Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM9526

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
AWB 10/17476
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / artikel 59, tweede lid, Vw 2000 / Dublinclaim / onvoldoende voortvarendheid betracht teneinde voorgenomen uitzettingsdatum te halen

Bij de beoordeling van de voortvarendheid van het handelen van verweerder gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser is op 12 mei 2010 in bewaring gesteld met het doel op 20 mei 2010 per vliegtuig uitgezet te worden naar Zweden. Op 17 mei 2010 is een vlucht aangevraagd, welke heeft plaatsgevonden op 25 mei 2010. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat er minimaal een week zit tussen het aanvragen van een vlucht en de daadwerkelijke vluchtdatum.

Op grond van deze feiten stelt de rechtbank vast dat verweerder zich kennelijk onvoldoende heeft ingespannen om de uitzetting van eiser plaats te laten vinden op 20 mei 2010, de voorgenomen datum van overdracht aan de Zweedse autoriteiten. Gelet op het doel en de strekking van een bewaring op grond van het tweede lid van artikel 59 Vw 2000 is de rechtbank van oordeel dat verweerder aldus onvoldoende voortvarend heeft gehandeld teneinde te uitzetting van eiser te bewerkstelligen.

Het beroep is gegrond. De bewaring is vanaf 20 mei 2010 onrechtmatig geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/17476 VRONTN S4

Uitspraak van 3 juni 2010 op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

[...],

geboren 1971,

van Afghaanse nationaliteit,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

eiser,

gemachtigde: mr. J.G. Brands, advocaat te Groningen,

tegen

de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E.B. Rijpma,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2010 is eiser op de voet van artikel 59, eerste en tweede lid, Vw 2000 in bewaring gesteld.

Eiser heeft op 14 mei 2010 beroep ingesteld tegen dit besluit waarbij is verzocht om opheffing van de bewaring onder toekenning van schadevergoeding.

Op 25 mei 2010 heeft verweerder de bewaring opgeheven omdat eiser op die dag is uitgezet naar Zweden.

Gemachtigde van eiser heeft kenbaar gemaakt het beroep te willen voortzetten met het oog op toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 27 mei 2010. Eiser is niet ter zitting verschenen. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Aangezien de rechtbank van oordeel is dat het onderzoek ter zitting niet volledig is geweest, is het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), heropend.

Bij faxbericht van 28 mei 2010 zijn partijen hiervan op de hoogte gesteld en is verweerder verzocht een door de rechtbank noodzakelijk geachte vraag te beantwoorden.

Diezelfde dag heeft gemachtigde van verweerder deze vraag schriftelijk beantwoord. Gemachtigde van eiser heeft bij faxbericht van 1 juni 2010 aangegeven geen behoefte te hebben aan een reactie op het antwoord van verweerder. Tevens hebben partijen de rechtbank toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 Awb zonder nader onderzoek ter zitting uitspraak te doen, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

In het onderhavige geval is verweerder op 25 mei 2010 overgegaan tot opheffing van de bewaring voordat de rechtbank het tegen die maatregel ingestelde beroep heeft kunnen behandelen.

Op grond van het bepaalde in artikel 106 Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. De artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Gelet op het verzoek tot schadevergoeding dient thans te worden vastgesteld of de maatregel van bewaring reeds op enig moment voor de opheffing ervan door verweerder onrechtmatig was en, zo ja, of aanleiding bestaat tot toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Namens eiser is aangevoerd dat eiser meewerkt aan zijn uitzetting naar Zweden en ook na zijn eerdere inbewaringstelling niet is vertrokken, reden waarom er geen onttrekkingsgevaar kan worden aangenomen.

De rechtbank overweegt hiertoe dat in paragraaf A6/5.3.3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) het beleid van verweerder wordt weergegeven ten aanzien van het opleggen van de maatregel van bewaring bij zogeheten Dublinclaimanten. Uit voornoemde paragraaf blijkt dat het mogelijk is om een zogeheten Dublinclaimant op grond van artikel 59, eerste lid, Vw 2000 of artikel 59, eerste en tweede lid, Vw 2000 in bewaring te stellen. Voor de toepassing van deze bewaringsgrond is het noodzakelijk dat er een belangen-afweging plaatsvindt. Bij overname- en terugnameverzoeken is de belangenafweging in beginsel al gegeven, nu de betrokken vreemdeling reeds eerder is vertrokken uit de lidstaat zonder af te wachten welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek (overname), dan wel uit de lidstaat is vertrokken die zich reeds verantwoordelijk had verklaard voor de behandeling van zijn asielverzoek (terugname). Het gegeven dat er gevaar bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht voordat de overdracht geëffectueerd kan worden, is dus in beginsel altijd aanwezig bij Dublinclaimanten. Naar het oordeel van de rechtbank betekent de omstandigheid dat eiser meewerkt aan zijn terugkeer naar Zweden en het gegeven dat eiser zich na zijn eerdere in bewaringstelling niet aan toezicht heeft onttrokken, niet dat verweerder eiser niet in redelijkheid in bewaring heeft kunnen stellen.

Voorts heeft gemachtigde van eiser zich op het standpunt gesteld dat de door verweerder aan gemachtigde verzonden aanvullende stukken te laat, pas een dag voor de zitting, zijn ontvangen. Gemachtigde van eiser wordt niet gevolgd in voornoemd standpunt.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat verweerder, onbetwist, ter zitting heeft aangegeven dat het aanvullende stuk per fax op 26 mei 2010, om 17.15 uur is verzonden naar gemachtigde. Het betreft een mededeling van verweerder van een aantal recente feiten met betrekking tot de bewaring van eiser. Gelet op de korte termijnen in bewaringsprocedures en het gegeven dat gemachtigde nog een halve werkdag de tijd heeft gehad kennis te nemen van het aanvullende stuk - dat van beperkte omvang is - is de rechtbank van oordeel dat verweerder voornoemd stuk voldoende tijdig heeft verzonden en dat van schending van de beginselen van een goede procesorde geen sprake is.

Namens eiser is voorts gesteld dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, nu eiser drie maanden geleden ook een week in bewaring heeft doorgebracht teneinde uitgezet te worden naar Zweden en die eerdere bewaring is opgeheven zonder dat uit de stukken blijkt wat de reden van opheffing is geweest.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat de eerdere bewaring van eiser (gedurende de periode van 24 februari 2010 tot en met 2 maart 2010) op 3 maart 2010 is opgeheven omdat eiser is geplaatst in de opvang. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde duidelijkheid te krijgen omtrent de daadwerkelijke reden van de opheffing van de eerdere bewaring. Bij faxbericht van 28 mei 2010 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat de reden van opheffing destijds was gelegen in een toegewezen verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder een kopie van de opheffing van de maatregel van 3 maart 2010 en een telefoonnotitie meegezonden, waaruit de opgegeven reden van opheffing blijkt.

De rechtbank stelt vast dat de opheffing van de eerdere bewaring van eiser is gelegen in een toegewezen verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Totdat op het beroep waaraan de voorlopige voorziening verbonden was, zou zijn beslist, diende de uitzetting van eiser achterwege te blijven. De rechtbank leidt hieruit af dat de eerdere maatregel van bewaring op 3 maart 2010 is opgeheven omdat het zicht op uitzetting op korte termijn heeft ontbroken.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat thans niet het zicht op uitzetting ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat, nu zich kennelijk dit eerdere uitzettingsbeletsel niet langer voordoet, er kan worden gesproken van een nieuw feit in vorenbedoelde zin. Gelet hierop acht de rechtbank de huidige inbewaringstelling niet onrechtmatig.

Ten slotte is namens eiser aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting door eiser pas op 25 mei 2010 uit te zetten naar Zweden, terwijl eiser juist in bewaring was gesteld op 12 mei 2010 teneinde hem op 20 mei 2010 uit te kunnen zetten. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de uitzetting van eiser gepland stond voor 20 mei 2010, maar dat dit niet is gelukt omdat tijdens de aanvraag van een vlucht op 17 mei 2010, is gebleken dat er niet eerder dan op 25 mei 2010 een vlucht beschikbaar was. Verweerder acht hiermee de bewaring niet onrechtmatig. Het gebeurt, aldus gemachtigde van verweerder, vaker dat een door verweerder bedachte uitzetdatum niet wordt gehaald omdat de vlucht nog moet worden geboekt en het zo kan zijn dat er op de voorgenomen datum toch geen vlucht beschikbaar is. Verweerder heeft voorts ter zitting gesteld dat het aanvragen van een vlucht op de vijfde dag na de inbewaringstelling voldoende voortvarend is. Verweerder heeft verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling, LJN: BK2270) waarin is geoordeeld dat door op de zevende dag van de bewaring een aanvang te maken met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling, verweerder voldoende voortvarend had gehandeld.

De rechtbank stelt voorop dat eiser in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste en tweede lid, Vw 2000. In geval van bewaring op grond van het tweede lid van artikel 59 Vw 2000 zijn de voor terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden, dan wel zullen zij binnen korte termijn voorhanden zijn.

Bij de beoordeling van de voortvarendheid van het handelen van verweerder gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser is op 12 mei 2010 in bewaring gesteld met het doel op 20 mei 2010 per vliegtuig uitgezet te worden naar Zweden. Op 17 mei 2010 is een vlucht aangevraagd, welke heeft plaatsgevonden op 25 mei 2010. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat er minimaal een week zit tussen het aanvragen van een vlucht en de daadwerkelijke vluchtdatum.

Op grond van deze feiten stelt de rechtbank vast dat verweerder zich kennelijk onvoldoende heeft ingespannen om de uitzetting van eiser plaats te laten vinden op 20 mei 2010, de voorgenomen datum van overdracht aan de Zweedse autoriteiten. Gelet op het doel en de strekking van een bewaring op grond van het tweede lid van artikel 59 Vw 2000 is de rechtbank van oordeel dat verweerder aldus onvoldoende voortvarend heeft gehandeld teneinde te uitzetting van eiser te bewerkstelligen.

Anders dan namens verweerder ter zitting is gesteld, acht de rechtbank verweerders verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2009 (LJN: BK2270), niet op onderhavige zaak van toepassing. De rechtbank overweegt hiertoe dat er in de zaak waarop die uitspraak betrekking heeft sprake was van een bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw 2000.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bewaring vanaf 20 mei 2010 onrechtmatig is geweest. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard.

Aan de orde is vervolgens de vraag of de onrechtmatigheid van de bewaring tot toekenning van schadevergoeding dient te leiden. De rechtbank is van oordeel dat bij onrechtmatig bevonden bewaring - zoals in onderhavige zaak - in beginsel aanspraak bestaat op schadevergoeding. Van het afzien van schadevergoeding dan wel matiging kan slechts onder bijzondere omstandigheden sprake zijn. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken.

De rechtbank ziet dan ook aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 Vw 2000 toe te kennen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om eiser ten laste van de Staat een schadevergoeding van € 80,-- per dag toe te kennen voor de 5 dagen die hij vanaf 20 mei 2010 heeft doorgebracht in het uitzetcentrum Schiphol. Dit bete¬kent dat een schadevergoeding van € 400,-- zal worden toegekend.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat er aan¬leiding verweerder te veroorde¬len tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtsper¬soon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden. De kosten worden overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van €400,--;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 874,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechts¬persoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.A. Vlietstra, rechter, bijgestaan door E.R. Horstman, griffier.

E.R. Horstman

mr. N.A. Vlietstra

In het openbaar uitgesproken op 3 juni 2010.

Tegen deze uitspraak staat op grond van artikel 95 Vw 2000 hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC

's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week.

Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, Vw 2000 één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: