Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM9244

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
AWB 10/15550
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

het rapport van de Nationale ombudsman ‘Transparantie in presentaties / presentaties van uitgeprocedeerde asielzoekers aan buitenlandse vertegenwoordigers

De door verweerder te betrachten zorgvuldigheid brengt niet mee dat bij iedere presentatie van een vreemdeling bij de vertegenwoordiging van zijn (veronderstelde) land van herkomst een tolk aanwezig dient te zijn, indien de medewerkers van de DT&V de bij de presentatie gesproken taal niet verstaan. In dit verband is van belang dat het hiervoor bedoelde rapport van de Nationale ombudsman alleen uitgeprocedeerde asielzoekers betreft. Verder is van belang dat de Nationale ombudsman als voordelen van de aanwezigheid van een tolk heeft genoemd dat de aanwezige medewerkers van DT&V kunnen beoordelen of wordt voldaan aan het buiten-schuld-criterium en of tijdens de presentatie zaken aan de orde komen die betrokkenen bij terugkeer in gevaar kunnen brengen. Het een noch het ander doet zich in dit geval voor. Uit de door eiser aangehaalde passage van het rapport van de Nationale ombudsman kan verder niet worden afgeleid dat de directeur van de DT&V de in rechte afdwingbare toezegging heeft gedaan dat altijd een tolk zal worden ingeschakeld in geval de medewerkers van de DT&V de bij de presentatie gesproken taal niet verstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 10/15550

V-nr:

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

[naam] eiser, van (gestelde) Palestijnse nationaliteit,

gemachtigde: mr. drs. A. Hol, advocaat te Haarlem,

en:

de minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Kras, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

Procesverloop

Op 9 januari 2010 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel, laatstelijk bij uitspraak van 29 maart 2010, ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 27 april 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij heeft hij opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd en toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 12 mei 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig M. Osman als tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Nu verweerder bij faxbericht van 10 mei 2010 heeft laten weten dat de vermelding van het land ‘Egypte’ op het presentatieverslag een kennelijke verschrijving betreft, en eiser wel degelijk bij de Marokkaanse autoriteiten is gepresenteerd, handhaaft eiser niet langer de beroepsgrond dat eiser bij de verkeerde autoriteiten is gepresenteerd. Verweerder heeft evenwel onzorgvuldig gehandeld doordat er tijdens de presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten geen tolk aanwezig was. Hierdoor hebben de medewerkers van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V), die aanwezig waren tijdens de presentatie, het gesprek tussen eiser en de vertegenwoordiger van de autoriteiten niet kunnen volgen, waardoor het gesprek niet is te controleren. Dit is ook relevant voor de terugkoppeling aan eiser. In dit kader verwijst eiser naar het rapport van 27 februari 2007 van de Nationale ombudsman ‘Transparantie in presentaties; Presentaties van uitgeprocedeerde asielzoekers aan buitenlandse vertegenwoordigers’. Verder ontbreekt het zicht op wat de Marokkaanse autoriteiten gaan doen. Eiser heeft geen criminele antecedenten of andere contra-indicaties waardoor de bewaring toch dient voor te duren. De belangenafweging dient in zijn voordeel uit te vallen.

2. Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Verweerder heeft voldoende voortvarend gehandeld en het zicht op uitzetting ontbreekt niet. Na de presentatie van eiser op 31 maart 2010 bij de Marokkaanse autoriteiten heeft verweerder op 1 en 20 april 2010 gerappelleerd en op 7 april 2010 en 4 mei 2010 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Volgens het verslag van de presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten is de aanvraag om de afgifte van een laissez passer (lp) ten behoeve van eiser in onderzoek genomen. Verder heeft verweerder zorgvuldig gehandeld. Het gesprek tijdens de presentatie dient plaats te vinden tussen eiser en de vertegenwoordiger van zijn veronderstelde land van herkomst. Eiser kan dan alles naar voren brengen. Hierdoor is geen tolk aanwezig tijdens een presentatie. Verder is eiser door de afwezigheid van een tolk niet in zijn belangen geschaad. Het rapport van de Nationale ombudsman is geen voorgeschreven wet of regel. De belangenafweging dient in het voordeel van verweerder uit te vallen.

De rechtbank overweegt het volgende.

3. Het onderhavige beroep is een vervolgberoep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank dient te beoordelen of de voortgezette toepassing daarvan sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige beroepsprocedure gerechtvaardigd is te achten.

4. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de door verweerder te betrachten zorgvuldigheid niet mee dat bij iedere presentatie van een vreemdeling bij de vertegenwoordiging van zijn (veronderstelde) land van herkomst een tolk aanwezig dient te zijn, indien de medewerkers van de DT&V de bij de presentatie gesproken taal niet verstaan. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die erop duiden dat de aanwezigheid van een tolk bij de presentatie voor eiser toegevoegde waarde had gehad. In dit verband is van belang dat het hiervoor bedoelde rapport van de Nationale ombudsman alleen uitgeprocedeerde asielzoekers betreft. Gesteld noch gebleken is dat eiser een uitgeprocedeerde asielzoeker is. Hij heeft weliswaar op 11 januari 2010 een asielaanvraag ingediend, maar die heeft hij enkele dagen later weer ingetrokken. Verder is van belang dat de Nationale ombudsman als voordelen van de aanwezigheid van een tolk heeft genoemd dat de aanwezige medewerkers van DT&V kunnen beoordelen of wordt voldaan aan het buiten-schuld-criterium en of tijdens de presentatie zaken aan de orde komen die betrokkenen bij terugkeer in gevaar kunnen brengen. Het een noch het ander doet zich in dit geval voor. Eiser volhardt in zijn verklaring dat hij afkomstig is uit Palestina, zonder dit met stukken te onderbouwen en ondanks de mededeling van de Palestijnse autoriteiten dat hij niet uit Palestina afkomstig is. Gesteld noch gebleken is dat eiser een beroep doet op het buiten-schuldbeleid of dat er sprake zou zijn van gevaar bij uitzetting naar Marokko. Uit de door eiser aangehaalde passage van het rapport van de Nationale ombudsman kan naar het oordeel van de rechtbank voorts niet worden afgeleid dat de directeur van de DT&V de in rechte afdwingbare toezegging heeft gedaan dat altijd een tolk zal worden ingeschakeld in geval de medewerkers van de DT&V de bij de presentatie gesproken taal niet verstaan. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Uit het verslag van de presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten blijkt voorts dat de lp-aanvraag van eiser in onderzoek is genomen door de Marokkaanse autoriteiten. De beroepsgrond dat het zicht op uitzetting ontbreekt, slaagt dus niet.

6. Nu de maatregel nog geen zes maanden voortduurt en van de kant van eiser geen bijzondere belangen bij opheffing van de maatregel zijn gesteld, heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat de belangenafweging vooralsnog in zijn voordeel uitvalt. Ook deze beroepsgrond wordt verworpen.

7. Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel of de wijze van tenuitvoerlegging niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

8. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, in tegenwoordigheid van S. Kahraman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2010.

De griffier is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op:

Conc.: SSS

Coll: JK

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.