Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN1020

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
AWB 09/35858
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Met de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2008 is behoudens nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden komen vast te staan dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag nog steeds op eiser van toepassing is en dat hij om die reden ongewenst kan worden verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. De rechtbank is niet gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De door eiser genoemde uitspraken van het Joegoslaviëtribunaal en de daarop gebaseerde redenering leveren geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op. Bij uitspraak van 24 september 2009 heeft de Afdeling overwogen dat de brief van 5 augustus 2007 van de voorzitter van het Afghaanse parlement (Qanooni) geen concreet aanknopingspunt vormt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000 en dus niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Voorts is de rechtbank, in navolging van de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van 24 september 2009, van oordeel, dat de notitie van de UNHCR van 13 mei 2008 en de brieven van de UNHCR geen concreet aanknopingspunt vormen voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht. Hetzelfde geldt voor de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2008, reeds omdat uit die brief niet blijkt dat daarin afstand wordt genomen van het ambtsbericht.

Met de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 12 december 2008 is het besluit tot ongewenstverklaring van 27 juni 2006 rechtens onaantastbaar geworden. Daarmee staat vast dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om eiser ongewenst te verklaren op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Voorts is niet in geschil dat eiser sinds zijn ongewenstverklaring niet buiten Nederland heeft verbleven. Gelet hierop heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om de ongewenstverklaring op grond van artikel 68, tweede lid, van de Vw 2000 dan wel artikel 6.6, eerste lid, van het Vb 2000 op te heffen.

De rechtbank is niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden kunnen zijn om de ongewenstverklaring al dan niet tijdelijk op te heffen. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan, sedert het in rechte onaantastbaar worden van het besluit tot ongewenstverklaring, weliswaar is verslechterd, maar dat hierin nog geen aanleiding bestaat om tot de conclusie te komen dat eiser persoonlijk bij terugkeer het risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling heeft artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn betrekking op een situatie waarin ook artikel 3 van het EVRM bescherming biedt. Het, overigens niet inhoudelijke, beroep op de Definitierichtlijn faalt derhalve en kan niet tot een ander oordeel leiden dan verwoord in het besluit van 25 mei 2007. Verweerder heeft in zoverre geen aanleiding hoeven zien de ongewenstverklaring, al dan niet tijdelijk, op te heffen. De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de medische toestand van eiser tot de conclusie zou moeten leiden dat zijn uitzetting naar Afghanistan strijd oplevert met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft niet gesteld dat in zijn geval sprake is van een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Derhalve heeft verweerder in de medische toestand van eiser geen aanleiding hoeven zien voor opheffing van de ongewenstverklaring. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat eiser sedert het eerdere besluit van 25 mei 2007geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die aan het daarin gegeven oordeel kunnen afdoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 09/35858, V-nummer: [xxx],

uitspraak van de meervoudige kamer

inzake

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. S. Zwiers, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, thans de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.C.O. Stiphout, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 1 juli 2009 afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot opheffing van zijn ongewenstverklaring.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 1 juli 2009 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 1 oktober 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 2 oktober 2009 beroep ingesteld.

De zaak is op 1 maart 2010 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. drs. J.M. Walls, kantoorgenoot van zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen A. Andkuei, tolk.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan de Minister op aanvraag van de vreemdeling besluiten tot opheffing van de ongewenstverklaring.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de ongewenstverklaring opgeheven indien de vreemdeling tien jaren onafgebroken buiten Nederland verblijf heeft gehad en zich in die periode geen van de gronden, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Vw 2000 hebben voorgedaan.

2.1.2. Ingevolge artikel 6.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Vw 2000, door de Minister in ieder geval ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging terzake van misdrijf is onderworpen en ongewenst verklaard is:

a. naar aanleiding van geweldsdelicten of opiumdelicten en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven;

b. naar aanleiding van andere misdrijven en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven, of

c. op grond van artikel 67, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 en sinds de ongewenstverklaring één jaar buiten Nederland heeft verbleven.

Ingevolge artikel 6.7 van het Vb 2000 kan Onze Minister in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen de ongewenstverklaring tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.

2.1.3. Het beleid met betrekking tot opheffing van de ongewenstverklaring is neergelegd in paragraaf A5/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000).

Volgens paragraaf A5/4.1 van de Vc 2000 - voor zover van belang - kunnen zich (uitzonderlijke) gevallen voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling dient te prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. Het algemeen belang van de Staat kan alleen wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden van het individuele geval die bij de totstandkoming van de algemene regel (lees: de bovengrens) niet zijn betrokken.

Volgens paragraaf A5/4.4 van de Vc 2000 geldt - voor zover hier van belang - als uitgangspunt dat slechts in de volgende twee situaties gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen:

a. familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM;

b. verbod tot uitzetting in verband met artikel 3 EVRM.

2.1.4. Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft, voor zover thans van belang, een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten van de vrijheden van anderen.

2.2. het bestreden besluit

Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit. Daartoe heeft verweerder - samengevat - het volgende overwogen.

In eisers geval is niet gebleken van omstandigheden als bedoeld in artikel 68 van de Vw 2000 dan wel artikel 6.6, eerste lid, van het Vb 2000 die reden zouden kunnen zijn om de ongewenstverklaring op te heffen. Voorts is niet gebleken dat zich ten aanzien van eiser een zeer uitzonderlijke en dringende situatie voordoet in de zin van artikel 6.7 van het Vb 2000 die een opheffing van de ongewenstverklaring anderszins kan rechtvaardigen. Ten aanzien van eisers beroep op de "Note on the Structure and Operation of the KhAD/WAD in Afghanistan 1978-1992" van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: UNHCR-note) van 13 mei 2008 wordt verwezen naar het in de uitspraak van 24 september 2009 (LJN BJ8654) door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) ingenomen standpunt. Verweerder leidt uit deze uitspraak af dat van de informatie van het ambtsbericht inzake de Veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan (1978-1992) (DPC/AM-663896) van 29 februari 2000 mag worden uitgegaan en dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag terecht op eiser van toepassing is geacht, zoals reeds in rechte is komen vast te staan. Het belang van de internationale betrekkingen vordert dat eiser ongewenst blijft verklaard en dat de ongewenstverklaring niet wordt opgeheven.

Bij inmiddels onherroepelijk geworden besluiten met betrekking tot eisers ongewenstverklaring is op goede gronden geoordeeld dat artikel 3 van het EVRM zich niet verzet tegen terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst. Hetgeen door eiser sinds het onherroepelijk worden van die besluiten inzake artikel 3 van het EVRM is aangedragen betreft volgens verweerder geen nieuwe feiten en omstandigheden die aan dat eerdere oordeel afdoen. Met betrekking tot de door de president van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) getroffen interim measures heeft eiser niet aangegeven om welke zaken het gaat en om welke redenen het vergelijkbare zaken zou betreffen. Ook de enkele verwijzing naar de verslechterde veiligheidssituatie in Afghanistan in 2007 en 2008, waarvan blijkt uit het ambtsbericht van maart 2009, kan gezien het bij de beoordeling van artikel 3 van het EVRM gehanteerde individualiseringsvereiste niet leiden tot de conclusie dat dit artikel zich tegen terugkeer van eiser naar dit land verzet. De stelling dat eiser als ex-communist en voormalig lid van de KhAD/WAD thans bij terugkeer het risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, leidt niet tot een ander oordeel, omdat eiser heeft nagelaten dit gevaar persoonlijk te concretiseren.

Met betrekking tot het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM overweegt verweerder dat evenmin sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die aan het hieromtrent door verweerder eerder gegeven oordeel kunnen afdoen.

Tot slot ziet verweerder geen aanleiding om de ongewenstverklaring op te heffen in afwijking van de in de Vc 2000 neergelegde beleidsregels.

2.3. de gronden van beroep

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd.

De tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag alleen kan de ongewenstverklaring niet dragen. Er dient een individuele beoordeling plaats te vinden. Daarvan is in eisers geval niet gebleken. Eiser ziet niet in dat internationale betrekkingen de ongewenstverklaring vereisen. Eiser meent dat er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan het ambtsbericht van 29 februari 2000, op grond waarvan aan eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Eiser verwijst in dit verband naar de brief van de UNHCR van 14 november 2007 aan de Minister van Justitie. Eiser beroept zich voorts op de UNHCR-note van 13 mei 2008, alsmede de brief (kenmerk DPV/AM-605666) van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2008 aan deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam. Geconcludeerd moet worden, aldus eiser, dat er geen onderbouwing van het ambtsbericht van 29 februari 2000 bestaat en dat nieuwe bronnen vervuild (zullen) zijn. Eiser verwijst in dit verband voorts naar de brief van de UNHCR van 9 mei 2008 aan de Minister en Staatssecretaris van Justitie, zoals aangehaald in het advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken van mei 2008. Tevens wijst eiser op de brief van 5 augustus 2007 van de voorzitter van het Afghaanse parlement, M.Y. Qanooni.

Voorts stelt eiser dat zijn handelen of nalaten niet direct en in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan de gestelde misdrijven. Verweerder heeft eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet prima facie mogen tegenwerpen. Voor de interpretatie van de termen 'direct' en 'in wezenlijke mate' dient volgens eiser aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van de Trial Chamber van het Joegoslavië Tribunaal, zoals de uitspraak van 7 mei 1997 inzake [naam 1] en van 2 november 2001 inzake [naam 2] (www.icty.org). Verweerder heeft niet afdoende gemotiveerd dat de bijdrage van eiser daadwerkelijk effect heeft gesorteerd en dat eiser het plegen van de misdrijven op enigerlei wijze heeft ondersteund. Eiser verwijst in dit verband tevens naar de uitspraken van de Afdeling van 12 december 2003 (LJN AO2566) en 16 januari 2004 (LJN AO2496).

Eiser beroept zich voorts op artikel 13 en artikel 15 (a), (b) en (c), van de Definitierichtlijn. Volgens de Afdeling in de uitspraak van 21 mei 2008 (kenmerk 200707344/1) is een beroep op de Definitierichtlijn binnen de procedure tegen de ongewenstverklaring mogelijk. Artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn is niet op eiser van toepassing. Eiser stelt dat in zijn land van herkomst een situatie als bedoeld in artikel 15(c) van de Definitierichtlijn aan de orde is. Verweerder dient ondanks de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tevens te onderzoeken of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam tegen de uitzetting verzet. Eiser wijst in dit verband op de nota van de UNHCR van 13 mei 2008 en op de verslechterde veiligheidssituatie in Afghanistan in 2007 en 2008, waarvan blijkt uit het algemeen ambtsbericht van maart 2009. Voorts wijst eiser op diverse (recentelijk) door de president van het EHRM getroffen interim measures in vergelijkbare zaken. Verder wordt verwezen naar de "Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Afghan Asylum-Seekers" van de UNHCR (hierna: UNHCR Guideliness) van december 2007 en juli 2009. Eiser kan niet de bescherming inroepen van familie in Afghanistan en hij heeft geen banden met invloedrijke facties of stammen. Verweerder heeft eiser tijdens de periode van de vreemdelingenbewaring gepresenteerd bij de Afghaanse autoriteiten zodat deze van eisers (politieke) achtergrond op de hoogte zijn. Eiser loopt aldus een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Eiser beroept zich voorts op artikel 8 van het EVRM, waartoe hij stelt dat verweerder ten onrechte niet, met toepassing van de Boultif- en Üner-criteria, tot een belangenafweging is overgegaan, maar de tegenwerping van artikel 1(F) zonder meer van doorslaggevend belang heeft geacht. Eiser is van mening dat zijn familie- en gezinsleven opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigt. Alle gezinsleden zijn tot Nederland toegelaten.

Eiser wijst tevens op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg, van 21 januari 2010 (AWB 09/27322), alsmede de nadere reactie van de UNHCR van 17 november 2009 ten aanzien van het ambtsbericht van 29 februari 2000.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 17 januari 2001 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Deze aanvraag is na de inwerkingtreding van de Vw 2000 aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 22 juli 2002 is de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing is ten grondslag gelegd dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is op eiser. Bij uitspraak van 6 juli 2004 (AWB 02/63623), heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, het beroep van eiser tegen het besluit van 22 juli 2002 gegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 januari 2005 (200406662/1) heeft de Afdeling de uitspraak van 6 juli 2004 bevestigd.

Bij besluit van 9 maart 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de aanvraag opnieuw afgewezen. Aan de afwijzing is wederom ten grondslag gelegd dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is op eiser. Bij uitspraak van 19 mei 2006 (AWB 06/17099) heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, het beroep van eiser tegen het besluit van 9 maart 2006 niet-ontvankelijk verklaard, vanwege het niet-tijdig indienen van de gronden van het beroep.

Bij besluit van 27 juni 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Het daartegen door eiser ingediende bezwaar heeft verweerder bij besluit van 25 mei 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 juni 2008 (AWB 07/26180) heeft de rechtbank 's-Gravenhage het beroep van eiser tegen het besluit van 25 mei 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 december 2008 (200808419/1/V3) heeft de Afdeling de uitspraak van 9 juni 2008 bevestigd.

De echtgenote en zoon van eiser zijn inmiddels hier te lande genaturaliseerd.

2.4.2. Met de onder 2.4.1. genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 december 2008 is behoudens nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden komen vast te staan dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag nog steeds op eiser van toepassing is en dat hij om die reden ongewenst kan worden verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit - in dit geval het besluit van 25 mei 2007 tot handhaving van de ongewenstverklaring - zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten en omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

De door eiser genoemde uitspraken van het Joegoslaviëtribunaal en de daarop gebaseerde redenering leveren geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op. De door eiser genoemde uitspraken zijn gedaan voordat de asielaanvraag van eiser voor het eerst is afgewezen en ook voordat hij ongewenst is verklaard. Eiser had het aan deze uitspraken ontleende betoog dan ook kunnen en moeten voeren in de procedures die tot de onder 2.4.1. genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 december 2008 hebben geleid. Nu is hij daar te laat mee.

2.4.3. Eiser betoogt voorts dat er, gelet op de brief van 5 augustus 2007 van de voorzitter van het Afghaanse parlement, de brieven van de UNHCR van 14 november 2007 en 9 mei 2008 aan de Minister en Staatssecretaris van Justitie, de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2008 aan de nevenzittingsplaats Amsterdam en de UNHCR-note van 13 mei 2008, concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient een ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding

- voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij zijn besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

In haar uitspraak van 30 november 2004 (JV 2005, 49) heeft de Afdeling geoordeeld dat de onderliggende stukken van het ambtsbericht de in dit ambtsbericht getrokken conclusie kunnen dragen dat alle officieren en onderofficieren van de KhAD/WAD werkzaam zijn geweest op de macabere afdelingen van de KhAD en de WAD en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms executeren van verdachte personen.

In de eerder genoemde uitspraak van 24 september 2009 heeft de Afdeling overwogen dat in de brief van 5 augustus 2007 van de voorzitter van het Afghaanse parlement, samengevat weergegeven, is vermeld dat officieren van de KhAD/WAD met een lage rang niet betrokken zijn geweest bij mensenrechtenschendingen en dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken hierover geen accurate informatie heeft ontvangen van Pakistaanse bronnen en bronnen gelieerd aan de Taliban. De Afdeling overwoog vervolgens dat deze stellingen niet nader zijn geconcretiseerd en dat onduidelijk is op welke bronnen deze zijn gebaseerd, zodat op voorhand is uitgesloten dat deze brief kan afdoen aan het eerdere besluit van verweerder tot afwijzing van de asielaanvraag van de desbetreffende vreemdeling, welke afwijzing was gebaseerd op het ambtsbericht. De rechtbank volgt het in deze overwegingen besloten liggende oordeel van de Afdeling dat de brief van 5 augustus 2007 geen concreet aanknopingspunt vormt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht en dus niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

2.4.4. In haar uitspraak van 24 september 2009 heeft de Afdeling over de notitie van de UNHCR van 13 mei 2008 onder meer het volgende overwogen:

In punt 1 van de UNHCR-Note is vermeld dat de in de notitie vervatte informatie deels is gebaseerd op discussies met Giustozzi. De visie van Giustozzi op de KhAD/WAD, die, voor zover hier van belang, ertoe strekt dat niet kan worden bevestigd dat destijds alle (onder-)officieren van die organisatie zich gedurende hun diensttijd schuldig hebben gemaakt aan schendingen van mensenrechten, was reeds bekend ten tijde van voormelde uitspraak van 30 november 2004. In rechtsoverweging 2.1.5 van die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de door Giustozzi uitgebrachte rapporten, waaronder dat van 28 september 2003, onvoldoende aanleiding geven om aan de informatie in het ambtsbericht te twijfelen. Dat de UNHCR de door Giustozzi ingenomen standpunten in haar notitie heeft overgenomen, maakt dit niet anders. Dit geldt evenzeer voor de in de aangevallen uitspraak geciteerde stukken van Giustozzi van 6 april 2005 en 6 maart 2006, nu de daarin getrokken conclusies terughoudend zijn geformuleerd en verwijzingen naar de bronnen van de daaraan ten grondslag liggende feiten ontbreken.

Voorts is de herkomst van de informatie in de UNHCR-Note, afgezien van de verwijzing naar Giustozzi, voor het overige niet nader gespecificeerd dan als afkomstig van goed geïnformeerde bronnen, zoals personen die destijds waren verbonden aan de KhAD/WAD. Hiermee is niet inzichtelijk in hoeverre deze bronnen kunnen worden gekwalificeerd als objectief, onafhankelijk en betrouwbaar. De informatie afkomstig van een gezaghebbende organisatie als de UNHCR dient in de regel met bijzondere aandacht in de beschouwingen te worden betrokken, maar nu geen inzicht is geboden in de bronnen die aan de in de genoemde notitie vervatte informatie ten grondslag zijn gelegd, komt reeds hierom aan die informatie geen doorslaggevende betekenis toe. Het arrest van (...) het EHRM van 17 juli 2008, nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/329), waarnaar de rechtbank in dit verband heeft verwezen, leidt niet tot het oordeel dat in dit geval concrete aanknopingspunten voor twijfel moeten worden aangenomen, nu ook in dat arrest wordt benadrukt dat bij de beoordeling van de beschikbare landeninformatie de bij de desbetreffende rapporten gehanteerde bronnen in aanmerking moeten worden genomen.

Uit voormeld arrest, noch uit de andere arresten van het EHRM die in de aangevallen uitspraak zijn genoemd, kan worden afgeleid dat de staatssecretaris niet zou mogen uitgaan van de conclusies in het ambtsbericht, omdat die niet door andere gezaghebbende organisaties zijn bevestigd.

Verder kan (...) uit de door de minister in een aan de rechtbank gerichte brief van 4 augustus 2008 geuite twijfel, of een herhaald onderzoek bij dezelfde bronnen die destijds ten behoeve van het ambtsbericht zijn geraadpleegd betrouwbare resultaten zou opleveren, niet worden afgeleid dat ook gerechtvaardigde twijfel bestaat over de door die bronnen destijds verstrekte informatie. In voornoemde brief is immers uitdrukkelijk vermeld dat de minister nog steeds achter de destijds door deze bronnen verstrekte informatie staat en dat de twijfel over een herhaald onderzoek slechts is ingegeven door de internationale bekendheid van het Nederlandse beleid ten aanzien van het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan voormalige (onder-)officieren van de KhAD/WAD.

In het licht van het vorenstaande kan ten slotte ook in de door de rechtbank in haar oordeel betrokken omstandigheid dat het vanwege de geringe onderzoeksmogelijkheden in Afghanistan vrijwel uitgesloten moet worden geacht dat informatie kan worden verkregen ter weerlegging van het ambtsbericht, geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ter zake van het door hem gevoerde beleid niet op de conclusies in het ambtsbericht heeft mogen baseren."

De Afdeling kwam in haar uitspraak van 24 september 2009 vervolgens tot de conclusie dat de notitie van de UNHCR geen concreet aanknopingspunt vormt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht. De rechtbank ziet geen reden om deze conclusie niet te volgen. Dat de UNHCR, blijkens haar brief van 17 november 2009, bij haar standpunt blijft, is voor de rechtbank evenmin aanleiding om over het ambtsbericht anders te oordelen dan de Afdeling in haar uitspraak van 24 september 2009 heeft gedaan. De rechtbank komt tot de conclusie dat de door eiser ingeroepen notitie en brieven van de UNHCR geen concreet aanknopingspunt vormen voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht. Hetzelfde geldt voor de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2008, reeds omdat uit die brief niet blijkt dat daarin afstand wordt genomen van het ambtsbericht.

2.4.5. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat eiser geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat verweerder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet langer aan eiser kan tegenwerpen.

2.4.6. Met de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 12 december 2008 is het besluit tot ongewenstverklaring van 27 juni 2006 rechtens onaantastbaar geworden. Daarmee staat vast dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om eiser ongewenst te verklaren op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Voorts is niet in geschil dat eiser sinds zijn ongewenstverklaring niet buiten Nederland heeft verbleven. Gelet hierop heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om de ongewenstverklaring op grond van artikel 68, tweede lid, van de Vw 2000 dan wel artikel 6.6, eerste lid, van het Vb 2000 op te heffen.

2.4.7. De rechtbank ziet zich nog slechts voor de vraag gesteld of in eisers geval sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden kunnen zijn om de ongewenstverklaring al dan niet tijdelijk op te heffen. Daarvan kan volgens artikel 6.7 van het Vb 2000 slechts sprake zijn in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Daartoe geldt, volgens verweerders beleid, zoals neergelegd in paragraaf B5/4.4 van de Vc 2000, en voor zover hier van belang, als uitgangspunt dat slechts gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen, indien zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 3, dan wel artikel 8 van het EVRM. Over de redelijkheid van dit beleid heeft eiser geen opmerkingen gemaakt.

2.4.8. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afhanistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

In de eerdergenoemde uitspraak van 9 juni 2008, waarbij het beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond is verklaard, heeft de rechtbank ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM geoordeeld dat verweerder heeft mogen volstaan met te verwijzen naar het rechtens vaststaande besluit van 9 maart 2006 in de asielprocedure (waarin was geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, ondanks zijn KhAD/WAD-verleden, bij terugkeer een reëel en voorzienbaar risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank achtte gesteld noch gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die verweerder tot een heroverweging noopten. Dit oordeel is door de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van 12 december 2008 bevestigd. Gelet hierop staat, behoudens nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, vast dat zich bij terugkeer ten aanzien van eiser geen situatie zal voordoen die strijdig is met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM.

2.4.9. Eiser beroept zich in dit verband op de verslechterde situatie in Afghanistan, zoals beschreven in de UNHCR-note van 13 mei 2008 en het ambtsbericht van maart 2009, en op de Definitierichtlijn. Voorts beroept eiser zich op de door de president van het EHRM getroffen interim measures, alsmede op de 'Eligibility Guidelines' van december 2007 en juli 2009 van de UNHCR.

In onderdeel 3.26 van het verweerschrift stelt verweerder dat sprake is van een verslechtering van de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan, een toename van het aantal veiligheidsincidenten en conflictgerelateerde slachtoffers en dat het conflict is geïntensiveerd en zich heeft verspreid naar voorheen stabiele gebieden. Verweerder ziet evenwel geen aanleiding hieraan de conclusie te verbinden dat de mate van willekeurig geweld thans dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger in de provincie Khost, louter door zijn aanwezigheid aldaar, thans een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15 van de Definitierichtlijn. Verweerder verwijst hiervoor, onder meer, naar het algemeen ambtsbericht van maart 2009, de UNHCR Eligibility Guidelines van april 2009, de notitie "Analyse ambtsbericht Afghanistan van maart 2009" van VluchtelingenWerk Nederland van augustus 2009 en het rapport "Afghanistan: Update. Die aktuelle Sicherheitslage." van Schweizerische Flüchtelingshilfe van 11 augustus 2009 (zie punt 3.26 van het verweerschrift).

De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan, sedert het in rechte onaantastbaar worden van het besluit tot ongewenstverklaring, weliswaar is verslechterd, maar dat hierin nog geen aanleiding bestaat om tot de conclusie te komen dat eiser persoonlijk bij terugkeer het risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling heeft artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn betrekking op een situatie waarin ook artikel 3 van het EVRM bescherming biedt. Het, overigens niet inhoudelijke, beroep op de Definitierichtlijn faalt derhalve en kan niet tot een ander oordeel leiden dan verwoord in het besluit van 25 mei 2007. Verweerder heeft in zoverre geen aanleiding hoeven zien de ongewenstverklaring, al dan niet tijdelijk, op te heffen.

Eiser wijst er tevens op dat de president van het EHRM in verschillende zaken van vreemdelingen die voor de KhAD/WAD hebben gewerkt een interim measure heeft getroffen en uitzetting naar Afghanistan heeft verboden tot het EHRM inhoudelijk over de zaak heeft geoordeeld. De rechtbank stelt vast dat deze interim measures niet van een motivering zijn voorzien en veelal zijn getroffen voordat de betrokken partij bij het EHRM in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen. De interim measures moeten naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden aangemerkt als ordemaatregelen die in afwachting van de inhoudelijke behandeling van de zaken zijn getroffen om het risico van onherstelbare schade uit te sluiten. De interim measures wettigen onder deze omstandigheden niet de conclusie dat uitzetting van eiser in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Ook in zoverre is geen sprake van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid sedert het eerdergenoemde besluit van 25 mei 2007, die voor verweerder tot opheffing van de ongewenstverklaring zou moeten leiden.

2.4.10. Aan het voorgaande kan niet afdoen het beroep van eiser op de uitspraak van de nevenzittingsplaats Middelburg van 21 januari 2010 en eisers stelling dat hij in Afghanistan niet (meer) beschikt over een sociaal netwerk. De rechtbank overweegt hiertoe dat niet is gebleken van gelijke gevallen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst gevaar loopt vanwege zijn vroegere werkzaamheden, het ontbreken van sociale banden of een combinatie van deze factoren.

2.4.11. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (arrest van 27 mei 2008 in zaak nr. 26565/05, www.echr.coe.int/echr) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens die jurisprudentie slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Eiser heeft niet gesteld dat in zijn geval sprake is van een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de medische toestand van eiser tot de conclusie zou moeten leiden dat zijn uitzetting naar Afghanistan strijd oplevert met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Derhalve heeft verweerder in de medische toestand van eiser geen aanleiding hoeven zien voor opheffing van de ongewenstverklaring.

2.4.12. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich in het besluit van 25 mei 2007 op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser sedertdien geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die aan dat oordeel kunnen afdoen. Aldus bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser aan artikel 8 van het EVRM geen aanspraak kan ontlenen op opheffing van de ongewenstverklaring.

2.4.13. Het beroep is derhalve ongegrond.

2.4.14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A. Hello, voorzitter, en mrs. P. Putters en B. van Velzen, leden, en door de voorzitter en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.