Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8087

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
AWB 09/26182 (beroep), AWB 09/26184 (voorlopige voorziening), AWB 09/26181 (beroep)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO1990, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen ongewenstverklaring en tegen weigering om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘conform beschikking Staatssecretaris’ te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit inzake de ongewenstverklaring onvoldoende heeft gemotiveerd waarom, gelet op de aangevoerde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, hij de belangen van betrokkene in het kader van artikel 8 van het EVRM niet zwaarder heeft laten wegen dan het belang bij een restrictief toelatingsbeleid. De rechtbank vindt, evenals deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, bij uitspraak van 30 december 2008 (JV 2009/195), steun voor dit oordeel in de uitspraak van het EHRM van 23 juni 2008 (JV 2008/267), alsook in r.o. 53 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 2006 (C-540, JV 2006, 313). Met betrekking tot het bestreden besluit inzake de weigering van de verblijfsvergunning overweegt de rechtbank dat sinds de brief aan de Tweede Kamer van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie van 29 oktober 2008 (kenmerk 5558554/08) ook bij een mvv-aanvraag een beroep op artikel 8 van het EVRM op alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval dient te worden getoetst. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval de vaststelling dat de ongewenstverklaring van betrokkene leidt tot schending van artikel 8 van het EVRM toereikend is voor de slotsom dat ook de weigering van de verblijfsvergunning aan betrokkene tot een dergelijke schending leidt. De beroepen zijn gegrond en de voorlopige voorziening wordt getroffen dat de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring worden opgeschort tot vier weken na bekendmaking van het desbetreffende te nemen besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummers: AWB 09/26182 (beroep)

AWB 09/26184 (voorlopige voorziening)

AWB 09/26181 (beroep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht namens [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1991, van Marokkaanse nationaliteit (betrokkene), eiser/verzoeker,

gemachtigde: mr. F.S. van Nierop, advocaat te Utrecht,

en

de Staatssecretaris van Justitie, thans de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. Lamfers.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 24 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) tegen zijn besluit van 17 november 2008 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser van 15 juli 2008 om betrokkene een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit van 24 juni 2009 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Bij besluit van 24 juni 2009 heeft verweerder voorts het bezwaar van eiser tegen zijn besluit van 17 november 2008, waarbij hij betrokkene ongewenst heeft verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit van 24 juni 2009 eveneens beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.3 Eiser heeft de rechtbank tevens verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring worden opgeschort tot vier weken nadat op het beroep tegen de ongewenstverklaring is beslist en dat verweerder zich zal onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting van betrokkene uit Nederland tot vier weken nadat op de beroepen is beslist.

1.4 De gedingen zijn behandeld ter zitting van 8 januari 2010, waar eiser niet is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

Het beroep met procedurenummer AWB 09/26182

2.1 Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan de vreemdeling door Onze Minister ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l.

2.2 Op grond van paragraaf A5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) kunnen op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, voor zover in casu van belang, ongewenst worden verklaard:

- vreemdelingen die ter zake van een misdrijf zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie), of een taakstraf dan wel een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd hebben gekregen en waarbij het (totale) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of maatregel ten minste een maand bedraagt;

- vreemdelingen die bij herhaling ter zake van een misdrijf zijn veroordeeld tot een onvoorwaardelijke (korte) gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie) tot een taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete dan wel een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd hebben gekregen, dan wel een transactieaanbod hebben aanvaard of een strafbeschikking opgelegd hebben gekregen.

2.3 Uit het uittreksel van het Centraal Justitieel Documentatieregister blijkt dat betrokkene op 7 februari 2006 wegens winkeldiefstal een transactie heeft aanvaard van de Officier van Justitie in het arrondissement Utrecht met als transactievoorwaarde het volgen van een leerproject gedurende 40 uren. Voorts is betrokkene op 20 oktober 2006 door de kinderrechter te Utrecht, voor zover in casu van belang, veroordeeld tot de maatregel van schadevergoeding ten bedrage van € 468,- subsidiair negen dagen jeugddetentie wegens diefstal in/uit vereniging door middel van braak, verbreking, inklimming en tot 84 dagen jeugddetentie wegens diefstal in/uit vereniging door middel van braak, verbreking, inklimming alsmede wegens mishandeling, diefstal met geweld in vereniging, diefstal in vereniging en openlijk geweld op de openbare weg.

2.4 De rechtbank overweegt dat met de bovenstaande strafbare feiten is voldaan aan de voorwaarden tot ongewenstverklaring van betrokkene op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw gelezen in samenhang met paragraaf A5/2 van de Vc. Eisers stelling dat sprake is van jeugdcriminaliteit doet hieraan niet af. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in paragraaf A5/2 van de Vc is vermeld dat ook jeugddetentie wordt aangemerkt als gevangenisstraf.

2.5 Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verweerder toepassing had dienen te geven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat betrokkene vanaf 7-jarige leeftijd onafgebroken in Nederland verblijft. Dit was enerzijds mogelijk doordat zijn grootouders zich destijds niet hebben gestoord aan het afwijzende besluit op zijn verblijfsaanvraag, maar anderzijds wegens het feit dat de staat geen aanstalten heeft gemaakt hem uit Nederland te verwijderen en ook stil is blijven zitten toen betrokkene een aantal keren met de politie in aanraking kwam en zelfs tot een gevangenisstraf werd veroordeeld.

2.6 De rechtbank overweegt in dit verband dat de aanvraag om betrokkene een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als pleegkind’ te verlenen bij besluit van 19 oktober 1999 is afgewezen. Bij uitspraak van 5 december 2001 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Betrokkene is desondanks in Nederland gebleven en eiser noch de voormalige wettelijk vertegenwoordiger heeft tot 15 juli 2008 opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning voor betrokkene ingediend. Gelet hierop en gelet op de terughoudende toetsing die de rechtbank hierbij dient te betrachten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om artikel 4:84 van de Awb toe te passen.

2.7 Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat ongewenstverklaring van betrokkene schending betekent van zijn recht op gezinsleven en privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit verband heeft eiser gesteld dat het voor betrokkene zeer moeilijk zal zijn om terug te keren naar Marokko omdat hij daar geen opvang heeft. Verder is hij door zijn jarenlange verblijf in Nederland niet vertrouwd met de gebruiken van de Marokkaanse samenleving. Betrokkene heeft de belangrijkste vormende jaren vanaf zijn zevende jaar tot zijn volwassenwording in Nederland doorgebracht. Eiser heeft tevens gesteld dat het niet de eigen keus van betrokkene, als minderjarige, is geweest om zijn verblijf in Nederland voort te zetten nadat zijn aanvraag om een verblijfsvergunning was afgewezen. In dit verband heeft eiser verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 december 2008 (JV 2009/195). Verder heeft eiser gesteld dat een ongewenstverklaring voor onbepaalde duur, die tenminste tien jaar zal duren, een disproportionele maatregel is. Hiertoe heeft eiser verwezen naar de uitspraken van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 22 mei 2008 (JV 2008/246), 23 juni 2008 (JV 2008/267) en 18 oktober 2006 (JV 2006/417). Eiser heeft ten slotte een beroep gedaan op de ‘guiding principles’ als genoemd in de uitspraak van het EHRM van 2 augustus 2001 (JV 2001/254).

2.8 Niet in geschil is dat tussen betrokkene en zijn oom en tante sprake is van ‘family life’. De ongewenstverklaring van betrokkene vormt een inmenging in de uitoefening van het recht op dit familie- en gezinsleven.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of deze inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Hiertoe dient een redelijke afweging tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel plaats te vinden.

2.9 De rechtbank overweegt in dit verband dat betrokkene de misdrijven waarvoor hij is veroordeeld, heeft gepleegd tussen 30 november 2005 en 6 augustus 2006, derhalve op 14-jarige leeftijd. Betrokkene is nadien niet nogmaals in aanraking geweest met justitie. Verder leidt de rechtbank uit de stukken af dat betrokkene in 1997 met zijn grootouders naar Nederland is gekomen. Niet in geschil is dat betrokkene nooit rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De rechtbank overweegt echter dat, nu betrokkene destijds nog zeer jong was, hij afhankelijk was van de door zijn familie gemaakte keuzen over zijn verblijf. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom dan ook niet worden gezegd dat aan betrokkene’s onrechtmatige verblijf in het kader van de toetsing aan artikel 8 van het EVRM geen enkele positieve betekenis kan toekomen. Uit de stukken leidt de rechtbank voorts af dat betrokkene tot 2004 bij zijn grootouders heeft verbleven. Sinds 2004 heeft betrokkene bij zijn oom en tante verbleven. Zoals verweerder ook in het bestreden besluit heeft opgemerkt, is dit een stabiele woonplek voor betrokkene. Bij beschikking van 28 november 2006 heeft voorts de kantonrechter van de rechtbank Utrecht eiser benoemd tot voogd van betrokkene. Blijkens het in het dossier aanwezige hulpverleningsplan heeft eiser betrokkene ook begeleid. Betrokkene heeft vervolgens vanaf 14 december 2006 gedurende 17 maanden op de Glenn Mills school gezeten. De rechtbank overweegt dat de staat derhalve inspanningen heeft verricht die waren gericht op de opvang van betrokkene en diens herintegratie in de maatschappij. Dit blijkt tevens uit de omstandigheid dat bij de door betrokkene aanvaarde en onder 2.3 vermelde transactie de voorwaarde was gesteld dat hij een leerproject diende te volgen. Tijdens de hoorzitting van 3 maart 2009 heeft betrokkene voorts verklaard dat hij naar het ROC gaat en de opleiding metaaltechniek volgt. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat betrokkene sterke banden heeft met Nederland.

2.10 De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, hij de belangen van betrokkene in het kader van artikel 8 van het EVRM niet zwaarder heeft laten wegen dan het belang bij een restrictief toelatingsbeleid. De rechtbank vindt, evenals deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, bij uitspraak van 30 december 2008 (JV 2009/195), steun voor dit oordeel in de uitspraak van het EHRM van 23 juni 2008 (JV 2008/267), alsook in in r.o. 53 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 27 juni 2006 (C-540, JV 2006, 313). Daarin heeft het Hof geoordeeld dat, ook al waarborgt het EVRM het recht van een buitenlander om een bepaald land binnen te komen of er te verblijven niet als een grondrecht, het uitsluiten van een persoon uit een land waar zijn naaste verwanten wonen een inmenging kan zijn in het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dit wordt beschermd door artikel 8, eerste lid, van het EVRM . In r.o. 54 van dit arrest benadrukt het Hof vervolgens het element van de jurisprudentie van het EHRM dat de beginselen die van toepassing zijn op negatieve en positieve verplichtingen vergelijkbaar zijn, en dat het in beide gevallen gaat om het vinden van een juist evenwicht in de belangen van individu en samenleving.

2.11 Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

2.12 Gegeven de beslissing inzake het beroep is er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

2.13 Echter, na deze uitspraak treedt de fase van bezwaar opnieuw in en dient verweerder opnieuw een inhoudelijk standpunt in te nemen. Nu betrokkene ongewenst is verklaard, heeft het bezwaar geen schorsende werking. Gelet daarop en gelet op de omstandigheid dat het beroep gegrond is verklaard wegens schending van de zorgvuldigheids- en motiveringsplicht, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorlopige voorziening te treffen dat de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring worden opgeschort tot vier weken na bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep met procedurenummer AWB 09/26182

2.14 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

2.15 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten aan de griffier van de rechtbank betalen.

Ten aanzien van het beroep met procedurenummer AWB 09/26181

2.16 Ter beoordeling ligt tevens voor of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘conform beschikking Staatssecretaris’.

2.17 Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat eiser, nu betrokkene ongewenst is verklaard en dus geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben, geen belang heeft bij het beroep dat thans voorligt.

2.18 Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder niet worden gevolgd in dit standpunt. Nu het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit tot ongewenstverklaring gegrond is verklaard en de voorlopige voorziening is getroffen dat de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring worden opgeschort tot vier weken na bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar, heeft eiser belang bij het thans voorliggende beroep.

2.19 Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen omdat betrokkene niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet van het vereiste om hierover te beschikken kan worden vrijgesteld.

2.20 Op grond van artikel 13 van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien –voor zover hier van belang– internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2.21 Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.

2.22 In artikel 17, eerste lid, van de Vw is een aantal categorieën vreemdelingen genoemd waarvan de aanvraag niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv. In artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw wordt de mogelijkheid geopend bij algemene maatregel van bestuur categorieën vreemdelingen aan te wijzen die van het vereiste van het bezit van een mvv zijn vrijgesteld.

2.23 Op grond van artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

In artikel 3.71, tweede lid, van het Vb wordt uitwerking gegeven aan artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.

Op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb kan de Minister het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel kan leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

2.24 Niet in geschil is dat betrokkene niet beschikt over een geldige mvv. In geschil is of betrokkene van het mvv-vereiste dient te worden vrijgesteld op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb.

2.25 Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 9 december 2003, JV 2004/63), komt verweerder ter zake van de toepassing van de hardheidsclausule een ruime beoordelingsmarge toe. Als beleidsuitgangspunt geldt hierbij dat een beroep op de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke individuele gevallen wordt gehonoreerd. Weigering om toepassing te geven aan die clausule zal de toetsing in rechte slechts niet kunnen doorstaan indien moet worden geoordeeld dat verweerder daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten.

2.26 Eiser heeft in dit verband gesteld dat het betrokkene niet kan worden toegerekend dat hij vanaf zijn zevende levensjaar onafgebroken in Nederland heeft verbleven, ondanks dat hij niet in het bezit was van een verblijfsvergunning. Hiertoe heeft eiser verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 december 2008 (JV 2009/195). Verder heeft eiser gesteld dat er geen verwant in het land van herkomst is die betrokkene daar kan verzorgen. Indien een familielid betrokkene zou moeten vergezellen naar het land van herkomst dan wel een naburig land voor de duur van de mvv-procedure, zal dit flinke reis- en verblijfskosten met zich brengen. In dit verband acht eiser tevens van belang dat mvv-procedures vaak lang duren. Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder ten onrechte geen enkele betekenis heeft toegekend aan het feit dat betrokkene al zo lang in Nederland woont en hier sterke banden heeft terwijl hij hoegenaamd geen band heeft met zijn land van herkomst. Nu betrokkene in Nederland is gestraft en op de Glenn Mills school is geplaatst, heeft verweerder zelf moeite gedaan hem te doen integreren.

2.27 In het licht van hetgeen in 2.25 is overwogen heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat betrokkene niet op grond van hetgeen door hem is aangevoerd van het mvv-vereiste kan worden vrijgesteld op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb.

2.28 Eiser heeft voorts gesteld dat ook dit bestreden besluit in strijd is met het recht op gezins- en privéleven, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

2.29 De rechtbank overweegt dat sinds de brief aan de Tweede Kamer van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie van 29 oktober 2008 (kenmerk 5558554/08) ook bij een mvv-aanvraag een beroep op artikel 8 van het EVRM op alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval dient te worden getoetst. Verder is in de brief van de Minister van Justitie aan deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 16 maart 2010 vermeld dat verweerder aan de vraag of uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM geen andere toets aanlegt dan bij de vraag of dit artikel tot vergunningverlening noopt. In deze brief staat dat voor de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste een volledige belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dient plaats te vinden, waarbij alle door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden moeten worden meegewogen en worden afgezet tegen het belang van de staat. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval de hiervoor vermelde vaststelling dat de ongewenstverklaring van betrokkene leidt tot schending van artikel 8 van het EVRM toereikend is voor de slotsom dat ook de weigering van de verblijfsvergunning aan betrokkene tot een dergelijke schending leidt. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen zij heeft overwogen in 2.9 en 2.10.

2.30 Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

2.31 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

2.32 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten aan de griffier van de rechtbank betalen.

Beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van het beroep met procedurenummer AWB 09/26182:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 644, te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

schorst de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring van 17 november 2008 tot vier weken na bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 322, te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

De rechtbank:

ten aanzien van het beroep met procedurenummer AWB 09/26181:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 322, te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

Aldus vastgesteld door mr. H. Gorter en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2010.

De griffier: De rechter:

mr. A.E. Veldhoen mr. H. Gorter