Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8015

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-05-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
365707 - KG ZA 10-576
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering uit onrechtmatige daad tegen de Staat. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen een derde is een auto in beslaggenomen ex 94 en 94a Sv. De ovj heeft aansluitend beslist dat de auto dient te worden vervreemd in de zin van art. 117 Sv. Eiseres stelt dat de Staat daarmee onrechtmatig jegens haar handelt omdat de auto haar eigendom is. Geoordeeld is dat eiseres ontvankelijk is in haar vordering, nu zij aan de orde stelt of de beslissing van de ovj om de auto te vervreemden rechtmatig is en niet zozeer de rechtmatigheid van de inbeslagneming zelf. Vervolgens is geoordeeld dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld nu de ovj in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat de auto vervreemd moest worden. Belangenafweging, waarbij de ovj een ruime beleidsvrijheid heeft. Bovendien is niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat eiseres de vermoedelijke eigenaar is van de auto. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 31 mei 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 365707 / KG ZA 10-576 van:

de vennootschap naar Belgisch recht Rental B.V.B.A.,

statutair gevestigd te Wuustwezel, België,

eiseres,

advocaat mr. M. Duifhuizen te Alphen aan den Rijn,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek te Den Haag.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 17 mei 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

[

1.1. Op 21 oktober 2008 is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen onder meer [Z.] (hierna: Z.]). In het kader van dit strafrechtelijk onderzoek is op 27 oktober 2009 bij het automobielbedrijf Flakkee B.V. te [A.] (hierna: Flakkee) op de voet van artikel 94 Wetboek van Strafvordering (Sv) een Toyota Landcruiser met het Belgische kenteken [xxx-yyy] (hierna: de auto) in beslag genomen. Op 11 november 2009 heeft de officier van justitie tevens conservatoir beslag op de auto gelegd als bedoeld in artikel 94a lid 2 Sv.

1.2. Het kenteken van de auto is op naam van eiseres gesteld. [Z.] had de auto in gebruik en deze ter reparatie bij Flakkee gebracht. Flakkee is een aan eiseres gerelateerde vennootschap.

1.3. Na inbeslagname is de auto gedeponeerd bij de dienst Domeinen Roerende Zaken, regio-eenheid Soesterberg, van gedaagde. Op 10 februari 2010 heeft de officier van justitie een machtiging tot vervreemding van de auto in de zin van artikel 117 lid 2 Sv verleend. Op de website van Domeinen Roerende Zaken is de auto vervolgens aangeboden onder kavelnummer [0000]. Op de veiling in mei 2010 is niet de gestelde ondergrens gehaald. De verkoop van de auto is doorgeschoven naar de veiling van juni 2010.

1.4. Eiseres heeft op 28 april 2010 een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend bij de rechtbank Rotterdam, waarin zij stelt dat de auto haar eigendom is en dat zij de auto met tussenkomst van Flakkee heeft verhuurd aan [Z.]. Vervolgens verzoekt zij om teruggave van de auto omdat volgens haar niet is voldaan aan de vereisten van artikel

94a lid 3 Sv.

1.5. Een exacte datum voor de behandeling van voormeld klaagschrift is nog niet bekend, maar de behandeling zal op zijn vroegst in juli 2010 plaatsvinden.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – dat gedaagde wordt gelast om de vervreemding van de auto met onmiddellijke ingang op te schorten totdat onherroepelijk is beslist op het klaagschrift.

2.2. Daartoe voert eiseres het volgende aan.

De auto behoort in eigendom toe aan eiseres. Er is dan ook geen titel om de auto in beslag te nemen en deze te vervreemden met een machtiging in de zin van artikel 117 Sv. Daarmee maakt gedaagde een inbreuk op het eigendomsrecht van eiseres en handelt gedaagde onrechtmatig jegens eiseres.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde jegens haar onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

3.2. Voorts komt aan de orde de vraag of eiseres ontvankelijk is in haar vordering. Eiseres stelt dat de inbeslagneming onrechtmatig is. De beslissingsbevoegdheid over de rechtmatigheid van de op grond van de artikelen 94 en 94a Sv gelegde conservatoire beslagen op de auto is neergelegd in de procedure als bedoeld in artikel 552a Sv en is voorbehouden aan de (enkelvoudige) raadkamer. Deze procedure bij de raadkamer van de rechtbank is te beschouwen als een met voldoende waarborgen omklede strafrechtelijke rechtsgang, specifiek ontworpen voor de behandeling van verzoeken tot opheffing van strafrechtelijk gelegde beslagen. Dit brengt met zich dat voor de voorzieningenrechter in beginsel geen taak is weggelegd, tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden die een onmiddellijke voorziening vergen. Eiseres stelt in dat verband dat de door de officier van justitie gelaste vervreemding van de auto zodanig spoedeisende omstandigheden oplevert voor haar dat de vervreemding dient te worden opgeschort totdat is beslist op het klaagschrift. Eiseres heeft in deze procedure kennelijk niet zozeer voor ogen de rechtmatigheid van de inbeslagneming te toetsen, maar te voorkomen dat de auto wordt vervreemd door gedaagde op een openbare veiling. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 2 maart 1999, NJ 1999, 416) kan een belanghebbende zich tegen een machtiging tot vervreemding van de officier van justitie niet verzetten door middel van het beklag van artikel 552a Sv. Daarmee is eiseres in haar vorderingen ontvankelijk, nu voor hetgeen zij wil bereiken thans geen andere mogelijkheden – in het bijzonder ook geen strafrechtelijke rechtsgang – ten dienste staan.

3.3. Vervolgens komt aan de orde de vraag of gedaagde, gelijk eiseres stelt, onrechtmatig handelt door over te gaan tot vervreemding van de auto. Daarbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat gedaagde, meer in het bijzonder de officier van justitie, zelfstandig, zonder rechterlijke tussenkomst, beslist of de bewaring van een inbeslaggenomen voorwerp al dan niet moet worden voortgezet dan wel of dit moet worden vervreemd. Bij het al dan niet verlenen van een dergelijke machtiging komt de officier van justitie een ruime beleidsvrijheid toe. Dat betekent dat slechts sprake kan zijn van onrechtmatig handelen indien moet worden geoordeeld dat de officier na afweging van alle betrokken belangen, waaronder die van de vermoedelijke eigenaar van het voorwerp, in redelijkheid niet tot het verlenen van de machtiging heeft kunnen komen.

3.4. Eiseres stelt in dit verband dat de vervreemding haar ernstig in haar belangen schaadt.en dat zij daarom een groot belang heeft bij teruggave van de auto, in plaats van de uitbetaling van de verkoopopbrengst op grond van artikel 119 lid 2 Sv. Immers, vervreemding door middel van een veiling zal hoe dan ook minder opbrengen dan wanneer eiseres de auto zelf verkoopt aan een eindgebruiker.

3.5. Naar voorlopig oordeel kan dit betoog van eiseres niet slagen. Voor de door eiseres gewenste uitkomst zou minst genomen nodig zijn dat buiten redelijke twijfel is dat zij de eigenaar van de auto is. Gedaagde heeft echter, onder verwijzing naar de door hem overgelegde processen-verbaal uit het strafrechtelijk onderzoek, uitvoerig toegelicht waarom eiseres niet als de vermoedelijke eigenaar van de auto is te beschouwen. Dit verweer is door eiseres ter zitting onvoldoende weersproken. Naar voorlopig oordeel heeft de officier van justitie dan ook in redelijkheid tot zijn beslissing, dat de auto vervreemd dient te worden, kunnen komen. De vordering zal daarom worden afgewezen.

3.6. Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.079,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2010.

ib