Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN0713

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
Awb 09/34428
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN7253, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

COa / vergoeding kosten eerste fase contra-expertise / in redelijkheid niet noodzakelijk

De rechtbank stelt vast dat de eerste fase van het onderzoek door De Taalstudio inhoudt dat deze, alvorens de bandopname door een deskundige te laten beluisteren, hetgeen als de eigenlijke taalanalyse moet worden beschouwd, eerst zelfstandig en los van de informatie die uit het asieldossier naar voren is gekomen en waarvan is uitgegaan bij de door het BLT in opdracht van de IND uitgevoerde taalanalyse, via volgens De Taalstudio wetenschappelijk verantwoorde onderzoeksmethoden, informatie vergaart. Aan de hand van die zelfstandig vergaarde informatie wordt vervolgens bepaald of het zinvol is een deskundige de eigenlijke taalanalyse te laten verrichten en zo ja, welke deskundige.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt hiermee echter de achtergrond en het doel van de Rva, namelijk het voorzien in de vergoeding van de in het kader van een asielprocedure te maken noodzakelijke kosten, miskend. Bij een contra-expertise taalanalyse gaat het immers, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.10 is overwogen, niet om een eerste, zelfstandige analyse van de gesproken taal, maar om het bieden van de mogelijkheid om een contra-expertise in te stellen naar aanleiding van en op de grondslag van de eerder door het BLT op aangeven van de IND uitgevoerde taalanalyse. Daarbij moet onderzocht worden of de conclusies van het rapport taalanalyse, uitgaande van het dossier en van de door de vreemdeling in het kader van zijn asielprocedure verstrekte informatie, juist zijn dan wel tot een andere conclusie had moeten worden gekomen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uitgangspunt in de asielprocedure is dat wordt uitgegaan van wat de vreemdeling aan asielmotieven en informatie heeft verstrekt. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan De Taalstudio om opnieuw, met voorbijgaan aan de verklaringen zoals die door de betrokken vreemdeling in zijn asielprocedure zijn afgelegd en de overige door de IND reeds verzamelde en in het dossier van de vreemdeling opgenomen informatie waarop de aanvraag om asiel wordt beoordeeld, voorbereidend onderzoek te verrichten. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de kosten van de eerste fase niet noodzakelijk kunnen achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Rechtbank

Zaaknummer: Awb 09/34428

Uitspraak in het geschil tussen:

X

van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. H. Postma, advocaat te Groningen,

en

Het CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),

gevestigd te Rijswijk,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. E.E. van der Kamp, advocaat te ‘s Gravenhage.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Eiser heeft op 24 juli 2009 aan verweerder verzocht om vergoeding van de kosten die zijn gemoeid met het laten verrichten van een contra-expertise taalanalyse. Bij besluit van 16 september 2009 heeft verweerder de aanvraag gedeeltelijk afgewezen.

1.2. Eiser heeft hiertegen op 23 september 2009 beroep ingesteld. Op 19 november 2009 zijn de gronden van het beroep ingediend.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift, gedateerd op 15 april 2010, ingediend.

1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 29 april 2010. Eiser is aldaar niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft op 17 september 2008 asiel aangevraagd. Eiser stelt afkomstig te zijn uit Centraal-Irak. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft vanwege gerezen twijfel aan eisers afkomst, het Bureau Land en Taal (BLT) een taalanalyse laten uitvoeren. Volgens het rapport is eiser, anders dan hij heeft gesteld, eenduidig niet afkomstig uit Centraal-Irak. Bij het voornemen van 1 juli 2009 tot afwijzing van de aanvraag heeft de IND eiser gevraagd aan te geven of hij al dan niet een contra-expertise wil laten uitvoeren. Bij brief van 24 juli 2009 heeft eiser verweerder gevraagd om vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan het laten uitvoeren van een contra-expertise. Eiser wil die contra-expertise laten uitvoeren door het bemiddelingsbureau “De Taalstudio” (hierna: De Taalstudio). De Taalstudio splitst de contra-expertise uit in een zogeheten eerste en een tweede fase. De totale kosten daarvan bedragen € 1463,00.

2.3. In het bestreden besluit heeft verweerder besloten de kosten van voornoemde expertise tot een bedrag van € 800,00 (exclusief BTW) te vergoeden. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat de kosten die verband houden met de eerste fase, met uitzondering van de werkzaamheid bestaande uit het benaderen van een deskundige, niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voor zover het de tweede fase betreft is verweerder bereid de daaraan verbonden kosten, inclusief voornoemde kosten voor het benaderen van een deskundige, te vergoeden tot een maximumbedrag van € 800,00.

2.4. Verweerder is van mening dat de kosten die De Taalstudio onder werkzaamheden in de eerste fase opvoert en waarop verweerder in het bestreden besluit gedetailleerd is ingegaan, geen noodzakelijke kosten zijn aangezien zij in het geheel niet, of niet direct, zien op de te verrichten taalanalyse als zodanig.

Verweerder heeft aangegeven te hebben geconstateerd dat vooral de kosten van de eerste fase in de afgelopen jaren een grote stijging hebben vertoond. Volgens verweerder hoeft de eerste fase slechts te bestaan uit het benaderen van een deskundige. Dit is niet zozeer een afzonderlijke fase van het proces, maar een logische beginstap van de eigenlijke contra-expertise, te weten de taalanalyse. De hiervoor te maken kosten, alsmede de in het kader van de tweede fase te maken kosten, zijn in beginsel als noodzakelijke kosten aan te merken, zij het dat er aanleiding is om een begrenzing in eerder genoemde zin aan te brengen in het maximaal te vergoeden bedrag.

2.5. Eiser heeft zich in de gronden van beroep op het standpunt gesteld dat het beroep zich richt tegen de afwijzing van verweerder om het gehele bedrag ten behoeve van de contra-expertise, zoals dat door De Taalstudio in de offerte is aangegeven, te vergoeden.

Eiser acht het niet meer volledig vergoeden van een contra-expertise een onredelijke beleidswijziging. Verweerder stelt volgens eiser ten onrechte dat de kosten die gemoeid zijn met de tweede fase van de contra-expertise als niet noodzakelijk moeten worden beschouwd.

Doordat verweerder slechts een deel van de kosten wil vergoeden, kan eiser naar zijn zeggen geen contra-expertise laten uitvoeren. Daarbij wordt gewezen op de omstandigheid dat De Taalstudio een opdracht voor een tweede fase niet in behandeling zou nemen zonder dat daaraan een eerste fase vooraf gegaan is. Aangevoerd is verder dat eiser niet op een andere wijze in de kosten verbonden aan meergenoemde contra-expertise kan voorzien.

2.6. In de Handleiding Buitengewone Kosten van 17 juni 2008 is opgenomen dat verweerder zich beleidsmatig op het standpunt stelt dat een vreemdeling die in het kader van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel wordt geconfronteerd met een voor hem nadelige taalanalyse, in beginsel in staat moet worden gesteld een contra-expertise te laten uitvoeren. Voor zover de vreemdeling in kwestie de kosten daarvan niet zelf kan dragen, worden deze in beginsel als zijnde noodzakelijk door verweerder vergoed.

2.7. Eiser heeft in het kader van vorenstaande gesteld dat het verrichten van een contra-expertise voor hem van doorslaggevend belang moet worden geacht, nu de uitkomst van de door de IND verrichte taalanalyse voor hem negatief is en de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel hoofdzakelijk steunt op deze uitkomst. Uit de jurisprudentie van de Afdeling blijkt, aldus eiser, dat hij alleen middels overlegging van een contra-expertise waaruit volgt dat de conclusies uit de door de IND verrichte taalanalyse niet moeten worden gevolgd, voornoemde afwijzing van zijn asielaanvraag rechtens kan bestrijden. Met een gedeeltelijke vergoeding van de kosten kan eiser de facto deze noodzakelijk te achten contra-expertise niet laten uitvoeren.

Eiser deelt de veronderstelling van verweerder dat een aantal in het besluit genoemde werkzaamheden van De Taalstudio door de gemachtigde uitgevoerd zou kunnen worden, niet. Een gemachtigde is geen taalkundige en beschikt volgens eiser niet over de vereiste expertise om deze werkzaamheden uit te voeren.

Zolang De Taalstudio op het standpunt staat dat het niet mogelijk is de werkzaamheden in de tweede fase uit te voeren zonder dat daaraan een eerste fase is voorafgegaan, valt voor eiser de belangrijkste mogelijkheid om zijn identiteit en herkomst aannemelijk te maken weg.

2.8. Ingevolge artikel 3, eerste lid, Wet COA is verweerder onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

De minister kan, ingevolge het tweede lid van artikel 3 Wet COA, verweerder taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

Ingevolge artikel 12 Wet COA kan de minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, Wet COA.

De Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) strekt ter uitvoering van artikel 12 Wet COA.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, Rva 2005 kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g van de regeling.

In artikel 17, tweede lid, Rva is vermeld dat buitengewone kosten de noodzakelijke kosten zijn die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet door de asielzoeker zelf kunnen worden betaald.

Ingevolge artikel 17, derde lid, Rva worden buitengewone kosten slechts betaald voor zover vooraf door verweerder aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming.

2.9. In lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 maart 2010 (2009078791/1/V1), overweegt de rechtbank dat gezien de tekst van artikel 17, eerste lid en tweede lid van de Rva 2005 en de toelichting daarop, verweerder bij de toepassing van deze bepaling beoordelingsvrijheid toekomt, waarvan de invulling tot zijn verantwoordelijkheid behoort. Het is aan verweerder om te beoordelen of de kosten noodzakelijk zijn en naar aard en omvang in redelijkheid niet kunnen worden geacht door de asielzoeker zelf te worden betaald. Het staat verweerder bij vorenstaande beoordeling vrij, gezien zijn beperkte financiële middelen, rekening te houden met de aard en omvang van de kosten waarvoor vergoeding wordt gevraagd. De rechtbank dient die beoordeling, aldus de Afdeling, terughoudend te toetsen op de wijze zoals die is aangegeven in voornoemde uitspraak. Dit houdt onder meer in dat de rechtbank haar eigen oordeel over de vraag of de kosten waarvoor vergoeding wordt gevraagd noodzakelijk zijn in voornoemde zin, niet in de plaats dient te stellen van dat van verweerder.

2.10. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 4 december 2007, JV 2008, 50) kan de vreemdeling, indien de door het BLT in opdracht van de IND verrichte taalanalyse de gerezen twijfel aan de nationaliteit en identiteit niet wegneemt, die twijfel door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen. Hiertoe kan hij, indien hij van mening is dat de analyse onvolkomenheden bevat, de band, waarop het gesprek ten behoeve van de taalanalyse is opgenomen, desgewenst door een zelf gekozen onafhankelijke deskundige laten beoordelen en zo nodig van commentaar laten voorzien. De desbetreffende vreemdeling kan niet enkel door het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse teweegbrengen dat de IND een nieuwe taalanalyse moet verrichten, dan wel van een van de taalanalyse afwijkende conclusie uit dient te gaan.

2.11. De rechtbank stelt vast dat eiser, nu de IND nog geen beslissing heeft genomen op eisers asielaanvraag en hij derhalve nog een contra-expertise kan inbrengen in zijn asielprocedure, belang heeft bij een beoordeling van het onderhavige beroep.

2.12. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat, gelet op de in rechtsoverweging 2.10 genoemde jurisprudentie, een contra-expertise voor eiser de enige mogelijkheid is om de onderzoeksresultaten van het BLT te weerleggen. Evenmin is in geschil dat de kosten van een contra-expertise in beginsel als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 17, tweede lid, Rva moeten worden aangemerkt. Hetgeen door eiser daarover in het beroepschrift naar voren is gebracht, behoeft dan ook geen bespreking.

2.13. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder in redelijkheid heeft geoordeeld dat de kosten zoals die door De Taalstudio als kosten verbonden aan de eerste fase zijn opgevoerd, geen noodzakelijke kosten zijn in de zin van artikel 17 Rva. De inhoud van het besluit is niet betwist voor zover daarbij de vergoeding van de voor verweerder noodzakelijk bevonden kosten voor de tweede fase contra-expertise taalanalyse aan een maximum van € 800,00 is gebonden.

2.14. In de brief van 24 september 2008 van De Taalstudio aan het COA die bij het besluit is gevoegd, heeft De Taalstudio uiteengezet dat een contra-expertise in verschillende fases wordt uitgevoerd. In die eerste fase worden de volgende werkzaamheden verricht:

- verwerven en verwerken van gegevens over de levensloop van de betrokken asielzoeker en diens gestelde herkomst;

- vergelijking van deze gegevens met gedetailleerde interne en externe bronnen;

- specifieke informatie inwinnen bij onafhankelijke deskundigen;

- opstellen van het verwachte taalprofiel van betrokkene in het licht van diens gestelde levensloop en herkomst;

- beoordelen van de argumenten in de taalanalyse van het BLT;

- beoordelen van de kwalificaties ter zake van de analist en linguïst die de taalanalyse van het BLT hebben uitgevoerd;

- bepalen over welke taal of talen het onderzoek moet gaan;

- vaststellen wat de vraagstelling van het taalonderzoek kan zijn;

- bepalen welke deskundige de zaak in de tweede fase moet beoordelen;

- vaststellen of er aanvullende informatie nodig is voor het onderzoek in de tweede fase;

- beoordelen van de interpretatie die in een eenmaal uitgebrachte beschikking (of een voornemen) aan de resultaten van de taalanalyse is toegekend;

- het opstellen van een dossieranalyse ten behoeve van de asielzoekers of diens gemachtigde waarin de beoordeling van de taalanalyse wordt gemotiveerd;

- opstellen van een plan van aanpak voor de asielzoeker of diens gemachtigde waarin de mogelijkheden van een contra-expertise per zaak helder uiteengezet worden;

- per taal beoordelen van de kwaliteit en kwantiteit van de spraak die beschikbaar is op de opname van het taalanalyse interview;

- vaststellen of een aanvullende opname voor het onderzoek noodzakelijk is; en

- vaststellen of er bijzondere kosten verwacht worden voor de tweede fase.

2.15. De rechtbank stelt vast dat de eerste fase van het onderzoek door De Taalstudio inhoudt dat deze, alvorens de bandopname door een deskundige te laten beluisteren, hetgeen als de eigenlijke taalanalyse moet worden beschouwd, eerst zelfstandig en los van de informatie die uit het asieldossier naar voren is gekomen en waarvan is uitgegaan bij de door het BLT in opdracht van de IND uitgevoerde taalanalyse, via volgens De Taalstudio wetenschappelijk verantwoorde onderzoeksmethoden, informatie vergaart. Aan de hand van die zelfstandig vergaarde informatie wordt vervolgens bepaald of het zinvol is een deskundige de eigenlijke taalanalyse te laten verrichten en zo ja, welke deskundige.

2.16. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hiermee echter de achtergrond en het doel van de Rva, namelijk het voorzien in de vergoeding van de in het kader van een asielprocedure te maken noodzakelijke kosten, miskend. Bij een contra-expertise taalanalyse gaat het immers, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.10 is overwogen, niet om een eerste, zelfstandige analyse van de gesproken taal, maar om het bieden van de mogelijkheid om een contra-expertise in te stellen naar aanleiding van en op de grondslag van de eerder door het BLT op aangeven van de IND uitgevoerde taalanalyse. Daarbij moet onderzocht worden of de conclusies van het rapport taalanalyse, uitgaande van het dossier en van de door de vreemdeling in het kader van zijn asielprocedure verstrekte informatie, juist zijn dan wel tot een andere conclusie had moeten worden gekomen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uitgangspunt in de asielprocedure is dat wordt uitgegaan van wat de vreemdeling aan asielmotieven en informatie heeft verstrekt. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan De Taalstudio om opnieuw, met voorbijgaan aan de verklaringen zoals die door de betrokken vreemdeling in zijn asielprocedure zijn afgelegd en de overige door de IND reeds verzamelde en in het dossier van de vreemdeling opgenomen informatie waarop de aanvraag om asiel wordt beoordeeld, voorbereidend onderzoek te verrichten. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de kosten van de eerste fase niet noodzakelijk kunnen achten.

2.17. Nu verweerder de kosten die zijn gemoeid met de onder de eerste fase opgesomde werkzaamheden in redelijkheid niet noodzakelijk heeft kunnen achten, kan de vraag of de werkzaamheden die De Taalstudio onder de eerste fase schaart al dan niet door een linguïst moeten worden uitgevoerd, in het midden blijven. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de deskundige bij de eigenlijke contra-expertise taalanalyse het dossier, inclusief de verklaringen van eiser en de uitgangspunten van het dossier, tot zich neemt.

Eisers betoog dat een aantal in het bestreden besluit genoemde werkzaamheden uit de eerste fase bezwaarlijk door de gemachtigde uitgevoerd kunnen worden, treft geen doel. Immers, een zelfstandig vooronderzoek is niet nodig. Dit neemt niet weg dat het in de rede ligt dat de gemachtigde verwacht kan worden dat hij op de hoogte is van het dossier en dat hij in dat kader noodzakelijk te achten informatie verstrekt.

2.18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn stelling in het beroepschrift dat het voor hem door de handelwijze van verweerder in feite onmogelijk wordt gemaakt een contra-expertise te laten uitvoeren aangezien De Taalstudio voor dat bedrag geen contra-expertise kan uitvoeren en er geen andere bureaus zijn buiten De Taalstudio die een contra-expertise kunnen uitvoeren, niet onderbouwd. Eiser heeft immers niet aangegeven dat hij onderzoek heeft verricht naar een contra-expertise door andere deskundigen. Bovendien blijkt uit de door verweerder bij het verweerschrift verstrekte informatie dat er meerdere bureaus zijn die een contra-expertise tegen lagere tarieven kunnen uitvoeren. Voorts blijkt uit de bij het verweerschrift gevoegde brief van 18 september 2009 van De Taalstudio dat ook De Taalstudio thans een contra-expertise tegen een lager bedrag en zonder een eerste fase kan verrichten.

2.19. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

2.20. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. T.F. Bruinenberg, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C. van den Dool-van der Steeg als griffier op 26 mei 2010.

de griffier

de rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: