel 6 lid 3 onder d EVRM. Herhaalde verzoeken van zijn kant om zijn dochtertje als getuige te ondervragen zijn ten onrechte afgewezen. Vanuit wetenschappelijke hoek is ook kritiek geleverd op het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2009. Zijn strafzaak vertoont grote gelijkenis met de zaak W. versus Finland, waarin het EHRM op 24 april 2007 een schending van het ondervragingsrecht heeft aangenomen. Er bestaat dan ook een gerede kans dat het EHRM de klacht van [eiser] gegrond zal verklaren. Als het EHRM - zoals mag worden verwacht - een schending van het recht van [eiser] om getuigen te ondervragen aanneemt, is sprake van een novum in de zin van artikel 457 lid 1 sub 3 van het Wetboek van Strafvordering, in welk geval herziening van het onherroepelijke strafvonnis noodzakelijk zal worden geacht. Tegen die achtergrond kon het openbaar ministerie in redelijkheid niet komen tot een afwijzing van het verzoek van [eiser] om de executie van zijn gevangenisstraf op te schorten. Te meer waar tenuitvoerlegging van die straf bij [eiser] zal leiden tot inkomens- en persoonlijke schade. Een en ander betekent dat de Staat, door tot tenuitvoerlegging van de straf over te gaan, onrechtmatig handelt jegens [eiser].

3.3. De Staat heeft de vordering van [eiser] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal op zijn stellingen hierna nader worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Vooropgesteld wordt dat een onherroepelijk vonnis van de strafrechter moet worden tenuitvoergelegd. Artikel 561 Wetboek van Strafvordering bepaalt voorts dat de tenuitvoerlegging van een zodanig vonnis plaatsvindt zodra dit mogelijk is. Op de regel dat een onherroepelijke straf moet worden tenuitvoergelegd kan slechts een uitzondering worden aanvaard indien een uitspraak van het EHRM, waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden, tot de slotsom dwingt dat de beslissing tot stand is gekomen in strijd met fundamentele mensenrechten. Die uitspraak van het EHRM kan betrekking hebben op de strafzaak van de veroordeelde in kwestie, maar ook op een strafzaak die daarmee zeer grote gelijkenis vertoont voor wat betreft de (vermeende) schending van het fundamentele recht. In laatstbedoelde situatie moet de overeenkomst tussen beide zaken overigens wel zodanig zijn dat met een grote mate van zekerheid kan worden aangenomen dat (ook) jegens de veroordeelde in kwestie sprake is van schending van een fundamenteel recht die meebrengt dat een daartegen gerichte klacht zal worden gehonoreerd door het EHRM. Daarnaast kan een uitzondering op voormelde regels worden gemaakt ingeval door de wijze van executie een zodanige schending van fundamentele mensenrechten dreigt te ontstaan, dat onverkorte executie niet meer kan worden beschouwd als krachtens het wettelijk stelsel toegelaten, hetgeen hier overigens niet aan de orde is (gesteld).

4.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter faalt het beroep van [eiser] op de uitspraak van het EHRM van 24 april 2007 inzake W./Finland.

4.3. Daarvoor is allereerst van belang dat die uitspraak dateert van bijna tweeëneenhalf jaar vóór het arrest van de Hoge Raad, zodat mag worden aangenomen dat de Hoge Raad daarmee rekening heeft gehouden bij zijn beslissing. Dit klemt te meer nu de Hoge Raad het bepaalde in artikel 6 EVRM uitdrukkelijk heeft meegewogen in zijn uitspraak.

4.4. Daar komt bij dat de voorzieningenrechter onvoldoende mogelijkheden ziet om nu reeds vooruit te lopen op een mogelijke beslissing van het EHRM op de klacht van [eiser]. Van de zijde van de Staat is gemotiveerd aangevoerd dat jegens [eiser] geen fundamentele (mensen)rechten zijn geschonden, alsmede dat de strafzaak tegen [eiser] niet vergelijkbaar is met de zaak W./Finland. Volgens de Staat ligt het arrest van de Hoge Raad zelfs in lijn met de uitspraak in die zaak. De uitkomst van de procedure bij het EHRM is daarmee geenszins onweersproken.

4.5. Op grond van het voorgaande kan er - in het bestek van dit kort geding - niet van worden uitgegaan dat het fundamentele recht van [eiser] om getuigen te (doen) ondervragen is geschonden en dus ook niet dat diens klacht zal worden gehonoreerd door het EHRM. De kritiek op het arrest van de Hoge Raad maakt dat niet anders. Overigens volgt uit de noot van J.M. Reijntjes onder dat arrest (NJ 2010/191), waarop [eiser] zich onder meer beroept, niet onmiskenbaar dat jegens [eiser] een fundamenteel (mensen)recht is geschonden.

4.6. Tot slot zij opgemerkt dat aan het ondergaan van detentie inherent is dat geen arbeid kan worden verricht, met alle zakelijke en financiële gevolgen vandien, alsmede dat de persoonlijke en relationele omstandigheden van de veroordeelde daaronder kunnen lijden. Niet valt in te zien waarom dat voor [eiser] niet zou mogen gelden.

4.7. De slotsom is dat de Staat niet onrechtmatig handelt door het verzoek van [eiser] tot opschorting van de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf af te wijzen en - op korte termijn - tot executie daarvan over te gaan. De vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen.

4.8. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.079,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2010.

jvl