Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8874

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
09/650075-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank verwerpt het verweer dat de draagkracht van de veroordeelde niet toereikend is om aan een veroordeling tot betaling te voldoen. De rechtbank stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 11.217,- en legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/650075-09

Datum uitspraak: 21 juni 2010

Vonnis ex artikel 36e SR

Beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

adres: [adres].

De vordering.

De vordering strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 10.570,28.

Het onderzoek ter zitting.

Ter terechtzitting van 17 mei 2010 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 6.671,- en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd genoemd bedrag aan de Staat te betalen.

De veroordeelde, bijgestaan door de raadsman mr. J. van Beest, advocaat te 's Gravenhage, is verschenen en op de vordering gehoord.

Beoordeling van de vordering.

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 19 november 2009, voor zover van belang, veroordeeld terzake van de strafbare feiten:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van oplichting.

In deze zaak heeft de officier van justitie het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals vastgesteld in het rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 11 december 2008. De conclusie van dit rapport luidt dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel € 10.570,28 bedraagt.

De raadsman van veroordeelde heeft in zijn conclusie van antwoord het aantal oogsten alsmede de opbrengst per oogst waarvan bij voornoemde berekening wordt uitgegaan, betwist. Ook heeft hij gesteld dat rekening moet worden gehouden met de kosten van de door veroordeelde ingehuurde knippers.

In haar conclusie van repliek heeft de officier van justitie op het bovengenoemde berekende wederrechtelijk verkregen voordeel de kosten voor elektriciteit in mindering gebracht, nu in de conclusie van antwoord is aangevoerd dat veroordeelde een schikking heeft getroffen met Eneco voor een bedrag van € 10.000,- en dat dit bedrag inmiddels ook is betaald. Daarvan is vooralsnog € 9.000,- aan de hennepkwekerij toe te rekenen, aldus de officier van justitie. Op grond van de periode en het aantal kweken is de officier van justitie van mening dat er een bedrag van € 7.875,- voor aftrek voor elektriciteit in aanmerking komt. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is vervolgens door de officier van justitie geschat op € 6.671,-.

Op grond van het onderzoek ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde door middel van hiervoor genoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op wettige bewijsmiddelen en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing vereist met de bewijsmiddelen, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan deze beslissing zal worden gehecht.

Motivering van de op te leggen maatregel.

De rechtbank neemt als grondslag van de vordering in aanmerking de in de strafzaak onder parketnummer 09/650075-09 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderliggende dossier niet blijkt dat veroordeelde knippers in dienst had. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat er geldbedragen aan eventuele knippers zijn betaald. De enkele verklaring van verdachte (eerst) ter zitting acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is geweest van kosten voor knippers. Het verweer van de raadsman dienaangaande wordt dan ook verworpen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat, hoewel veroordeelde ten tijde van de tenlastegelegde feiten veroordeelde samenwoonde met medeveroordeelde [medeveroordeelde], het wederrechtelijk verkregen voordeel inzake het perceel [adres] geheel aan veroordeelde dient te worden toegerekend. Medeveroordeelde [medeveroordeelde] heeft verklaard dat zij wel wist dat er hennepplanten in de kruipruimte stonden, maar dat zij zich daar niet mee bemoeide en dat zij ook niets aan de kwekerij heeft verdiend. Het voorgaande wordt bevestigd door de verklaring van veroordeelde bij de politie. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft veroordeelde opnieuw verklaard dat hij de volledige opbrengst van de hennep ontving. Gelet hierop zal de rechtbank de opbrengst van de zeven hennepoogsten volledig aan veroordeelde toerekenen.

De rechtbank neemt bij de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel de volgende feiten en omstandigheden als uitgangspunt:

- op basis van de verklaring van veroordeelde wordt uitgegaan van 150 hennepplanten per oogst en van 7 eerdere oogsten;

- op basis van de verklaring van veroordeelde wordt in het voordeel van veroordeelde uitgegaan van een gemiddelde oogst van 1,5 kilo hennep en een opbrengst van ongeveer € 4.000,- per oogst. Mede gelet op de gegevens uit het rapport van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM) betreffende standaardberekeningen en normen met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel van hennepkwekerijen acht de rechtbank een opbrengst van € 3.000,- per 1,5 kilo hennep onaannemelijk;

- op basis van de verklaring van veroordeelde wordt bij de inkoop van de stekken uitgegaan van € 3,- per stek, nu veroordeelde heeft verklaard dat de laatste aankoop van € 3,50 per stek de in beslag genomen kweek betreft en dat veroordeelde daarvóór altijd € 3,- per stek heeft betaald;

- op grond van de brief van mr. [X], welke ter zitting door de raadsman is overgelegd, gaat de rechtbank er vanuit dat veroordeelde een bedrag van € 10.000,- aan Eneco heeft voldaan en dat dit bedrag in zijn geheel betrekking heeft op elektriciteit voor de hennepkwekerij.

Overigens zal de rechtbank de berekening volgen die in het eerdergenoemde Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij is gemaakt aan de hand van de bevindingen uit de kwekerijen en de gegevens uit het rapport (BOOM) betreffende standaardberekeningen en normen met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel van hennepkwekerijen.

Bruto wederrechtelijk verkregen voordeel

Bruto opbrengst:

7 oogsten x € 4.000,- = € 28.000,-

Kosten

De kosten worden als volgt vastgesteld:

Inkoop stekken (150 x € 3,- x 7) = € 3.150,-

Afschrijvingskosten (7 oogsten van 150 planten) = € 1.050,-

Overige variabele kosten (150 x € 2,46 x 7) = € 2.583,-

Elektriciteit = € 10.000,-

____________________________________+

Totaal kosten € 16.783,-

Dit levert het volgende netto wederrechtelijk verkregen voordeel op:

€ 28.000,-

€ 16.783,-

__________-

€ 11.217,-

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op € 11.217,-.

Namens de veroordeelde is gemotiveerd verweer gevoerd, inhoudende dat de draagkracht van de veroordeelde niet toereikend is om aan een veroordeling tot betaling te voldoen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De strekking van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is te bewerkstelligen dat datgene wat de veroordeelde aan door misdrijf verkregen materieel profijt heeft verworven, weer aan hem wordt ontnomen. Gezien de wetsgeschiedenis, het stelsel der wet en de jurisprudentie wordt een dergelijke ontneming niet verhinderd door een gebrek aan financiële draagkracht aan de zijde van de veroordeelde, noch door het feit dat het verkregen voordeel reeds door de veroordeelde is verbruikt. Aangezien bovendien in deze niet gesteld of aannemelijk is geworden dat de veroordeelde ook in de toekomst geen draagkracht zal hebben is er geen aanleiding om het aan de Staat te betalen bedrag lager vast te stellen. De rechtbank acht ook overigens geen termen aanwezig een inbreuk te maken op evengenoemde jurisprudentiële uitgangspunten.

Gelet op het bovenstaande is toewijzing van de vordering op haar plaats. Indien te zijner tijd mocht komen vast te staan dat werkelijk geen middelen tot terugbetaling voorhanden zijn, staan voor de veroordeelde alsdan wegen open de rechter om een (nadere) beslissing te vragen op grond van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 11.217,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 11.217,-;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 11.217,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Rabbie, voorzitter,

Dragtsma en Schotte, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Den Braber, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juni 2010.