Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8908

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
366412 / KG ZA 10-626
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing executoriaal beslag op levensverzekering afgewezen artikel 479p Rv vervaltermijn twee weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 18 juni 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 366412 / KG ZA 10-626 van:

[de man],

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat mr. J.P. Verhaar-Kok te Alphen aan den Rijn,

tegen:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. E.A. Slappendel te Gouda.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'de man' en 'de vrouw'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 11 juni 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Partijen zijn op [datum huwelijksvoltrekking partijen] met elkaar gehuwd. Het huwelijk is op [omzettingsdatum geregistreerd partnerschap] omgezet in een geregistreerd partnerschap. Bij beschikking van deze rechtbank van [ontbindingsdatum geregistreerd partnerschap] is het geregistreerd partnerschap ontbonden. Daarnaast is in deze beschikking met ingang van de datum van inschrijving van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 2.400,-- bruto per maand vastgesteld. Deze inschrijving heeft op

25 januari 2007 plaatsgevonden.

1.2. Op 17 april 2009 heeft de man een verzoekschrift strekkende tot wijziging van de partneralimentatie bij deze rechtbank ingediend. Bij beschikking van 24 november 2009 is dit verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man op 18 januari 2010 hoger beroep ingesteld. Namens de vrouw is op 6 april 2010 een verweerschrift ingediend. Er is nog geen mondelinge behandeling bepaald.

1.3. De vrouw heeft op 18 januari 2010 executoriaal beslag doen leggen op een op naam van de man gestelde overeenkomst van levensverzekering vanwege een achterstand in de betaling van de aan haar toekomende partneralimentatie.

1.4. Op 23 april 2010 heeft betekening van het executoriaal beslag aan de man plaatsgevonden. In het exploot van betekening is de man, onder meer, het volgende aangezegd:

"dat mijn rekwirante de in de betekende stukken genoemde verzekering tot de verschuldigde som wenst af te kopen;

indien gerekwireerde van mening is door voormelde afkoop onredelijk te worden benadeeld heeft gerekwireerde de mogelijkheid binnen twee weken na heden een verbod van afkoop te vorderen bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank en hiervoor tijdig contact op te nemen met een advocaat;

indien gerekwireerde de onderhavige levensverzekering wil belenen overeenkomstig artikel 479m lid 2 Rv dient gerekwireerde dit binnen twee weken na heden aan zowel mijn rekwirante als aan Legal & General Nederland Levensverzekering Maatschappij NV te Hilversum bij aangetekende brief mede te delen."

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. De man vordert - zakelijk weergegeven -

primair opheffing van het executoriaal beslag dat de vrouw heeft doen leggen op de levensverzekering van de man;

subsidiair schorsing van de executie door de vrouw van het executoriaal beslag;

met in beide gevallen veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure alsmede de nakosten.

2.2. Daartoe voert de man het volgende aan.

Nadat bij beschikking van 3 januari 2007 de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie was vastgesteld op een bedrag van € 2.400,-- per maand, heeft zich een substantiële wijziging in de financiële situatie van de man voorgedaan. De man - die nog maar recent met een eigen onderneming was gestart - zag vanwege gezondheidsproblemen en de gevolgen van de economische crisis zijn inkomsten sterk teruglopen. Om deze reden heeft hij een verzoekschrift tot wijziging van de partneralimentatie bij deze rechtbank ingediend, welk verzoek echter bij beschikking van 24 november 2009 is afgewezen. De man heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld, welke procedure thans nog loopt. De man verwacht dat de partneralimentatie in hoger beroep met terugwerkende kracht op nihil zal worden gesteld omdat de rechtbank - kort gezegd - is uitgegaan van onjuiste gegevens bij de bepaling van zijn financiële draagkracht. De financiële situatie van de man is nog steeds nijpend en wordt nog verergerd door het feit dat de voormalige echtelijke woning van partijen ten gevolgde van de malaise op de huizenmarkt moeilijk verkoopbaar blijkt te zijn. De man draagt echter wel de volledige maandlasten van deze woning.

De vrouw zegt (inmiddels meer dan) een bedrag van € 25.991,70 uit hoofde van achterstallige partneralimentatie plus incassokosten van de man te vorderen te hebben en heeft daarom executoriaal beslag doen leggen op de levensverzekering van de man. De levensverzekering dient volgens de man als zijn noodzakelijke pensioenvoorziening voor de toekomst. Het te gelde maken (afkopen) van deze levensverzekering heeft een kapitaalvernietiging ten gevolg (onder meer door het daardoor ontstaan van een belastingschuld) die bovendien niet meer kan worden teruggedraaid zodra, zoals de man verwacht, de partneralimentatie in het lopende hoger beroep met terugwerkende kracht op nihil zal worden gesteld. Executie door de vrouw is daarom voor de man onacceptabel en in elk geval in strijd met de redelijkheid en billijkheid gelet op de wederzijdse belangen van partijen. De man heeft derhalve recht op en een spoedeisend belang bij zijn vorderingen in dit kort geding.

2.3. De vrouw voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Uitgangspunt is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging door de vrouw van de beschikking van 3 januari 2007. Slechts indien zij geen in redelijkheid te respecteren belang bij executie heeft, kan tenuitvoerlegging van de beschikking verboden worden. Hiervan kan sprake zijn indien de te executeren beschikking op een juridische of feitelijke misslag berust of indien na het geven van de beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten een noodtoestand doen ontstaan voor de man, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet aanvaardbaar is. Bij de beslissing op een vordering tot opheffing van een beslag kan tevens rekening worden gehouden met de over en weer in het geding zijnde belangen, te weten het belang van de beslaglegger tot veiligstelling van aanspraken en het belang van de andere partij om niet bovenmatig te worden getroffen door een desbetreffend beslag. De juridische context waarin het onderhavige feitencomplex moet worden geplaatst, brengt daarbij mee dat in de hiervoor genoemde toetsing het bepaalde in artikel 479p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) betrokken wordt.

3.2. Niet gebleken is van een feitelijke of juridische misslag in de onder 1.1 en 1.2 bedoelde beschikkingen. Dat de man hoger beroep heeft ingesteld tegen deze laatste beschikking maakt dit niet anders. In dit kort geding moet van de juistheid van deze beide beschikkingen worden uitgegaan. In zoverre kan niet gezegd worden dat de vrouw geen redelijk belang bij executie heeft.

3.3. De vrouw heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de vorderingen van de man moeten worden afgewezen omdat hij de wettelijke termijn voor het instellen van zijn rechtsvordering heeft laten verlopen. Het executoriaal beslag is gelegd op de daarvoor gestelde (wettelijke) wijze, zoals bepaald in artikel 479l e.v. Rv. Op 23 april 2010 is aan de man bij deurwaardersexploot mededeling gedaan van de rechten die de vrouw wil uitoefenen, zoals is bepaald in artikel 479n Rv. In het exploot is, zoals vereist, mededeling gedaan van de mogelijkheid voor de man om een verbod tot afkoop van de levensverzekering te vorderen, op de wijze zoals hiervoor onder punt 1.4 is weergegeven. Deze mogelijkheid stond voor de man open tot twee weken na de dag waarop het deurwaardersexploot aan hem is betekend, hetgeen is bepaald in artikel 479p Rv. Nu de man de dagvaarding voor dit kort geding aan de vrouw heeft doen betekenen op 19 mei 2010, in aanmerking nemende dat artikel 125 Rv bepaalt dat een procedure aanhangig is vanaf de dag der dagvaarding, leidt dit tot de conclusie dat de wettelijke termijn ruimschoots is verstreken. Daarnaast, zo stelt de vrouw, heeft zij een zwaarwegend belang bij executie van de levensverzekering nu de man al geruime tijd in gebreke is met tijdige betaling van de vastgestelde partneralimentatie en hebben andere pogingen van de vrouw om zich op vermogensbestanddelen van de man te verhalen geen succes gehad.

3.4. De voorzieningenrechter merkt op dat hetgeen door de man is aangevoerd, voorshands aannemelijk maakt dat het voortzetten van de executie door de vrouw - derhalve het afkopen van de levensverzekering - tot een aanzienlijke kapitaalvernietiging leidt. De omvang van het financiële nadeel laat zich thans niet precies bepalen, echter, het afkopen van de levensverzekering leidt ontegenzeggelijk tot het genereren van liquide middelen, waarmee de - in ieder geval op dit moment in volle omvang bestaande vordering van de vrouw op de man - (voor een deel) zal kunnen worden voldaan, zoals door de vrouw is betoogd. Derhalve kan niet worden gesteld dat de vrouw geen te respecteren belang bij (voortzetting van) de executie heeft. Daarbij is er voor de voorzieningenrechter geen reden om anders te oordelen over de consequentie van het bepaalde in artikel 479p Rv voor de vorderingen van de man dan zoals door de vrouw is betoogd. Waar in de wet expliciet een termijn wordt genoemd voor het instellen van een bepaalde rechtsvordering, moet deze termijn als een vervaltermijn worden aangemerkt.

3.5. Een andere uitleg van deze wettelijke regeling is bovendien niet goed denkbaar. Immers, zou de man worden gevolgd in zijn betoog dat het laten verlopen van de in artikel 479p Rv bedoelde termijn het toewijzen van zijn vorderingen in dit kort geding niet in de weg staat - nu de man, naar eigen zeggen, binnen twee weken na de betekening van het exploot op 23 april 2010 aan de vrouw te kennen heeft gegeven dat hij onderhavige procedure aanhangig zou maken en zij in afwachting hiervan de executie reeds vrijwillig heeft geschorst - dan zou de wettelijke termijn van twee weken volstrekt illusoir worden. Via een executie-kort geding zou een betrokkene dan, ook ná ommekomst van de termijn, alsnog de rechtsgang aanhangig kunnen maken waarop het bepaalde in artikel 479p Rv met zoveel woorden ziet.

3.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat ook overigens voldoende sprake is van een in redelijkheid te respecteren belang van de vrouw tot executie, zodat de vorderingen van de man zullen worden afgewezen.

3.7. In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Voor een andersluidende beslissing, zoals de vrouw voorstaat, is onvoldoende aanleiding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2010.

Mvw/ghb