Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM7999

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
367390 - KG ZA 10-692
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering uit onrechtmatige daad tegen de Staat. Burgerlijke rechter (in kort geding) is bevoegd.

Eiser is ontvankelijk in zijn vordering met betrekking tot de vraag of het strafrechtelijk traject voorafgaande aan de vreemdelingendetentie al dan niet rechtmatig was. In het midden gelaten dat de vordering van eiser een verklaring voor recht betreft en ingegaan op de inhoudelijke aspecten van het geschil. In dat verband is aan de orde de vraag of eiser ten onrechte is staande en aangehouden waardoor hij uiteindelijk in vreemdelingendetentie is gesteld. In casu is de staandehouding en aanhouding rechtmatig geoordeeld, zodat geen sprake is van onrechtmatig handelen door de Staat.

Eiser is niet ontvankelijk in zijn vordering tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, nu hiervoor een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de vreemdelingenrechter openstaat en in die procedure op korte termijn een beslissing kan worden verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 3 juni 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer 367390 / KG ZA 10-692 van:

[eiser],

thans verblijvende [verblijfplaats],

eiser,

advocaat mr. L.J. Meijering te Utrecht,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. E.C. Gijselaar te Den Haag.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 31 mei 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. In de namiddag van donderdag 6 mei 2010 is eiser te [X.] door een surveillerend politieambtenaar staande gehouden. Toen eiser zich niet kon identificeren is hij omstreeks 17.38 uur aangehouden als verdachte van overtreding van het bepaalde in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De verbalisant heeft daarvan een proces-verbaal opgemaakt, waarin het navolgende is opgenomen, voor zover relevant:

"(...) Op donderdag 6 mei 2010, omstreeks 17.10 uur, bevond ik mij in uniform gekleed en met fietssurveillance belast op de openbare weg te [straat 1] te [X.].

Aldaar zag ik ter hoogte van een woning, onbekend perceelnummer, gelegen op de hoek [straat 1]-[straat 2] een man vanaf de openbare weg door de struiken een tuin in kijken. Ik zag dat de struiken in de tuin van een woning, die mij later [straat 2, huisnummer x] bleek te zijn, stonden.

Ik zag dat deze man bij het zien van mijn aanwezig vervolgens wegliep in de richting van de [straat 3].

Ik zag dat de man recht voor zich uit keek en elk oogcontact met mij vermeed.

Ik stopte op de plaats waar ik de man door de struiken had zien kijken.

Ik zag dat er een poortdeur, aan de tuin grensde, open stond, die toegang tot de tuin geeft. Ik zag dat er geen personen in de tuin stonden dan wel liepen.

Ik zag dat de man vervolgens ter hoogte van perceel 53 stopte en vervolgens in mijn richting kwam gelopen.

Het is mij ambtshalve bekend dat er veel woninginbraken in de gemeente [X.] worden gepleegd.

In combinatie van het gedrag van de man heb ik de man staandegehouden en vroeg hem naar zijn identiteitsbewijs.

De man verklaarde mij zijn paspoort niet bij zich te hebben en hij kon mij geen ander identiteitsbewijs overhandigen.

Ik vroeg de man wat zijn naam was en hij verklaarde mij:

Verdachte

Achternaam : [eiser]

(...)

Ik vroeg [eiser] wat hij hier aan het doen was en hij verklaarde mij dat om 17.30 uur een afspraak had met de bewoners waar hij in de tuin had staan kijken. Ik vroeg [eiser] wat de namen van de bewoners waren en hij verklaarde mij dat deze

[P.] en [Q.] heette. (...)

Ik ben vervolgens naar de voorkant van de woning [straat 2, huisnummer x] gelopen en aldaar kwam de bewoner naar buiten gelopen.

Ik vroeg de bewoner wat zijn naam was en hij verklaarde mij [P.] te heten. Ik zag en hoorde dat [P.] [eiser] herkende en kort met elkaar gesproken hadden.

(...)

Op donderdag 6 mei 2010, omstreeks 17.38 uur, hield ik op de [straat 2, huisnummer x] te [X.] [eiser] aan terzake artikel 447e Wetboek van Strafrecht.

(...)"

1.2. Op 6 mei 2010 is eiser omstreeks 20:51 uur heengezonden. Omdat eiser niet beschikte over een identiteitsbewijs, is hij direct aansluitend overgedragen aan de vreemdelingenpolitie, die hem in vreemdelingenbewaring heeft gesteld.

1.3. Eiser heeft op 9 mei 2010 bij de vreemdelingenrechter een beroepschrift ingediend gericht tegen de inbewaringstelling. De vreemdelingenrechter heeft bij uitspraak van 20 mei 2010 het beroep van eiser tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond verklaard.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

I. een verklaring voor recht dat het strafrechtelijke staande houden onrechtmatig is geweest;

II. dat de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven vanwege onrechtmatigheid in het strafrechtelijk voortraject.

2.2. Daartoe voert eiser het volgende aan.

Gedaagde heeft onrechtmatig jegens eiser gehandeld door hem staande te houden op 6 mei 2010, omdat daarvoor geen redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan enig strafbaar feit bestond. Dit leidt ertoe dat de daarop volgende aanhouding vanwege het ontbreken van de identificatiepapieren en de daarop volgende vreemdelingenbewaring eveneens onrechtmatig zijn. De vreemdelingendetentie dient dan ook zo spoedig mogelijk te worden opgeheven.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eiser legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat gedaagde jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

Strafrechtelijk voortraject

3.2. Eiser is in zijn vordering met betrekking tot de vraag of het strafrechtelijk voortraject rechtmatig is verlopen ontvankelijk, nu voor hetgeen hij wil bereiken geen andere mogelijkheden - in het bijzonder ook geen strafrechtelijke of bestuursrechtelijke rechtsgang - ten dienste staan en het belang van eiser spoedeisend is. Daarbij wordt voorbij gegaan aan het bezwaar dat de eerste vordering van eiser een - in beginsel in kort geding niet toegestane - verklaring voor recht behelst. De voorzieningenrechter zal dan ook thans ingaan op de inhoudelijke aspecten van dit geschil.

3.3. In dat verband is aan de orde de vraag of eiser ten onrechte is staande gehouden op 6 mei 2010, gelijk eiser stelt, als gevolg waarvan eiser vervolgens is aangehouden en uiteindelijk in vreemdelingenbewaring is gesteld. Gedaagde heeft aangevoerd dat ten tijde van het staande houden een redelijk vermoeden aanwezig was van schuld aan (poging tot) overtreding van de artikelen 310 en 310 Sr (diefstal) en dat de verbalisant ook op grond van zijn algemene politietaken eiser kon verzoeken zich te legitimeren. Eiser stelt daarentegen dat hij slechts vanaf de openbare weg door de bosjes naar het huis heeft gekeken omdat hij een afspraak had met de bewoners.

3.4. Naar voorlopig oordeel kan het betoog van eiser niet slagen. Dit ziet er namelijk aan voorbij dat identiteitscontrole ook is toegestaan in het kader van een redelijke uitoefening van de algemene politietaken bij handhaving van de rechtsorde en hulpverlening (artikel 2 van de Politiewet). Wanneer een surveillerend politieambtenaar in dat kader een persoon staande houdt die zich gedraagt alsof hij een diefstal voorbereidt, dient dat optreden ter voorkoming van het plegen van zulk een strafbaar feit en is dat in het algemeen niet disproportioneel. Uit het hierboven gerelateerde proces-verbaal van aanhouding blijkt van diverse relevante omstandigheden die tot de conclusie leiden dat de grenzen van een redelijke taakuitoefening hier niet zijn overschreden. De verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 juni 1977 (hollende kleurling) gaat reeds daarom niet op, omdat de Wet op de identificatieplicht toen nog niet gold.

3.5. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat eiser op rechtmatige wijze is staande gehouden en aangehouden, zodat gedaagde niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser. Het gevorderde onder I zal daarom worden afgewezen.

Opheffing vreemdelingenbewaring

3.6. Eiser is in zijn vordering tot opheffing van de vreemdelingenbewaring niet- ontvankelijk, nu hiervoor een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de vreemdelingenrechter openstaat. Het bestaan van deze procedure, waarin op korte termijn een beslissing kan worden verkregen, staat in de weg aan ontvankelijkheid van de onderhavige vordering in kort geding. Voor de voorzieningenrechter is hier dan ook geen taak weggelegd.

Kosten

3.7. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart eiser in zijn vordering onder II niet-ontvankelijk;

- wijst het onder I gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.079,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2010.

ib