Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM7547

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
AWB 09/23431
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pardonregeling / contra-indicatie / openbare orde / onherroepelijkheid / beëindiging van de Regeling

Eiser is nog niet onherroepelijk veroordeeld. Hij heeft cassatie ingesteld. De omstandigheid dat eiser alsnog kan worden vrijgesproken of aan hem geen straf of een lagere straf kan worden opgelegd (zodat hem niet langer de contra-indicatie ‘openbare orde’ kan worden tegengeworpen), terwijl hij door de beëindiging van de Regeling bij WBV 2008/31 niet langer in aanmerking kan komen voor vergunningverlening op grond van de Regeling, is geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Deze omstandigheid kan worden geacht te zijn betrokken bij de totstandkoming van de Regeling, dan wel de beëindiging daarvan. De Regeling, en in het bijzonder de beëindiging daarvan, is bovendien niet kennelijk onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/23431

V-nr:

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

[naam] eiser, van Syrische nationaliteit,

gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. Pruss, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

Procesverloop

Bij brief van 27 januari 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (hierna: de Regeling), zoals neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2007/11. Bij verzoekschrift van 27 januari 2009 heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 15 april 2009 heeft verweerder aan eiser een kopie van de conceptminuut doen toekomen. Op 29 april 2009 heeft eiser zijn gronden van bezwaar aangevuld.

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Op 29 juni 2009 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Bij uitspraak van 2 december 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2010. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij vonnis van 31 juli 2008 is eiser door het gerechtshof te Leeuwarden veroordeeld tot, voor zover van belang, een werkstraf van 240 uur, subsidiair 4 maanden vervangende hechtenis wegens overtreding van artikel 302, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Eiser heeft tegen dit vonnis cassatie ingesteld.

Standpunten van partijen

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aan eiser opgelegde straf een contra-indicatie vormt in de zin van de Regeling. Dat het vonnis nog niet onherroepelijk is en eiser dus vrijgesproken kan worden of geen of een lagere straf opgelegd kan krijgen, ook indien dit na beëindiging van de Regeling gebeurt, is een omstandigheid die bij de totstandkoming en beëindiging van de Regeling is betrokken. Er is aldus geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit beleid is volgens verweerder bovendien niet onredelijk.

3. Eiser voert hiertegen aan dat verweerder bij de totstandkoming van de Regeling niet heeft voorzien dat de Regeling zou worden beëindigd en hierdoor de Regeling een definitiever karakter heeft gekregen dan bij de totstandkoming was voorzien. Indien eiser wordt vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, althans geen of een lagere (onvoorwaardelijke) straf wordt opgelegd waardoor de contra-indicatie ‘openbare orde’ niet langer kan worden tegengeworpen, kan hem geen vergunning op grond van de Regeling meer worden verleend nu deze per 1 januari 2009 is vervallen. Dit is een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Daarnaast is het een bijzondere omstandigheid dat de officier van justitie in eerste aanleg ontslag van alle rechtsvervolging heeft gevorderd. Ten slotte is het beleid van verweerder gelet op het voorgaande onredelijk, aldus eiser.

Wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 is verweerder bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

5. Ingevolge artikel 3.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kunnen bij ministeriële regeling andere beperkingen, dan genoemd in het eerste lid van dit artikel, worden aangewezen waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend.

6. Ingevolge artikel 3.17a, aanhef en onder b, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) 2000 wordt als een beperking, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid van het Vb 2000, aangewezen de beperking verband houdende met de afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet.

7. In de Regeling is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “In het coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV van 7 februari 2007 is besloten om de nalatenschap van de Vw oud af te wikkelen. Daartoe is een regeling getroffen waarbij onder voorwaarden een verblijfsvergunning wordt verleend aan vreemdelingen die onder de Vw oud een asielaanvraag hebben ingediend en die nog immer in Nederland zijn. (..)”

8. Volgens het door verweerder gehanteerde beleid als neergelegd in de Regeling, vastgesteld in WBV 2007/11 en, tot aan de beëindiging op 1 januari 2009 bij WBV 2008/31, opgenomen in hoofdstuk B14/5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, wordt een verblijfsvergunning verleend aan de vreemdeling: a. wiens eerste asielaanvraag vóór 1 april 2001 is ingediend, dan wel die zich reeds vóór 1 april 2001 bij de IND of vreemdelingenpolitie heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag; b. die sinds 1 april 2001 ononderbroken in Nederland heeft verbleven; en c. die, voor zover toepasselijk, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsaanvaarding op grond van de regeling.

9. De verblijfsvergunning wordt op grond van verweerders beleid niet verleend als sprake is van een zogeheten contra-indicatie, waarvan sprake is indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is onder meer het geval indien de vreemdeling wegens een drugs-, zeden- of geweldsmisdrijf één of meerdere taakstraffen zijn opgelegd en de vervangende hechtenis van het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte daarvan in totaal ten minste één maand bedraagt. Het is niet vereist dat de uitspraak waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf onherroepelijk is geworden.

Beoordeling door de rechtbank

10. In geschil is de vraag of de omstandigheid dat eiser alsnog kan worden vrijgesproken of aan hem geen straf of een lagere straf kan worden opgelegd, terwijl hij door de beëindiging van de Regeling bij WBV 2008/31 niet langer in aanmerking kan komen voor vergunningverlening op grond van de Regeling, een bijzondere omstandigheid is in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Hiervoor is van belang de vraag of deze situatie geacht moet worden te zijn betrokken bij de vaststelling van de Regeling dan wel bij de beëindiging ervan.

11. Allereerst is van belang dat in de Regeling expliciet is opgenomen dat geen sprake hoeft te zijn van een onherroepelijk (straf)vonnis voordat de veroordeling kan worden tegengeworpen in het kader van de contra-indicatie ‘openbare orde’. Bovendien is van belang dat de Regeling zich, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis, onder strikte voorwaarden richt op ambtshalve vergunningverlening aan een bepaalde groep vreemdelingen, waarbij verweerder voornemens was de Regeling af te handelen zonder mogelijkheden van bezwaar en beroep. Ook uit het Coalitieakkoord volgt dat verweerder de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet op korte termijn wilde afwikkelen. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 9 februari 2010 (LJN: BL3878), waarbij is overwogen dat de Regeling een beperkte geldigheidsduur kent en er op is gericht de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet snel en adequaat af te wikkelen. Hieruit volgt dat, in tegenstelling tot eisers betoog, bij de totstandkoming van de Regeling was bedoeld dat de Regeling eindig zou zijn. De situatie waarin eiser verkeert moet dan ook worden geacht te zijn betrokken bij de totstandkoming van de Regeling.

Bovendien heeft verweerder er met de invoering van WBV 2008/31 en daarmee de beëindiging van de Regeling, bewust voor gekozen dat vreemdelingen na de daarin genoemde datum niet langer in aanmerking kunnen komen voor een vergunning op grond van de Regeling, wetende dat er vreemdelingen kunnen zijn aan wie de contra-indicatie ‘openbare orde’ is tegengeworpen, van wie het vonnis nog niet onherroepelijk was. Deze omstandigheid moet dus ook geacht worden te zijn betrokken bij de beëindiging van de Regeling.

12. Nu de omstandigheid dat eiser alsnog kan worden vrijgesproken dan wel aan hem geen of een lagere straf kan worden opgelegd, zowel bij de totstandkoming als bij de beëindiging van de Regeling moet worden geacht te zijn betrokken, heeft verweerder deze omstandigheid terecht niet als bijzonder in de zin van artikel 4:84 van de Awb aangemerkt.

13. Hetzelfde geldt voor de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheid van de strafzaak, te weten dat de officier van justitie in eerste aanleg ontslag van alle rechtsvervolging heeft gevorderd omdat er sprake zou zijn van noodweer. Verweerder heeft, zoals ter zitting aangevoerd, in de Regeling gekozen voor een bepaalde duur van de vervangende hechtenis voor een taakstraf, in rechte opgelegd in een veroordelend vonnis. Daarbij is aansluiting gezocht bij het beleid inzake de ongewenstverklaring van vreemdelingen. Hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd doet volgens het beleid dan ook niet ter zake. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat hetgeen door eiser is aangevoerd geen bijzondere omstandigheid vormt in de zin van artikel 4:84 van de Awb, omdat hiermee rekening is gehouden bij de totstandkoming van de Regeling.

14. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat de Regeling, en in het bijzonder de beëindiging daarvan, kennelijk onredelijk is, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2010 en hiervoor reeds is overwogen, ziet de Regeling op een specifieke groep vreemdelingen. De Regeling kent een beperkte geldigheidsduur en is erop gericht de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet snel en adequaat af te wikkelen, waartoe in de Regeling strikte voorwaarden zijn gesteld om voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van de Regeling in aanmerking te komen. Hieruit volgt dat de Regeling naar strekking en reikwijdte een restrictief op te vatten aanvulling vormt op het vreemdelingenbeleid. Zij strekt er niet toe om vreemdelingen die niet aan de voorwaarden voldoen, niettemin wegens schrijnende individuele omstandigheden alsnog een verblijfsvergunning te verlenen. Voorts acht de rechtbank van belang dat verweerder van meet af aan niet de mogelijkheid van bezwaar en beroep heeft willen openstellen tegen het ambtshalve niet doen van een aanbod op grond van de Regeling.

15. In dit licht bezien acht de rechtbank de Regeling niet kennelijk onredelijk. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat eiser bij een toekomstig vonnis, op grond waarvan eiser niet zou voldoen aan de contra-indicatie, een verzoek bij verweerder kan indienen om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit. Met dit vonnis zal immers sprake zijn van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Mocht verweerder besluiten terug te komen op het bestreden besluit, dan verzet WBV 2008/31 zich, anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, niet tegen het verlenen van een vergunning op grond van de Regeling. Een verzoek om terug te komen van een eerder in rechte onaantastbare besluit dient te worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van dat in rechte onaantastbaar besluit. Ten tijde van dat besluit was de Regeling nog geldig en van toepassing op eiser.

16. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

17. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Bosman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2010.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: HL

Coll.: MLB

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.