Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM9276

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
AWB 09/5058
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP4697, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

niet-ontvankelijk; artikel 174a Gemeentewet; kraken; krakers; gewelddadigheden; anti-kraakwoning; verstoring openbare orde; ordeverstoring; extreemrechts; extreemlinks; escalatie; woonrecht; hostile audience problematiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/5058 en 10/1 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

1) [A], wonende te [plaats 1], eiseres, en

2) [B], wonende te [plaats 2], eiser,

gemachtigde mr. [C], advocaat te Den Haag,

en

de burgemeester van de gemeente Westland, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 11 oktober 2008 heeft verweerder besloten op grond van artikel 174a van de Gemeentewet de woning aan de [adres] te [plaats 3] met onmiddellijke ingang te sluiten voor de duur van zeven dagen.

Bij besluit van 17 oktober 2008 heeft verweerder de sluiting van de woning verlengd met een periode van maximaal zeven dagen.

Bij besluit van 11 juni 2009 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie Bezwaarschriften, het bezwaar van eiser tegen beide besluiten ongegrond verklaard en de bestreden besluiten gehandhaafd. Bij besluit van dezelfde datum is, overeenkomstig het advies van de Commissie Bezwaarschriften, het bezwaar van eiser tegen het besluit van 11 oktober 2008 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van eiser tegen het besluit van 17 oktober 2008 ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij brief van 20 juli 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

De zaak is op 19 april 2010 ter zitting behandeld.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [D] en [E].

II OVERWEGINGEN

1. De rechtbank is allereerst van oordeel dat het beroepschrift van 20 juli 2009 gelet op de inhoud in combinatie met de meegezonden besluiten op bezwaar redelijkerwijs moet worden geacht namens zowel eiser als eiseres te zijn ingediend en dat het niet vermelden van de naam van eiser in de eerste zin van het beroepschrift als een kennelijke misslag moet worden beschouwd.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser tegen het eerste besluit van 11 oktober 2008 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Vaststaat dat het besluit op 11 oktober 2008 bekend is gemaakt en dat 24 november 2008 de laatste dag van de termijn was. De rechtbank overweegt dat - wat er ook zij van de stelling dat eiser niet eerder dan een paar dagen voor het sluiten van de bezwaartermijn bekend werd met het besluit van 11 oktober 2008 omdat hij in detentie zat - niet valt in te zien dat eiser niet in de gelegenheid was om vanaf het moment dat hij bekend werd met het meergenoemde besluit al dan niet na overleg met zijn gemachtigde, zonodig op nader aan te voeren gronden, een bezwaarschrift in te dienen. De stelling dat de gemachtigde van eiser niet op een dergelijke korte termijn in staat was in contact te treden met eiser omdat hij een eenmanskantoor heeft en niet in het weekend werkt, maakt dit niet anders. Immers, zelfs als de gemachtigde van eiser gevolgd wordt in zijn stelling dat het eerst op maandag 24 november 2008 mogelijk was contact met eiser te bewerkstelligen, blijft overeind dat hij diezelfde dag pro forma bezwaar had kunnen maken, waarmee het bezwaar binnen de termijn zou zijn ingediend.

Nu eiser evenwel tijdig bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld tegen de verlenging van de sluiting en daarbij dezelfde gronden heeft aangevoerd als eiseres in haar beroep tegen beide bestreden besluiten, zal de rechtbank gelet op de sterke samenhang van de zaken en omwille van de leesbaarheid hierna alleen onderscheid maken tussen eiser en eiseres als dit noodzakelijk is voor een correcte weergave van de feiten.

2. Eisers hebben op 8 september 2008 samen met andere personen hun intrek genomen in de woning aan de [adres] te [plaats 3] (hierna: de woning) door deze woning te kraken. De woning stond voordien jaren leeg. Naar aanleiding van gewelddadigheden die plaatvonden in de nacht van 10 op 11 oktober 2008 - waarbij eiser is aangehouden - heeft verweerder de bestreden besluiten genomen. Eiser heeft na zijn aanhouding een periode in strafrechtelijke detentie verbleven en hij noch eiseres zijn teruggekeerd naar de woning die nadien als zogenaamde "anti-kraakwoning" in beheer is gekomen bij de organisatie [F].

3. Ingevolge artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord.

Ingevolge artikel 174a, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt de burgemeester in het besluit de duur van de sluiting, met de mogelijkheid van verlenging in geval van ernstige vrees voor herhaling van verstoring van de openbare orde.

Ingevolge artikel 174a, vierde lid, van de Gemeentewet worden bij de bekendmaking van het besluit belanghebbenden in de gelegenheid gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd, tenzij dit in spoedeisende gevallen niet mogelijk is.

4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 oktober 2009, LJN BK0786) is de sluitingsbevoegdheid gegeven in artikel 174a van de Gemeentewet discretionair van aard en wordt de toepassing hiervan door de rechter terughoudend getoetst. Dit laat onverlet dat de toepassing van deze bevoegdheid moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu daarmee inbreuk wordt gemaakt op het woonrecht van de betrokkene(n).

5.1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op een feitenrelaas dat is opgesteld door Politie Haaglanden, Bureau Westland. Volgens dit relaas ontstaan al een paar dagen nadat de woning is gekraakt spanningen tussen de plaatselijke jeugd en de nieuwe bewoners van de woning, die een extreemrechtse achtergrond zouden hebben. Zo wordt in de eerste week melding gemaakt van twee incidenten bij de woning waarbij achtereenvolgens een steen en een brandend voorwerp naar binnen wordt gegooid. De politie houdt twee mensen aan naar aanleiding van deze incidenten. Een aantal dagen later menen de bewoners van de woning de dader te herkennen die het brandende voorwerp heeft gegooid waarop deze persoon wordt mishandeld. De wijkagent wordt niet binnengelaten als hij naar aanleiding van deze gebeurtenis de woning bezoekt en er wordt gedreigd de hulp van een groep sympathisanten te regelen om de spanningen met de lokale jeugd het hoofd te bieden. Enkele dagen later moeten de bewoners op last van de wijkagent enkele vlaggen verwijderen. Inmiddels heeft de gekraakte woning eveneens de aandacht getrokken van KAFKA, een linkse antifascistische groepering. Op 28 september 2008 worden surveillanten aangesproken met de mededeling dat de krakers de lokale jeugd uitdagen. In de nacht van 10 op 11 oktober 2008 escaleert de situatie en wordt er door ongeveer veertig personen gevochten bij de woning. Als de politie ter plaatse komt wordt zij vanuit de woning bestookt met vuurwerk en glaswerk. De buurtbewoners gaan massaal de straat op. Naar aanleiding hiervan wordt de woning op last van de officier van justitie doorzocht en worden zeven verdachten - waaronder eiser - aangehouden. In de woning worden molotovcocktails, zwaar vuurwerk en messen aangetroffen, aldus het relaas. Voorts blijkt uit de primaire besluiten in samenhang met het verweerschrift in de bezwaarprocedure en het verhandelde ter zitting dat in het overleg tussen burgemeester, officier van justitie en politie (het zogenaamde driehoeksoverleg) naar voren is gekomen dat extreemlinkse krakers de woning op hun beurt wilden kraken nu nagenoeg alle eerdere krakers waren aangehouden. Daarmee bestond volgens verweerder een niet te onderschatten risico op nieuwe ordeverstoringen.

5.2. De rechtbank stelt allereerst vast dat het gebeurde in de nacht van 10 op 11 oktober 2008 als een ernstige verstoring van de openbare orde moet worden aangemerkt. De verklaringen van eisers hieromtrent doen niets af aan de aard en ernst van die verstoring. Massale vechtpartijen tussen de bewoners van de woning (inclusief aanhang) en hen vijandig gezinde groepen dan wel tussen de bewoners en de politie, hebben een zeer onveilige situatie voor omwonenden en een grote mate van onrust in de buurt veroorzaakt.

5.3. Eisers hebben ter zitting benadrukt dat zij deze escalatie niet opgezocht hebben en slachtoffer zijn geworden van de zogenaamde "hostile audience problematiek" die door de politie is genegeerd dan wel onvoldoende serieus is benaderd met als gevolg dat de situatie uit de hand is gelopen. Eisers hebben zichzelf slechts verdedigd en kunnen niet de dupe worden gemaakt van een ordeverstoring waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn. De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit het relaas van de politie afdoende blijkt dat eisers in de periode die aan de escalatie voorafging vijandig zijn bejegend door lokale jeugd dan wel personen met een tegengestelde politieke overtuiging waarbij strafbare feiten zijn gepleegd en provocaties zijn geuit. Dit laat evenwel onverlet dat ook de bewoners van de woning zich blijkens het relaas niet gehinderd voelden om bij gelegenheid zelf geweld te gebruiken en te provoceren. De uiteindelijke gewelddadige confrontatie met de politie en de genoemde voorwerpen die bij de huiszoeking zijn aangetroffen, bevestigen dit beeld. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder redelijkerwijs had moeten twijfelen aan de juistheid van het relaas van de politie nu eisers het relaas slechts ten dele betwisten en die betwisting bovendien, bij gebrek aan enige onderbouwing, onvoldoende is om afbreuk te doen aan het relaas. Verweerder mocht gelet op het voorgaande in redelijkheid concluderen dat de verstoring van de openbare orde (mede) door gedragingen van de bewoners van de woning is veroorzaakt. Daarmee is aan het vereiste voor toepassing van de bevoegdheid ingevolge artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet voldaan. Verweerder was dan ook bevoegd de woning te sluiten.

5.4. De rechtbank is voorts van oordeel dat de bestreden besluiten voldoen aan de daaraan te stellen eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er blijkens de gebeurtenissen van 10 op 11 oktober 2008 een dermate explosieve situatie was ontstaan rond de gekraakte woning dat sluiting niet alleen gerechtvaardigd was, maar ook de meest aangewezen maatregel was om herhaling te voorkomen en orde en rust te herstellen. De stelling van eisers dat verweerder met minder ingrijpende maatregelen zoals een gebieds- en/of een samenscholingsverbod voor het gebied rond de woning had kunnen volstaan, faalt, reeds nu deze stelling de eigen rol van eisers bij de escalatie miskent evenals het feit dat de woning inmiddels in de aandacht stond van extreemlinkse krakers hetgeen verweerder in redelijkheid als een serieus risico op nieuwe openbare ordeverstoringen heeft kunnen aanmerken gelet op de eerdere gebeurtenissen. De rechtbank neemt daarnaast in aanmerking dat de woning voor een relatief korte termijn - gelet op de beëindiging van de sluiting per 23 oktober 2008 gaat het om 12 dagen in totaal - gesloten is geweest, zodat de inbreuk op het woonrecht van eisers beperkt is gebleven. Het feit dat eisers desondanks niet terug hebben kunnen keren naar de woning is niet zozeer een direct gevolg van de bestreden besluiten als wel van de detentie van eiser en andere bewoners in combinatie met het feit dat kraken weliswaar een woonrecht kan opleveren, maar dat dit naar zijn aard met minder zekerheid omgeven is dan het geval is bij reguliere bewoning, zodat de omstandigheid dat eisers de woning een geruime tijd feitelijk niet hebben bewoond de eigenaar de gelegenheid heeft geboden [F] in te schakelen om te voorkomen dat de woning opnieuw zou worden gekraakt. Voor zover eisers menen dat het feit dat het voor hen onmogelijk is de bewoning te hervatten, beschouwd moet worden als een gevolg van de besluiten dat onevenredig is in verhouding tot de met die besluiten te dienen doelen, volgt de rechtbank eisers dan ook niet.

5.5. De rechtbank volgt eisers evenmin in de stelling dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het vierde lid van artikel 174a van de Gemeentewet door eisers geen gelegenheid te geven maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd. Hiertoe wordt overwogen dat deze bepaling in de uitzondering voorziet dat genoemde gelegenheid niet hoeft te worden geboden als dit in spoedeisende gevallen niet mogelijk is. Gelet op de aard en ernst van de ongeregeldheden in de nacht van 10 op 11 oktober 2008 en de informatie uit het driehoeksoverleg over de dreiging van nieuwe krakers en nieuwe ordeverstoringen, kon verweerder deze uitzondering in redelijkheid toepasselijk achten.

5.6. Nu ten slotte niet dan wel onvoldoende betwist is dat de genoemde dreiging nog aanwezig was toen de eerste sluitingsperiode afliep, bestaat geen grond voor het oordeel dat op dat moment in redelijkheid geen ernstige vrees voor herhaling van verstoring van de openbare orde meer bestond. Verweerder was dan ook bevoegd de duur van de sluiting te verlengen en heeft - mede gelet op hetgeen hiervoor onder 5.4 is overwogen - in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.

5.7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de woning aan de [adres] te [plaats 3] op goede gronden gesloten voor een periode van zeven dagen en deze sluiting vervolgens eveneens op goede gronden verlengd met maximaal zeven dagen.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Biever, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Woldring.

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.