Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8005

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-02-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
358056 - KG ZA 10-123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering op grond van onrechtmatige daad tegen de Staat. Ter beoordeling staat de vraag of de vrijheidsbeneming van eiser op 7 januari 2010 voorafgaand aan de overdracht van eiser aan de vreemdelingen politie onrechtmatig was. In casu werd geoordeeld dat dit niet het geval was omdat de Staat niet heeft gehandeld in strijd met de toepasselijke "Aanwijzing onmiddellijke invrijheidstelling 2006" en ook niet in strijd met artikel 5 EVRM. Geen onrechtmatig handelen van de Staat jegens eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 12 februari 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 358056 / KG ZA 10-123 van:

[eiser],

uit hoofde van vreemdelingenbewaring thans verblijvende in het detentiecentrum [Y.]

te [verblijfplaats],

eiser,

advocaat mr. P.R. Hogerbrugge te Ermelo,

tegen:

de Staat der Nederlanden

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 4 februari 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Op 6 januari 2010 heeft bij de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Almelo de behandeling plaatsgevonden van een strafzaak tegen eiser. Tijdens die behandeling, die begon om 14.45 uur, heeft de rechtbank omstreeks 17.15-17.30 uur bepaald dat, gelet op artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering (Sv), de voorlopige hechtenis van eiser met ingang van 6 januari 2010 zal worden opgeheven. Voorts is zijn onmiddellijke invrijheidstelling gelast.

1.2. Van deze beslissing is een opheffingsbeslissing gemaakt en deze is de volgende ochtend, 7 januari 2010, ondertekend door één van de rechters. Via de griffie is deze vervolgens doorgestuurd naar de afdeling preventieven van het parket te Almelo. Daar is het bevel vrijgegeven voor executie. Samen met een akte van uitreiking gedetineerde is deze aan de P.I. te Almere gefaxt, alwaar eiser gedetineerd zat. Het bevel opheffing is op 7 januari 2010 om 12.45 uur aan eiser uitgereikt en door hem ondertekend.

1.3. In de P.I. is na ontvangst van het bevel contact gezocht met de vreemdelingenpolitie te Almelo en meegedeeld dat een strafvorderlijke detentietitel was vervallen. Bij de Afdeling Bevolking van de P.I. was toen bekend dat eiser vreemdeling is, omdat dit bij binnenkomst in een inrichting wordt beoordeeld. Bij gebreke van de Nederlandse nationaliteit wordt de registratiekaart gefaxt naar de Vreemdelingenpolitie waar de strafzaak wordt behandeld.

1.4. De Vreemdelingenpolitie te Almelo heeft vervolgens contact opgenomen met collega's in Almere en gevraagd om eiser over te nemen. De Vreemdelingenpolitie te Almere heeft aan dat verzoek voldaan en eiser op 7 januari 2010 om 13.20 uur opgehaald. Om 13.55 uur is eiser op het politiebureau te Almere gearriveerd.

1.5. Met ingang van 7 januari 2010 om 14.50 uur is eiser de maatregel van bewaring opgelegd in het kader van de Vreemdelingenwet (Vw). Op 12 januari 2010 is namens eiser een beroepschrift tegen het opleggen van de maatregel van bewaring opgelegd.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert te bepalen dat de vrijheidsontneming van eiser op 7 januari 2010 tot 13.20 uur geheel, danwel vanaf een door de voorzieningenrechter te bepalen tijd, onrechtmatig is geweest, althans te bepalen dat de vreemdelingenrechter van de onrechtmatigheid van de vrijheidsontneming van eiser op 7 januari 2010, vanaf het door de voorzieningenrechter te bepalen tijdstip, dient uit te gaan.

2.2. Daartoe voert eiser het volgende aan.

De vrijheidsontneming op 7 januari 2010 is onrechtmatig geweest omdat elke rechtsgrond daarvoor ontbrak. De officier van justitie heeft niet gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de Aanwijzing onmiddellijke invrijheidstelling van 1 december 2006 (hierna: de Aanwijzing). Uiteraard zijn enige administratieve handelingen noodzakelijk, maar deze nemen in redelijkheid geen 4 uren en 20 minuten in beslag (van 9.00 uur tot 13.20 uur). Dit leidt ertoe dat de vrijheidsberoving van eiser op 7 januari 2010 vanaf 00.00 uur dan wel vanaf 9.00 uur onrechtmatig is geweest.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Nu eiser aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat gedaagde jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld omdat zijn vrijheidsontneming op 7 januari 2010 tot 13.20 uur (geheel) onrechtmatig is geweest, is de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - bevoegd tot kennisneming van de vordering. De voorzieningenrechter zal vooralsnog in het midden laten of de vordering van eiser neerkomt op het vragen van een - niet toegestane - verklaring voor recht en ingaan op de inhoudelijke aspecten van het geschil.

3.2. In de onderhavige procedure is aan de orde de vraag of sprake is van onrechtmatige vrijheidsbeneming op 7 januari 2010, voorafgaand aan de overdracht aan de vreemdelingenpolitie op 7 januari 2010 om 13.20 uur, gelijk eiser stelt. Gedaagde voert daartegen aan dat geen sprake is van een onrechtmatig voortraject, omdat er eerst op 7 januari 2010 een geldig bevel tot opheffing van de voorlopige hechtenis van eiser was, namelijk na ondertekening door een van de zittingsrechters. Bovendien is er, gelet op de feitelijke gang van zaken en de tekst en uitleg van de Aanwijzing en artikel 5 EVRM, geen sprake van een schending daarvan.

3.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de stelling van gedaagde dat het bevel pas op 7 januari 2010 van kracht is geworden omdat de optekening van een uitspraak een constitutief vereiste is, geen grondslag in de wet vindt. Een mondelinge uitspraak is eveneens rechtsgeldig. Nu het bevel tot voorlopige hechtenis op 6 januari 2010 is opgeheven, immers in het bevelschrift is bepaald "Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van heden en gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.", dient 6 januari 2010 als uitspraakdatum te worden genomen.

3.4. Eiser stelt voorts dat de vrijheidsontneming op 7 januari 2010 onrechtmatig was alleen al omdat in de Aanwijzing ten aanzien van onmiddellijke invrijheidstelling buiten kantoortijden is bepaald dat voor vrijheidsbeneming na de dag waarop het bevel invrijheidstelling is gegeven geen grondslag bestaat. Naar voorlopig oordeel kan dit standpunt van eiser niet slagen, althans kan eiser hier geen beroep op doen. Daartoe wordt het volgende overwogen. In de Aanwijzing is opgenomen dat de verdachte zo spoedig mogelijk na het opheffen van de voorlopige hechtenis naar de penitentiaire inrichting wordt vervoerd. Indien de verdachte tevens een vreemdeling is en er te zijnen aanzien geen voor tenuitvoerlegging vatbare vonnissen of arresten zijn die vrijheidsbeneming impliceren, dient de inrichting betrokkene onverwijld aan de vreemdelingendienst van de woonplaats, althans verblijfplaats, over te dragen. Hieruit volgt dat de verdachte die een vreemdeling is in beginsel niet in vrijheid wordt gesteld maar wordt overgedragen aan de Vreemdelingendienst. Dit volgt ook uit de werkinstructie die als Bijlage 2A aan de Aanwijzing is gehecht. Uit de daarin vermelde stappen 6 en 7 volgt dat de directeur van de inrichting, indien de gedetineerde niet de Nederlandse nationaliteit bezit, contact opneemt met de vreemdelingendienst.

3.5. De vraag ligt derhalve voor of het tijdsverloop vanaf het bevel tot invrijheidstelling tot aan de overdracht van eiser aan de vreemdelingendienst zodanig is dat geen sprake meer is van onverwijld handelen, in de zin van de Aanwijzing. Eiser stelt dat na de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis weliswaar de nodige administratieve handelingen verricht dienen te worden maar dat mag niet duren van 9.00 uur 's ochtends tot 13.20 uur 's middags. Gedaagde betwist dit gemotiveerd, en verwijst daartoe onder meer naar de uitleg van artikel 5 EVRM in het arrest van het EHRM 1 juli 1997 (Manzoni tegen Italië).

3.6. Als onweersproken is komen vast te staan dat de weersomstandigheden in de nacht van 6 op 7 januari 2010 zeer slecht waren. Daarmee heeft gedaagde, naar voorlopig oordeel, een plausibele verklaring gegeven voor het gegeven dat eiser uiteindelijk niet aan de Vreemdelingenpolitie te Almelo is overgedragen maar aan de Vreemdelingenpolitie te Almere. Aannemelijk is voorts dat daarmee enige tijd verloren is gegaan. Weliswaar behoefde eiser niet van Almere naar Almelo vervoerd te worden - hetgeen het geval zou zijn geweest zonder voormelde omstandigheid - maar enig tijdverlies in verband met voormelde overdracht ligt in de rede.

Voorts is op 7 januari 2010 om 9.04 uur het bevel tot invrijheidstelling gefaxt naar de inrichting alwaar eiser gedetineerd zat. Vervolgens is de administratieve molen, voormeld verzoek van de vreemdelingenpolitie Almelo aan de vreemdelingenpolitie Almere daaronder begrepen, in gang gezet, waarna eiser vervolgens om 13.20 uur aan de vreemdelingenpolitie is overgedragen. Naar voorlopig oordeel is dit tijdsverloop onvoldoende om in dit kort geding de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat in strijd met de Aanwijzing of met artikel 5 EVRM is gehandeld. Wellicht hadden de administratieve handelingen op meer voortvarende wijze kunnen worden opgepakt en afgehandeld, maar dit heeft er in het onderhavige geval niet toe geleid dat er zoveel tijd is verloren dat dit tijdsverloop onverschoonbaar is in de zin van de Aanwijzing of artikel 5 EVRM. Dit klemt temeer daar gedaagde onweersproken heeft betoogd dat ook als de administratieve formaliteiten op een eerder tijdstip, bijvoorbeeld reeds om 10.00 uur, waren afgehandeld, ook dan aan de vreemdelingenpolitie zou zijn overgedragen. Eiser heeft voorts geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.7. Het vorenoverwogene leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat gedaagde niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser. De vordering zal worden afgewezen.

3.8. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.079,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2010.

ib