Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM9916

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
AWB 09 / 41781
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de formuleringen in het voornemen, in het bestreden besluit en in het verweerschrift is naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk of, en in hoeverre, verweerder onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds vermoedens en veronderstellingen over feiten en omstandigheden die volgens eiseres hebben plaatsgehad en anderzijds vermoedens die betrekking hebben op wat eiseres zou staan te wachten bij terugkeer naar Mongolië.

Dit klemt te meer nu uit de bestreden beslissing (met daarin herhaald en ingelast het voornemen), het verweerschrift en verweerders toelichting ter zitting blijkt dat verweerder eiseres volgt in de door haar gestelde gebeurtenissen die in Taiwan en Mongolië hebben plaatsgevonden. Het had op de weg van verweerder gelegen om duidelijker te motiveren in hoeverre onderscheid is gemaakt tussen enerzijds eiseres’ veronderstellingen omtrent gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden en anderzijds haar vermoedens omtrent de gevolgen van een eventuele terugkeer naar Mongolië. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de - op de door verweerder geloofwaardig geachte gebeurtenissen gebaseerde - vrees van eiseres voor problemen met de Mongolische politie zich naar zijn aard én gelet op het beroep van eiseres op dit punt niet uitsluitend beperkt tot het verleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE,

zittinghoudend te MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 41781

Uitspraak

in het geding tussen

[eiseres], eiseres,

en

de Minister van Justitie, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

Datum bestreden besluit: 19 oktober 2009

Kenmerk: 0803.31.1576

V-nummer: [xxx]

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemd besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 mei 2010, alwaar eiseres is verschenen, bijgestaan door F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Sittard, en G. Enoma-Nervi, tolk.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.A. Hansen, werkzaam bij het Ministerie van Justitie.

2. Overwegingen

Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Mongolische nationaliteit te hebben. Op 13 juni 2008 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend.

Aan haar aanvraag heeft zij - samengevat weergegeven - het navolgende relaas ten grondslag gelegd. Eiseres is in 2005 via een bemiddelingsbureau naar Taiwan gegaan om aldaar te gaan werken. Bij aankomst in Taiwan werd eiseres gedwongen tot prostitutie. Zij is mishandeld en verkracht. Bij terugkeer in Mongolië hebben eiseres en haar echtgenoot klachten ingediend bij het bemiddelingsbureau en aangiftes gedaan bij de politie. De directeur van het bemiddelingsbureau heeft de politie omgekocht en is in december 2006 overleden. De echtgenoot van eiseres werd beschuldigd van moord op de directeur en is in augustus 2007 vermoord door de politie. In september 2007 heeft eiseres een oproep van de politie ontvangen, waarna zij is ondergedoken. Zij heeft Mongolië verlaten in februari 2008.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder voornoemde aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

Eiseres kan zich met deze afwijzing niet verenigen en heeft in haar zienswijze en in beroep - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd. Verweerder heeft eiseres ten onrechte tegengeworpen dat zij geen documenten ter staving van haar reisroute heeft overgelegd. Zij heeft deze documenten onder (psychische) druk afgestaan aan haar reisagent. Eiseres was van haar reisagent afhankelijk. Bovendien heeft eiseres gedetailleerd en consistent verklaard over haar reis. Eiseres heeft met de kopie van haar identiteitskaart haar identiteit voldoende aangetoond. De identiteitskaart heeft ze nimmer teruggekregen van haar reisagent. Voornoemde kopie heeft eiseres in Mongolië door een notaris laten waarmerken als bewijs van echtheid. Verweerder heeft het ten onrechte vreemd geacht dat eiseres de termen binnenlands paspoort en identiteitskaart door elkaar gebruikt, nu in Mongolië in het verleden werd gesproken over een binnenlands - en een buitenlands paspoort. Later werd de term binnenlands paspoort gewijzigd in identiteitskaart. Daartoe heeft eiseres gewezen op het ambtsbericht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van november 2003. Eiseres heeft wel een buitenlands paspoort gehad. Zij is dit vergeten aan te geven in de correcties en aanvullingen. Dit paspoort is zij in april 2006 kwijt geraakt.

Eiseres heeft voorts gesteld dat haar relaas geloofwaardig dient te worden geacht. Zij baseert haar vrees op de oproep van de politie waaraan zij geen gehoor heeft gegeven. De reden van de oproep wordt eerst bekend indien gehoor wordt gegeven aan de oproep. Gelet op de problemen die eiseres heeft veroorzaakt bij de politie en gelet op de dood van haar echtgenoot, heeft eiseres geen gehoor gegeven aan de oproep en is zij ondergedoken. In Mongolië kunnen burgers door de politie willekeurig worden gearresteerd en gedetineerd. Daartoe heeft eiseres gewezen op het eerdergenoemde ambtsbericht en op diverse rapporten.

Ten slotte heeft eiseres diverse stukken overgelegd waaruit (onder meer) blijkt dat bij haar tuberculose is geconstateerd en heeft zij gesteld dat haar uitzetting in strijd is met artikel 3 van het Europese Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Als zich de omstandigheid voordoet, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000, mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas van de vreemdeling om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

Het beleid met betrekking tot het toerekenbaar ontbreken van documenten is neergelegd in onderdeel C4/3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Volgens dit beleid moet het toerekenbaar ontbreken van documenten in de context van het totale feiten¬complex worden beschouwd. Daarbij tast het toerekenbaar ontbreken van documenten de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan. In dit beleid is verder onder meer bepaald dat de vaststelling dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas voldoende is om 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000 tegen te werpen.

Verweerder komt bij de toepassing van voormeld beleid in een concreet geval beoordelings¬ruimte toe. Hij beoordeelt de geloofwaardigheid van het asielrelaas op basis van uitvoerige gehoren en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbare situatie. Dit overzicht stelt hem in staat die beoordeling vergelijkenderwijs en aldus geobjectiveerd te verrichten. Het op deze wijze beoordelen van de geloofwaardigheid van het asielrelaas door verweerder brengt met zich dat de rechter die beoordeling terughoudend zal dienen te toetsen. Dit is bevestigd in vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer in de uitspraak van 27 januari 2003 (LJN AF 5566). Deze terughoudende toetsing laat onverlet dat de rechter de besluitvorming die tot het oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas of onderdelen daarvan heeft geleid, aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering, moet toetsen, maar staat er aan in de weg dat de rechter bij die toetsing het eigen oordeel inzake de geloofwaardigheid in de plaats stelt van dat van verweerder.

Ingevolge jurisprudentie van de Afdeling (zie de uitspraak van 21 juli 2009, LJN BJ3621) moeten, naast de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden (gebeurtenissen), ook de vermoedens van de vreemdeling die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens zijn asielrelaas hebben plaatsgevonden, worden onderscheiden van de door de vreemdeling aan die gebeurtenissen ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat. De toetsing door de rechter van het standpunt van verweerder over de eerste categorie vermoedens geschiedt, gelijk de gestelde feiten en omstandigheden, terughoudend.

Bij toetsing door de rechter van het standpunt van verweerder over het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden (gebeurtenissen) ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, is ingevolge jurisprudentie van de Afdeling voor voornoemde terughoudendheid geen plaats, omdat deze vermoedens deel uit maken van de door de vreemdeling op die feiten en omstandigheden gebaseerde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag of voor schending jegens hem van artikel 3 van het EVRM.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid aan eiseres heeft mogen toerekenen dat zij geen documenten ter staving van haar identiteit, nationaliteit en reisroute heeft overgelegd. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de door eiseres overgelegde kopie van haar identiteitskaart onvoldoende is om haar identiteit en nationaliteit te staven. Voorts heeft verweerder betekenis kunnen hechten aan het feit dat eiseres het paspoort dat zij gedurende de reis heeft gebruikt, heeft afgestaan aan haar reisagent, terwijl niet gesteld of gebleken is dat zij geen bescherming heeft kunnen inroepen van de autoriteiten van het land alwaar zij zich ten tijde van het afstaan van dit paspoort bevond. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over haar bezit van een paspoort. Eiseres heeft in het eerste gehoor verklaard dat zij geen buitenlands paspoort heeft gehad, maar slechts een binnenlands paspoort, terwijl zij in het nader gehoor heeft verklaard dat zij met haar paspoort van Taiwan naar Mongolië is gereisd en dat zij haar paspoort in 2006 is kwijt geraakt. De stelling van eiseres dat zij met een binnenlands paspoort een identiteitskaart heeft bedoeld, heeft verweerder niet hoeven volgen, nu zij deze verklaring eerst in de correcties en aanvullingen van 29 december 2008 heeft gegeven en niet in de correcties en aanvullingen van 17 juni 2008. Bovendien heeft eiseres in het eerste gehoor zowel over een binnenlands paspoort gesproken als een identiteitskaart, zodat niet aannemelijk is dat eiseres twee termen heeft gebruikt voor een identiteitskaart.

Voorts overweegt de rechtbank als volgt.

In het voornemen, op bladzijde 4, heeft verweerder het navolgende gesteld: “Nu de vermoedens van betrokkene inzake de reden voor de oproep niet nader onderbouwd of geconcretiseerd is en nu ook overigens niet gebleken is van een negatieve aandacht zijdens de politie, is de vrees dat betrokkene in de negatieve aandacht van de politie staat vanwege het geen gehoor geven aan de oproep evenmin geobjectiveerd.”

Op bladzijde 5 van het voornemen heeft verweerder gesteld: “Gezien de beoordeling van het realiteitsgehalte van de vermoedens van betrokkene en de vermoedens en verklaringen van de schoonfamilie van betrokkene, bezit het relaas van betrokkene geen positieve overtuigingskracht en is haar relaas niet geloofwaardig. Betrokkene komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.”

Op bladzijde 3 van het bestreden besluit heeft verweerder gesteld: “In het voornemen is (…) gemotiveerd overwogen dat betrokkene geen geloofwaardige vermoedens en veronderstellingen naar voren heeft gebracht. Aangezien de gegrondheid van de vermoedens en veronderstellingen niet geloofwaardig is, behoeft het al dan niet kunnen krijgen van bescherming geen verdere bespreking.”

In het verweerschrift overweegt verweerder onder punt 3.5 (onder meer) het navolgende: “In het bestreden besluit, waarbij het voornemen als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, is gemotiveerd uiteengezet dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de problemen met het bemiddelingsbureau en de melding die zij hiervan bij zowel het bureau zelf als bij de politie heeft gemaakt, de problemen heeft ondervonden die zij stelt te hebben ondervonden. Van het asielrelaas gaat gelet hierop geen positieve overtuigingskracht uit. Het causaal verband dat door eiseres wordt gesteld, heeft zij op geen enkele manier onderbouwd en is enkel gebaseerd op vermoedens en veronderstelling van haar kant. Gelet hierop heeft eiseres de aan de feiten ontleende vermoedens niet aannemelijk gemaakt en is de gegronde vrees voor vervolging niet geloofwaardig.”

De rechtbank begrijpt verweerders standpunt in dezen, gelet op de toelichting door verweerder ter zitting op het vorenstaande, aldus dat de vrees van eiseres die zij stelt te hebben gehad als gevolg van de door haar gestelde feiten en omstandigheden, door verweerder is gekwalificeerd als (onder)deel van de gestelde feiten en omstandigheden (de gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgehad) en dat verweerder van mening is dat aan deze feiten en omstandigheden geen positieve overtuigingskracht toekomt.

Gelet evenwel op de hierboven weergegeven formuleringen in het voornemen en in het bestreden besluit en gelet op het gebruik van de term “gegronde vrees voor vervolging” in het verweerschrift in dat verband, is naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk of, en in hoeverre, verweerder onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds vermoedens en veronderstellingen over feiten en omstandigheden die volgens eiseres hebben plaatsgehad en anderzijds vermoedens die betrekking hebben op wat eiseres zou staan te wachten bij terugkeer naar Mongolië. De toelichting door verweerders gemachtigde ter zitting maakt dit niet anders. De rechtbank verwijst naar de voornoemde Afdelingsuitspraak van 21 juli 2009.

Het voorgaande klemt te meer nu uit de bestreden beslissing (met daarin herhaald en ingelast het voornemen), het verweerschrift en verweerders toelichting ter zitting blijkt dat verweerder eiseres volgt in de door haar gestelde gebeurtenissen die in Taiwan en Mongolië hebben plaatsgevonden. Het had op de weg van verweerder gelegen om duidelijker te motiveren in hoeverre bovenbedoeld onderscheid is gemaakt tussen enerzijds eiseres’ veronderstellingen omtrent gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden en anderzijds haar vermoedens omtrent de gevolgen van een eventuele terugkeer naar Mongolië. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de - op de door verweerder geloofwaardig geachte gebeurtenissen gebaseerde - vrees van eiseres voor problemen met de Mongolische politie zich naar zijn aard én gelet op het beroep van eiseres op dit punt niet uitsluitend beperkt tot het verleden.

De bestreden beslissing is naar het oordeel van de rechtbank op dit punt onduidelijk en daarmee ondeugdelijk gemotiveerd. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond verklaard dient te worden en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen overigens is aangevoerd door eiseres geen bespreking meer.

Ter voorlichting van eiseres merkt de rechtbank nog op dat de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging de het bestreden besluiten niet betekent dat zij op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank een aantal beroepsgronden (met name op het punt van het tegenwerpen van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000) ondubbelzinnig heeft verworpen. Indien eiseres zich niet kan verenigen met de verwerping van deze beroepsgronden en willen voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank in rechte komt vast te staan, zal zij, ondanks de gegrondverklaring van het beroep, tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep moeten instellen.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op onder 3 vermelde bedrag. Voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiseres zijn twee punten toegekend (voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting). Het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

De rechtbank stelt vast - onder verwijzing naar artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand - dat op de datum van deze uitspraak de eventueel voor deze procedures verleende toevoeging niet is overgelegd, zodat toepassing van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb achterwege blijft.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 874,00, te betalen aan eiseres.

Aldus gedaan door R.A.M.M. Gijselaers, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.J. Wenders, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2010.

w.g. S. Wenders

w.g. R. Gijselaers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

verzonden op:23 juni 2010

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. In artikel 6:5 van de Awb is onder meer bepaald dat bij het beroepschrift een afschrift van de uitspraak moet worden overgelegd. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 88 van de Vw 2000 juncto artikel 8:81 van de Awb de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.