Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN0586

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
AWB 09/22359 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel / Sri Lanka / Tamil / relaas geen positieve overtuigingskracht / geen schending van artikel 3 EVRM / 15c Definitierichtlijn / geen uitzonderlijke situatie / categoriaal beschermingsbeleid / verblijfsalternatief

Niet in geschil is dat eiser Tamil is en afkomstig uit het noorden van Sri Lanka. Het relaas van eiser mist positieve overtuigingskracht. Niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Srilankaanse autoriteiten. Wat betreft het beroep op artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank dat uit de door eiser overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat sprake is van een systematische vervolging van Tamils als bedoeld in rechtsoverweging 116 van het arrest NA.-VK van 17 juli 2008 van het EHRM. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ook het ambtsbericht over Sri Lanka van oktober 2008 geen aanleiding geeft om een bijzonder beleid in te stellen voor Tamils. Ditzelfde geldt voor de informatie die eiser heeft overgelegd en die dateert van na het bestreden besluit, waaronder het ambtsbericht van augustus 2009. Ook heeft eiser geen aanvullende specifiek op hem betrekking hebbende omstandigheden naar voren gebracht die maken dat juist hij het risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Wat betreft het beroep op artikel 15c van de Definitierichtlijn is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak NA.-VK en de uitspraak van de ABRvS van 7 oktober 2009, van oordeel dat op dat moment geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ook op grond van de beschikbare en door eiser overgelegde informatie over de situatie in Sri Lanka van daarna, waaronder het algemeen ambtsbericht van augustus 2009 er ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van zo'n mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Sri Lanka aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld. Wat betreft de weigering om eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het westen en oosten van het land een verblijfsalternatief is voor Tamils. Verweerder mag van eiser in redelijkheid verwachten dat hij zich daar vestigt. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 09/22359 BEPTDN

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1973], van Srilankaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. S. Coenen, advocaat te Utrecht,

en

de Staatssecretaris van Justitie, thans de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Inleiding

1.1 Eiser heeft op 11 mei 2007 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 21 mei 2008 afgewezen. Deze rechtbank heeft op 23 maart 2009 het beroep gericht tegen het besluit van 21 mei 2008 gegrond verklaard (AWB 08/22131) en dat besluit vernietigd. Verweerder heeft bij besluit van 19 mei 2009 de aanvraag van eiser wederom afgewezen. Tegen het besluit van 19 mei 2009 richt zich dit beroep.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 18 maart 2010, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht, waarbij gemachtigde van eiser is waargenomen door mr. B.A. Palm.

Overwegingen

2.1 Allereerst heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute te kunnen vaststellen. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij zijn originele identiteitskaart niet meer kan overleggen omdat hij deze aan de reisagent heeft moeten afstaan. Eiser heeft wel een originele geboorteakte en een kopie van zijn identiteitskaart overgelegd en tijdens het eerste gehoor zijn identiteitsnummer gegeven. Eiser meent dat verweerder ten onrechte aan hem het ontbreken van documenten ter ondersteuning van zijn identiteit en nationaliteit blijft tegenwerpen.

2.2 De rechtbank overweegt dat eiser een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de onderbouwing waar mogelijk van zijn reis- en asielrelaas. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser een eigen verantwoordelijkheid heeft om zijn documenten zorgvuldig te bewaren. De verklaring van eiser dat hij zijn identiteitsdocument aan de reisagent heeft afgegeven, heeft verweerder in redelijkheid niet aangemerkt als een verschoonbare reden voor het ontbreken van de genoemde documenten. Dat eiser afhankelijk was van een reisagent kan, naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2008, LJN BC9690) niet afdoen aan zijn eigen verantwoordelijkheid om documenten over te leggen ter onderbouwing van zijn reis- en asielrelaas. Dat eiser wel een kopie van de geboorteakte en identiteitskaart en nummer heeft overgelegd, maakt het voorgaande niet anders, omdat het op de weg van eiser ligt om originele documenten ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit over te leggen. Voorts heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij toerekenbaar geen documenten van zijn reisroute heeft overgelegd en dat hij over zijn reisroute geen consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd. Eiser heeft hiertegen in beroep geen gronden aangevoerd. Nu verweerder gelet op het voorgaande in redelijkheid aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij geen identiteits- of nationaliteitsdocumenten en geen reisdocumenten heeft overgelegd dient van het relaas van eiser een positieve overtuigingskracht uit te gaan.

2.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het relaas niet geloofwaardig wordt geacht nu eiser zo op vage en op vermoedens gebaseerde verklaringen heeft afgelegd dat aan het realiteitsgehalte van de gestelde vrees geen geloof kan worden gehecht. Het relaas mist dus positieve overtuigingskracht.

2.4 De rechtbank stelt vast dat, mede gelet op het verhandelde ter zitting, in elk geval niet in geschil is dat eiser een Tamil is die afkomstig is uit het noorden van Sri Lanka. Ook betwist verweerder niet dat eiser drie keer is gearresteerd en dat eiser is geslagen. Dat eiser onder dwang vlaggetjes heeft opgehangen betwist verweerder evenmin. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat de causale relatie tussen het ophangen van de vlaggetjes voor de LTTE enerzijds en de arrestaties en de daarmee gestelde negatieve belangstelling van de autoriteiten anderzijds, ontbreekt.

2.5 Eiser heeft zich, onder verwijzing naar zijn zienswijze van 1 mei 2008, op het standpunt gesteld dat er wel degelijk een verband bestaat tussen het ophangen van de vlaggetjes en de daarop volgende arrestaties en dus de negatieve belangstelling van de autoriteiten.

2.6 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verband tussen het onder dwang - ophangen van vlaggetjes, waartoe naar eisers verklaring meerdere mannen uit zijn wijk gedwongen werden, op een ‘LTTE feestdag’ en de drie arrestaties niet geloofwaardig is. Verweerder heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat eiser pas negen maanden nadat hij de vlaggetjes had opgehangen, is benaderd door de Srilankaanse politie. Ook het feit dat alle mannen uit eisers wijk/dorp zijn gearresteerd duidt er niet op dat er een verband bestaat tussen het ophangen van de vlaggetjes en de arrestaties. Verweerder heeft zich voorts naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het veeleer aannemelijk is dat de arrestaties van eiser moeten worden gezien in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka na een (bom)aanslag. Alle jonge mannen werden immers gearresteerd en niet alleen mannen die vlaggetjes hadden opgehangen. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser zelf heeft verklaard dat de arrestaties volgden op een aanslag van de LTTE en dat alle jonge mannen uit zijn dorp dan werden gearresteerd. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat juist hij in de negatieve belangstelling stond van de Srilankaanse autoriteiten. Verweerder heeft hierbij in aanmerking mogen nemen dat eiser na de arrestaties steeds snel en zonder voorwaarden is vrijgelaten en dat hij op legale wijze het land heeft verlaten.

2.7 Eiser heeft aangevoerd dat uit informatie van onder meer Human Rights Watch (HRW) blijkt dat een verdenking van het hebben van banden met de LTTE kan worden gebaseerd op informatie over bijvoorbeeld deelname aan een demonstratie of parade tijdens het staakt-het-vuren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich hierover op het standpunt heeft mogen stellen dat deze informatie van algemene aard is en niet specifiek betrekking heeft op eiser en dat hiermee eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband is tussen de drie door hem genoemde arrestaties en het ophangen van vlaggetjes voor de LTTE.

2.8 Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser het verband tussen de arrestaties door het Srilankaanse autoriteiten en het ophangen van de vlaggetjes voor de LTTE niet aannemelijk heeft gemaakt en dat het relaas dus positieve overtuigingskracht mist.

2.9 Gelet op het hiervoor vermelde heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).

2.10 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank van 23 maart 2009, omdat verweerder in het nieuwe besluit alleen maar heeft verwezen naar de brief van 15 december 2008 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer. In de uitspraak van 23 maart 2009 had de rechtbank verweerder opdracht gegeven op de door eiser overgelegde bronnen en documenten die dateerden van na het ambtsbericht van april 2007, in te gaan bij een nieuw te nemen besluit op de aanvraag van eiser, dit in het licht van eisers beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw en artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Richtlijn).

2.11 De rechtbank stelt vast dat de brief van 15 december 2008 waarnaar verweerder in het in het besluit ingelaste voornemen heeft verwezen wordt ingegaan op de uitspraak van 17 juli 2008 inzake NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (hierna: NA.-VK) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM; LJN BF0248). In deze uitspraak heeft het EHRM, zoals verweerder in genoemde brief ook verklaart, de situatie in Sri Lanka beoordeeld aan de hand van een grote hoeveelheid informatie zoals rapporten van de UNHCR van december 2006 en oktober 2007, de mensenrechtenrapporten van Amnesty International van 2007 en 2008 en rapporten van HRW van augustus 2007 en maart 2008. Het EHRM komt op grond van deze informatie tot de conclusie dat de veiligheidssituatie in Sri Lanka achteruit is gegaan, vooral sinds het einde van het staakt-het-vuren in januari 2008. Er is een toename van mensenrechtenschendingen, zowel van de kant van de LTTE (de Tamil Tijgers) als die van de Srilankaanse overheid. Het EHRM is niettemin van oordeel dat er voor Tamils geen algemeen risico bestaat bij terugkeer. De beoordeling of een Tamil bij terugkeer te vrezen heeft voor mensenrechtenschendingen kan alleen op individuele basis worden gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de verwijzing naar deze uitspraak van het EHRM en de daaraan ten grondslag liggende landeninformatie over de situatie in Sri Lanka voldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank van 23 maart 2009. Zoals blijkt uit de uitspraak van 23 maart 2009, heeft eiser, naast informatie over Sri Lanka die het EHRM ook expliciet bij zijn oordeel heeft betrokken, nog gewezen op een aantal andere stukken. De rechtbank is van oordeel dat, nu deze informatie ziet op de situatie in Sri Lanka in dezelfde periode als de landeninformatie waarop het EHRM zich baseert en uit deze informatie geen ander beeld naar voren komt over de situatie in dat land, dit niet leidt tot een ander oordeel dan hierboven verwoord.

2.12 Gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, is verder in geschil of verweerder, de door hem wel geloofwaardig bevonden feiten en omstandigheden in ogenschouw nemend, had moeten concluderen dat eiser bij terugkeer naar Sri Lanka een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van zijn relaas dient te worden betrokken wat voor behandeling hem van de zijde van de Srilankaanse autoriteiten te wachten staat indien hij naar Sri Lanka terugkeert. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat hij Tamil is en afkomstig is uit het noorden van Sri Lanka waardoor hij een aanzienlijk risico loopt op mensenrechtenschendingen. Voorts heeft eiser in beroep gesteld dat sinds de uitspraak inzake NA.-VK en de brief van verweerder van 15 december 2008, de veiligheids- en mensenrechtensituatie in Sri Lanka verder is verslechterd. Eiser heeft gewezen op de brief van Vluchtelingenwerk van 24 maart 2009, een brief van Amnesty International van 25 maart 2009, de UNHCR Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Asylum-Seekers from Sri Lanka van april 2009 (hierna: de Guidelines) en een brief van verweerder van 1 juli 2009. Onder verwijzing naar deze stukken stelt eiser zich op het standpunt dat Tamils uit Sri Lanka als een kwetsbare minderheidsgroep dienen te worden aangemerkt waarvoor dient te gelden dat deze met op zichzelf beperkte individuele indicaties reeds aannemelijk kunnen maken dat vanwege het behoren tot de bevolkingsgroep van Tamils schending van artikel 3 van het EVRM dreigt, althans dat Tamils ten onrechte in WBV 2007/32 door verweerder niet als kwetsbare groep worden aangemerkt.

2.13 In beroep heeft eiser bij brief van 22 februari 2010 ter onderbouwing van zijn standpunt dat gedwongen terugkeer van Tamils naar Sri Lanka gezien de verslechterde veiligheidssituatie strijd artikel 3 van het EVRM zou opleveren, gewezen op de navolgende stukken:

- HRW, ‘Tigers under the bed’, van 18 juni 2009;

- UNHCR Note on the Applicability of the 2009 Sri Lanka Guidelines, van juli 2009;

- Het algemene ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van augustus 2009;

- UK Home Office ‘Country of Origin Information Bulletin Sri Lanka’, van 13 oktober 2009;

- Schweizerische Flüchtlingshilfe (hierna: SFH) ‘Asylsuchende aus Sri Lanka’ van 8 december 2009;

- International Crisis Group (ICG), ‘Sri Lanka: A Bitter Peace’ van januari 2010 en

- HRW, ‘Sri Lanka- Legal Limbo, The Uncertain Fate of Detained LTTE Suspects in Sri Lanka’ van februari 2010.

2.14 De rechtbank zal deze stukken met toepassing van artikel 83 van de Vw betrekken bij de beoordeling van het beroep. Verweerder heeft ter terechtzitting op deze stukken gereageerd en verklaard hierin geen aanleiding te zien voor wijziging of intrekking van het bestreden besluit van 19 mei 2009. Verweerder heeft ter terechtzitting verklaard af te zien van een schriftelijke reactie als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Vw.

2.15 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het vluchtrelaas van eiser, bezien tegen de achtergrond van de politieke en maatschappelijke situatie in Sri Lanka, niet de conclusie kan worden getrokken dat eiser bij terugkeer naar Sri Lanka een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. Verweerder verwijst naar de brief van 15 december 2008, waarin wordt ingegaan op de uitspraak van het EHRM van 17 juli 2008, inzake NA.-VK. Deze uitspraak heeft verweerder geen aanleiding gegeven voor het instellen van een bijzonder beleid voor Tamils. Ditzelfde geldt voor het ambtsbericht van 17 oktober 2008. Er is geen aanleiding geweest om het beleid zoals neergelegd in WBV 2007/32 te wijzigen. Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat medio mei 2009 een einde is gekomen aan de gevechtshandelingen tussen het regeringsleger en de LTTE en dat hierdoor de veiligheidssituatie in het noorden en oosten relatief is verbeterd. Hoewel Tamils extra kwetsbaar zijn vanwege hun veronderstelde betrokkenheid bij de LTTE, is er in Sri Lanka geen sprake van vervolging van Tamils als zodanig en leidt het enkele feit dat iemand Tamil is niet tot verlening van een verblijfsvergunning. Niet is gebleken dat eiser tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort.

2.16 Wat betreft het beroep van eiser op de informatie zoals weergegeven onder 2.13 heeft verweerder ter terechtzitting verklaard dat de informatie van HRW en de UNHCR is meegenomen bij de totstandkoming van het ambtsbericht van augustus 2009. Op grond van dit ambtsbericht en het WBV 2009/25 dat naar aanleiding van dit ambtsbericht tot stand is gekomen, is het enkele feit dat iemand Tamil is onvoldoende voor vergunningverlening. De andere informatie waarnaar eiser heeft verwezen geeft verweerder geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze stukken zien met name op Tamils die in de aandacht staan van de autoriteiten, aldus verweerder.

2.17 Wat betreft het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank het volgende. Niet in geschil is dat eiser Tamil is en afkomstig uit het noorden van Sri Lanka. Uit het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 (NA.-VK) blijkt dat het enkele behoren tot een groep slechts dan tot de conclusie kan leiden dat de desbetreffende vreemdeling een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling indien aannemelijk is gemaakt dat die groep systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen (zie onder meer rechtsoverweging 116). Naar het oordeel van de rechtbank kan een dergelijke systematische vervolging niet uit de door eiser overgelegde stukken worden afgeleid, zodat eiser evenmin vanwege het enkel zijn van Tamil in aanmerking komt voor een vergunning. De rechtbank verwijst in dat verband naar rechtsoverweging 128 van het arrest van 17 juli 2008. Het EHRM heeft in dit arrest op grond van de voorhanden zijnde landeninformatie aangenomen dat de verslechterde veiligheidssituatie niet zo is dat deze een reëel risico oplevert voor alle naar Sri Lanka terugkerende Tamils. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat ook het ambtsbericht over Sri Lanka van oktober 2008 geen aanleiding geeft om een bijzonder beleid in te stellen voor Tamils. Ditzelfde geldt voor de informatie die eiser heeft overgelegd en die dateert van na het bestreden besluit, waaronder het ambtsbericht van augustus 2009.

2.18 Vervolgens komt de vraag aan de orde of bij eiser sprake is van aanvullende specifieke omstandigheden die maken dat juist eiser het risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Sri Lanka. Eiser heeft zich – met verwijzing naar de in het arrest NA.-VK van het EHRM genoemde risicofactoren – op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende heeft getoetst aan de in deze uitspraak genoemde risicofactoren, terwijl een aantal van deze risicofactoren op eiser van toepassing zijn, zoals een verdenking van LTTE-lidmaatschap, de afwezigheid van een identiteitskaart en het doen van een asielverzoek in het buitenland. Op grond van deze omstandigheden stelt eiser bij terugkeer naar Sri Lanka een risico te lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

2.19 De rechtbank overweegt dat de individuele omstandigheden in samenhang moeten worden gezien en dat deze moeten worden bezien in het licht van de algemene situatie. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat sprake kan zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM bij uitzetting naar Sri Lanka indien betrokkene aannemelijk maakt dat de Srilankaanse autoriteiten bij zijn terugkeer zo'n negatieve belangstelling voor hem zouden hebben dat hij gedetineerd en ondervraagd zou worden in het kader van de bestrijding van de LTTE, zo volgt uit rechtsoverweging 133 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dit niet aannemelijk gemaakt. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de stelling van eiser dat hij is opgepakt vanwege verdenking van het samenwerken met de LTTE ongeloofwaardig is geacht, omdat, zoals hiervoor al is overwogen, de causale relatie tussen het ophangen van vlaggetjes voor de LTTE en de arrestaties niet aannemelijk wordt geacht. De rechtbank heeft dat standpunt van verweerder hiervoor al gevolgd. Over het niet beschikken over een identiteitsdocument overweegt de rechtbank dat eiser ten tijde van zijn vlucht via de luchthaven van Colombo legaal is uitgereisd met een paspoort op zijn eigen naam, waarbij hij op de luchthaven is gecontroleerd. Eiser heeft dit paspoort zelf aangevraagd in Colombo. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om alsnog een identiteitsdocument te verkrijgen, eventueel via zijn familie of vrienden. Dat eiser legaal en met een paspoort op zijn eigen naam het land heeft verlaten, maakt dat niet aannemelijk is dat eiser bij de autoriteiten bekend staat vanwege vermeende banden met de LTTE.

2.20 Eiser heeft naar oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het feit dat hij een mannelijke Tamil uit het noordoosten van Sri Lanka is, een asielverzoek in het buitenland heeft ingediend en hij geen identiteitskaart heeft, maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.

2.21 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op artikel 3 van het EVRM, voor zover dat ziet op een (groeps)risico in de zin van de uitspraken van het EHRM van 30 oktober 1991 inzake Vilvarajah (RV 1991/ 19) en van 11 januari 2007 in de zaak Salah Sheekh tegen Nederland, 1948/04 (LJN AZ5971), niet kan slagen.

2.22 Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn. Eiser verwijst naar de Guidelines van de UNHCR van april 2009 waarin melding wordt gemaakt van "widespread insecurity and generalized violence" in Sri Lanka. De UNHCR concludeert op p. 32 (voetnoot 132): "UNHCR considers that the degree of indiscriminate violence which characterizes the armed conflict in the North of Sri Lanka to be of such a high level that there are substantial grounds for believing that a civilian, if returned to this region, would solely because of his/her presence in the region, face a real risk of being subject to a serious and individual threat to his/her life or person". De algemene (mensenrechten)informatie over de situatie in Sri Lanka zoals weergegeven onder 2.13 heeft eiser eveneens ingebracht ter onderbouwing van zijn stelling dat van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn sprake is.

2.23 Op grond van artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn – voor zover hier van belang – komt een onderdaan van een derde land die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, maar ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15 van de Richtlijn en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen, in aanmerking voor een subsidiaire beschermingsstatus. Onder ernstige schade wordt volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn verstaan een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.24 In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 17 februari 2009 (LJN BH3646) over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn, heeft het Hof in rechtsoverweging 43 antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de ABRvS had gesteld:

“43. Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 15, sub c, van de richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 2, sub e, van deze richtlijn, moet worden uitgelegd als volgt:

- opdat sprake is van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van degene die om subsidiaire bescherming verzoekt, is het niet noodzakelijk dat deze persoon aantoont dat hij specifiek wordt geviseerd om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden;

- bij wijze van uitzondering kan een dergelijke bedreiging worden geacht aanwezig te zijn wanneer de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict, die wordt beoordeeld door de bevoegde nationale autoriteiten waarbij een verzoek om subsidiaire bescherming is ingediend of door de rechters van een lidstaat bij wie beroep is ingesteld tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek, dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op die bedreiging zou lopen.”

2.25 In de uitspraak van 25 mei 2009 (LJN BI4791) heeft de ABRvS overwogen dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn, uitsluitend bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Voorts heeft de ABRvS overwogen dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling – gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008, NA.-VK (LJN BF0248) – ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn.

2.26 Uit het voorgaande volgt dat de bewoordingen van artikel 3 van het EVRM en artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn, weliswaar verschillend zijn maar de jurisprudentie van het EHRM, in het bijzonder rechtsoverweging 115 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 inzake NA.-VK, naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat artikel 3 van het EVRM zo beperkt moet worden opgevat dat het niet ziet op een situatie als omschreven door het Hof in rechtsoverweging 43, tweede gedachtestreepje, van het arrest van 17 februari 2009.

2.27 De rechtbank is van oordeel, onder verwijzing naar rechtsoverweging 115 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 inzake NA.-VK, dat op dat moment geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn. Verweerder heeft gewezen op de uitspraak van de ABRvS van 7 oktober 2009 (LJN BK4906). Hierin oordeelde de ABRvS dat uit informatie uit het ambtsbericht van september 2008 niet kan worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het door de vreemdeling gestelde gewapend conflict dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid daar, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, als vorenbedoeld.

2.28 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ook op grond van de beschikbare en door eiser overgelegde informatie over de situatie in Sri Lanka van daarna, waaronder het algemeen ambtsbericht van augustus 2009 er ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van zo'n mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Sri Lanka aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld. De rechtbank overweegt dat hoewel uit de UNHCR Guidelines van april 2009, de ambtsberichten en de overige overgelegde stukken volgt dat medio 2008 het gewapend conflict in het noorden van Sri Lanka is geëscaleerd, daaruit naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het door eiser gestelde gewapend conflict zo hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid daar, op dat moment een reëel risico liep als hiervoor bedoeld. Voor de situatie na mei 2009 de beëindiging van het gewapend conflict biedt de door eiser ingebrachte informatie onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.

2.29 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Gelet hierop behoeft, zoals verweerder ter zitting ook heeft betoogd, eisers stelling dat er geen sprake is van een vestigingsalternatief elders in Sri Lanka in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, geen bespreking. Verweerder heeft dan ook niet aan eiser een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw hoeven te verlenen.

2.30 Gelet op het verhandelde ter zitting stelt verweerder zich in het kader van eisers beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw op het standpunt dat het terugzenden van Tamils naar het noorden en oosten niet opportuun is, maar dat Tamils uit het noorden en oosten een verblijfsalternatief hebben elders in het land. Verweerder verwijst naar WBV 2009/25.

2.31 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat Tamils uit het noorden zich niet elders in Sri Lanka kunnen vestigen. Eiser verwijst hiervoor naar de uitgebreide motivering in zijn zienswijze van 1 mei 2008 en naar de meest recente Guidelines van de UNHCR van april 2009. Eiser stelt dat verweerder in het voornemen alleen verwijst naar WBV 2007/32 en stelt dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

2.32 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het westen en oosten van het land een verblijfsalternatief is voor Tamils en dat verweerder van eiser in redelijkheid mag verwachten dat hij zich daar vestigt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit het ambtsbericht van augustus 2009, waarop het WBV 2009/25 waarnaar verweerder heeft verwezen, is gebaseerd, weliswaar blijkt dat Tamils op grond van de noodwetgeving geregeld worden gearresteerd in Colombo en het noorden en het oosten van het land maar dit lijkt met name gericht te zijn op diegenen die ervan worden verdacht gedurende het militair offensief in contact te hebben gestaan met de LTTE dan wel bijstand te hebben verleend aan de LTTE of uitlatingen in de media hebben gedaan. Uit de andere door eiser overgelegde informatie, waaronder de UNHCR note van juli 2009 en het rapport van de SFH van 8 december 2009, kan niet worden afgeleid dat verweerder het westen en zuiden van Sri Lanka in redelijkheid niet als verblijfsalternatief heeft kunnen aanmerken. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank aan eiser in redelijkheid een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw kunnen onthouden.

2.33 Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, als rechter en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2010.

De griffier:

mr. N.R. Hoogenberk

De rechter

mr. D.A. Verburg

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.