Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM7549

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
AWB 09/20919, 09/7590, 09/17378
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking asiel en toetsing gemeenschapsrecht / belang na ongewenstverklaring

Eiser is ongewenst verklaard. Nu het beroep tegen de intrekking van eisers asielaanvraag niet tot het resultaat kan leiden dat hij rechtmatig verblijf krijgt, heeft hij thans geen belang bij een beoordeling van dit beroep. Hetzelfde geldt voor het verkrijgen van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan, zie hiervoor de Afdelingsuitspraak van 23 maart 2010 (LJN: BL 9331). De rechtbank merkt overigens op dat in de uitspraak van heden in de ongewenstverklaringsprocedure van eiser is beoordeeld of eiser aan het gemeenschapsrecht rechten kan ontlenen. Gelet op het voorgaande worden beide beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft voorts geen belang meer bij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, nu dit verzoek er toe strekt de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep en eiser inmiddels is teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Gelet hierop wordt dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/20919, 09/7590 en 09/17378

V-nr:

uitspraak van de meervoudige kamer en voorzieningenrechter

in het geding tussen:

eiser [naam], van Algerijnse nationaliteit,

gemachtigde: mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. van Asperen, advocaat te ’s-Gravenhage.

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2009 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Op 5 maart 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit (AWB 09/7590) en heeft eiser de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het beroep is beslist (AWB 09/17378).

Op 4 november 2008 heeft eiser een aanvraag om afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ ingediend. Bij besluit van 4 maart 2009 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen op 5 maart 2009 door eiser ingediende bezwaar is bij besluit van 13 mei 2009 ongegrond verklaard. Op 9 juni 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit (AWB 09/20919).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010. Eiser en verweerder zijn aldaar vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. Ook was ter zitting aanwezig [naam] mevrouw W, de partner van eiser.

De rechtbank/voorzieningenrechter (verder: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Feiten / achtergrondinformatie

Eiser is bij besluit van 9 februari 1998 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf als alleenstaande minderjarige asielzoeker. Die vergunning tot verblijf is eerst omgezet in een vergunning tot verblijf zonder beperkingen en hierna met ingang van 22 februari 2001 in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, onder c en e, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Deze ongewenstverklaring is, ondanks de daartegen gerichte en thans nog ter rechterlijke beoordeling openstaande rechtsmiddelen, niet vernietigd, ingetrokken of opgeheven.

Wettelijk kader

Ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel

Ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken, indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan de vreemdeling ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

Artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de ongewenstverklaarde vreemdeling, in afwijking van artikel 8 van de Vw 2000, geen rechtmatig verblijf kan hebben.

Ten aanzien van het verzoek een verblijfsdocument af te geven op grond van het gemeenschapsrecht

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, strekkende tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: Richtlijn 2004/38), vergemakkelijkt het gastland, onverminderd een persoonlijk recht van vrij verkeer of verblijf van de betrokkenen, overeenkomstig zijn nationaal recht, binnenkomst en verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, voor zover thans van belang, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder e, sub 2, en artikel 8, onder e, van de Vw 2000, verschaft verweerder aan een familielid van een gemeenschapsonderdaan die rechtmatig verblijf heeft een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt (hierna: het verblijfsdocument).

Beoordeling van het beroep gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel (AWB 09/7590) en het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 09/17378)

Ten aanzien van het beroep

1. Niet in geschil is dat eiser ongewenst is verklaard en dat deze ongewenstverklaring, hoewel nog niet onherroepelijk, tot op heden voortduurt. Dit heeft tot gevolg dat eiser, gelet op het bepaalde in artikel 67, derde lid, van de Vw 2000, geen rechtmatig verblijf kan hebben. Het onderhavige beroep, dat is gericht tegen het besluit tot intrekking van eisers verblijfsvergunning asiel, kan derhalve niet tot het resultaat leiden dat hij rechtmatig verblijf verkrijgt. Dit leidt tot het oordeel dat eiser thans geen belang heeft bij een beoordeling van het onderhavige beroep. In dat verband wordt voorts overwogen dat belang bij toetsing in rechte van een afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning dan wel intrekking van een verblijfsvergunning eerst aan de orde kan komen, indien het besluit tot ongewenstverklaring is vernietigd of ingetrokken dan wel de ongewenstverklaring wordt opgeheven. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2006 (LJN: AY3849). Het feit dat er beroep tegen de ongewenstverklaring is ingesteld maakt het voorgaande niet anders nu, zolang de ongewenstverklaring niet daadwerkelijk is opgeheven, de ongewenstverklaring en de gevolgen daarvan voortduren.

2. Gelet op het voorgaande dient het beroep wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang niet-ontvankelijk te worden verklaard. Een inhoudelijke beoordeling dient derhalve achterwege te blijven.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

3. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat eiser hier niet langer belang bij heeft aangezien hij inmiddels is teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Gelet hierop dient het verzoek wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

4. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Beoordeling van het beroep gericht tegen de weigering eiser een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ af te geven (AWB 09/20919)

5. Zoals eiser ook ter zitting heeft toegelicht, betreft de hier voorliggende aanvraag een aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht, gepaard gaande met een verzoek om verstrekking van het daaraan verbonden verblijfsdocument op grond van artikel 9 van de Vw 2000. Verweerder heeft deze aanvraag ook als zodanig opgevat en zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen rechten kan ontlenen aan het gemeenschapsrecht. Eiser stelt zich in zijn beroep daartegen gemotiveerd op het standpunt dat hij wel rechten kan ontlenen aan het gemeenschapsrecht.

6. Zoals in de eerste rechtsoverweging is opgemerkt kan eiser, gelet op zijn ongewenstverklaring, geen rechtmatig verblijf hebben noch verkrijgen. Nu hetzelfde geldt voor het verkrijgen van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2010, LJN: BL9331), heeft eiser evenmin belang bij het onderhavige beroep. De rechtbank merkt overigens op dat in de uitspraak van heden in de ongewenstverklaringsprocedure van eiser is beoordeeld of eiser aan het gemeenschapsrecht rechten kan ontlenen.

7. Gelet op het voorgaande dient ook dit beroep wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang niet-ontvankelijk te worden verklaard. Een inhoudelijke beoordeling dient derhalve achterwege te blijven.

8. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 09/20919,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 09/7590,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 09/17378,

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Jonkers, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mrs. M.M. Verberne en W.J. van Bennekom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.T.P. Scheers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2010.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc..: ES

Coll.: MB

D: B

VK

Tegen de uitspraken in de zaken onder nummers AWB 09/20919 en 09/7590 staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.