Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM7360

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09-535698-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bankoverval. Poging tot afpersing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/535698-09

Datum uitspraak: 10 juni 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden-Zoetermeer" te Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 25 maart 2010 en 27 mei 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Coenen en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. Van der Kist, advocaat te Waddinxveen, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 december 2009 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en / of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld één of meerdere medewerkers en/of klanten van de ING bank, gelegen aan de Burgemeester van Reenensingel aldaar, te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de ING bank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met (een) handschoen(en) en/of een stuk stof voor zijn gezicht en/of een capuchon op zijn hoofd en/of een vuurwapen voornoemde ING bank heeft betreden en/of het vuurwapen in zijn hand heeft gehouden en/of dat vuurwapen heeft gericht op [A] en/of andere medewerker(s) van de ING bank en/of klant(en) van die bank en/of (daarbij) heeft geroepen "Ik wil geld. Ik wil

geld" en/of "Ik schiet je kapot" en/of "Dit is een overval, ik wil geld" en/of "Als ik geen geld krijg, schiet ik die man dood" en/of "Dit is een overval, ik wil geld, ik ga schieten, ik schiet je dood" en/of woorden van soortgelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 29 december 2009 te Gouda een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool, [merk], , en/of munitie van categorie III, te weten 4 scherpe patronen, kaliber .22, , voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afpersing door in een filiaal van de ING-bank met bedekt hoofd, gezicht en handen een vuurwapen (pistool) op personen te richten en daarbij woorden te uiten die onder meer inhielden dat hij iemand dood zou schieten als hij geen geld kreeg. Voorts komt de verdenking er op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen en munitie, beide van categorie III.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte wijst erop dat verdachte niet ontkent dat hij met een wapen het filiaal van de ING-bank is binnengegaan, maar hij heeft dit wapen niet op personen gericht en evenmin heeft hij de ten laste gelegde bedreigingen geuit. Bovendien was hij niet van plan geweest te gaan schieten. Om die reden was het wapen ook niet doorgeladen en was de veiligheidspal ingedrukt. De andersluidende verklaringen van de verschillende getuigen zijn niet geloofwaardig nu zij onderling teveel verschillen.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af. 1

Op 29 december 2009 in de middag bevond verdachte zich in de woning van een vriend in de [straat] te Gouda. De vriend heeft verdachte toen een pistool laten zien. Verdachte heeft daarna het plan opgevat om de ING-bank gelegen aan de Burgemeester van Reenensingel te Gouda te gaan overvallen. Verdachte koos voor dit filiaal omdat hij wist dat in dit filiaal contant geld werd bewaard in de lades van de afgeschermde kasbalies. Verdachte heeft het pistool in een laptop-tas gestopt, handschoenen aangetrokken en deze vastgeplakt met tape. Hij is vervolgens op de fiets naar het betreffende filiaal gereden. Hij heeft daarbij een route uitgekozen waarbij hij de camera’s in het centrum van Gouda kon ontwijken. Bij aankomst op de Burgemeester van Reenensingel heeft verdachte eerst een rondje gereden op het terrein van autobedrijf en benzinestation [naam]. Vervolgens heeft verdachte zijn fiets tegen een muur van het bankfiliaal gezet, is hij het pand binnengegaan door de twee toegangsdeuren en heeft hij het pistool uit de laptoptas gehaald. Op het moment van binnengaan droeg verdachte - afgezien van de vastgeplakte handschoenen - de capuchon van zijn jas over zijn hoofd en had hij een lap stof voor zijn gezicht2.

De situatie in het bankfiliaal was op het moment van binnenkomst door verdachte als volgt. Achter de twee toegangsdeuren (een zgn. “sluis”) bevond zich links een gewone klantenbalie met daarachter een kantoorruimte. Getuige [B], kantoormanager, en getuige [C], medewerker, bevonden zich achter de klantenbalie. Rechts bevonden zich drie kasbalies die waren afgeschermd met kogelvrij glas. Getuige [A] werkte op dat moment als enige achter de afgeschermde balies en wel achter het middelste loket.3 In de open ruimte tussen de klantenbalie en de kasbalies bevonden zich een verder aantal klanten waaronder de hierna nog te noemen getuigen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij na de tweede toegangsdeur stil is blijven staan, dat hij zijn arm zijdelings heeft uitgestrekt en het pistool uitsluitend heeft gericht op de meest rechtse kasbalie waar op dat moment niemand achter zat. Direct daarop werd hij, aldus verdachte, overmeesterd. Hij heeft bij dit alles geen doodsbedreigingen geuit.

Deze verklaring van verdachte komt niet overeen met wat getuigen hebben verklaard omtrent hetgeen binnen de bank is voorgevallen.

Zo heeft [B] verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte4 na binnenkomst zijn armen gestrekt voor zich hield, een pistool vasthield en meteen naar de middelste kasbalie liep. Hij weet zeker dat verdachte riep “Ik schiet je kapot”.5

Getuige [A] heeft voorts verklaard dat verdachte ineens met een vuurwapen voor haar balie stond en de loop op haar gericht hield.6

Ook de overige getuigen geven aan dat verdachte het wapen hield in de richting van [A] en bedreigingen uitte. In dit verband heeft getuige [D] verklaard dat hij zag dat verdachte recht op het loket afliep en een vuurwapen gericht hield op de vrouwelijke medewerker daarachter.7 Getuige [E] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte met een vuurwapen gericht op het loket stond, dat verdachte riep dat het een overval was en dat hij geld wilde en dat hij vervolgens hoorde dat verdachte riep dat als hij geen geld zou krijgen, hij een man zou doodschieten. [E] heeft gezien dat verdachte toen zijn vuurwapen naar de grond richtte waar zich een man dwars voor het loket op de grond bevond. Hij heeft voorts gezien dat verdachte vervolgens het vuurwapen op de vrouw achter het loket richtte.8 Getuige [F] heeft verklaard dat zij verdachte zag binnenkomen, dat die een arm uitstak en in de richting van de kasbalie liep en dat uit de gebreide handschoen iets uitstak in de richting van de medewerkster achter het loket. Zij heeft verklaard te hebben gehoord “Dit is een overval, ik wil geld, ik ga schieten, ik schiet je dood” of woorden van gelijke strekking.9 Getuige [G] heeft verklaard dat hij in het pand voor de schuifdeur stond toen hij verdachte in de sluis zag, dat hij zag dat deze een vuurwapen in zijn rechterhand had dat hij bij binnenkomst gestrekt voor zich uit hield in de richting van de rechter balie en dat hij hoorde zeggen “Geld, ik wil geld”. [G] heeft voorts verklaard dat hij zag dat verdachte bij de balie stond, dat daar een klant op zijn buik op de grond lag, dat verdachte het pistool op die klant gericht hield en dat hij gehoord heeft dat verdachte zei “Ik wil geld anders schiet ik die man dood” of “Ik wil geld anders gaat die man dood”.10

Getuige [C] heeft verklaard te hebben gezien dat verdachte op het loket waar [A] zat afliep, een vuurwapen in zijn rechter hand vasthield, zijn arm de hele tijd gestrekt hield en tegen een jongen die bij het loket stond riep “Ga liggen, dit is een overval”. Hij heeft verklaard te hebben gezien dat verdachte op de borst van de jongen richtte en terwijl de jongen ging liggen het vuurwapen op de jongen gericht hield. Hij heeft verklaard te hebben gehoord dat verdachte riep “Geef geld of ik schiet hem neer”.11

Getuige [H] heeft verklaard dat hij degene was die werd geholpen aan de middelste kasbalie. Toen hij geschreeuw hoorde, keek hij om en hij zag op twee meter afstand verdachte staan die een pistool op hem gericht hield. Hij heeft verklaard te hebben gehoord dat verdachte zei dat hij moest gaan liggen en “Geef geld of ik schiet hen dood”. Hij kon niet zien wie verdachte bedoelde maar hij had wel het gevoel dat hij zelf werd bedoeld.12

Alle getuigen verklaren voorts dat verdachte pas hierna werd overmeesterd door voornoemde [D].

Op zichzelf heeft de raadsman terecht aangevoerd dat de hiervoor weergegeven verklaringen op details verschillen. Gezien de hectische, emotionele en beangstigende situatie waarin de getuigen zich door toedoen van verdachte bevonden, is dat echter niet onbegrijpelijk. Voorts zijn de verklaringen op hoofdlijnen onderling consistent waar het gaat om de vraag of verdachte zijn pistool op personen heeft gericht en of hij bedreigingen heeft geuit. Immers op [E] na verklaren alle getuigen dat verdachte na binnenkomst niet stil is blijven staan maar in de richting van de middelste kasbalie is of moet zijn gelopen en ook uit de verklaring van [E] valt niet af te leiden dat verdachte direct na binnenkomst stil is blijven staan. Het merendeel van de getuigen verklaart voorts dat verdachte het vuurwapen heeft gericht op [A] en volgens de verklaringen van [E], [G], [C] en [H] zou verdachte het vuurwapen eveneens hebben gericht op [H]. Het verweer van verdachte dat de verklaring van [H] moet worden uitgesloten van het bewijs omdat deze verklaring niet overeenkomt met de verklaring die is afgelegd door zijn broer [I], wordt door de rechtbank verworpen. De enkele omstandigheid dat [H] aan zijn moeder en broer niet zou hebben verteld dat hij zelf bedreigd is door verdachte, maakt zijn verklaring tegenover de politie nog niet ongeloofwaardig. Hierbij weegt mee dat zijn bij de politie afgelegde verklaring op grote lijnen wel overeenkomt met de verklaringen van [E], [G] en [C].

De rechtbank acht voormelde verklaringen betrouwbaar en hecht mitsdien geen geloof aan de hiervoor weergegeven verklaring van verdachte omtrent zijn handelingen en gedragingen binnen de bank.

Dat geldt evenzo voor de in de tenlastelegging opgenomen bedreigingen. De getuigen [B], [E], [F], [G], [C] en [H] verklaren allen dat zij verdachte bedreigingen hebben horen uiten. Nu getuige [B] de enige is die de bedreiging “Ik schiet je kapot” zegt te hebben gehoord en verdachte ontkent dergelijke typisch Nederlandse uitdrukkingen te gebruiken, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit heeft gezegd.

Uit de genoemde getuigenverklaringen, zowel individueel bekeken als in hun onderling verband bezien, leidt de rechtbank af dat verdachte na binnenkomst in het bankfiliaal in de richting is gelopen van de middelste kasbalie, daar zijn wapen heeft gericht op achtereenvolgens [A] en [H], daarbij heeft geroepen dat hij geld wilde hebben en heeft gedreigd (iemand dood) te schieten.

Uit de verklaringen volgt voorts dat verdachte hierna is overmeesterd door [D] en dat verdachte toen het wapen heeft laten vallen. Door [C] is het wapen vervolgens weggetrapt.13 Nadat verdachte door [D], [E] en [C] in bedwang is gehouden, is hij overgedragen aan de politie.14 [B] heeft daarna het wapen met een balpen opgepakt en op de open klantenbalie neergelegd.15 De opsporingsambtenaren van de technische recherche hebben op het bureaublad van de open balie inderdaad een vuurwapen aangetroffen. Uit het dossier blijkt dat de veiligheidspal van het wapen in de vuurstand stond, dat zich in de kolf een houder bevond en dat bij het ontladen van het wapen in de houder drie patronen werden aangetroffen. Een vierde patroon werd in de kamer aangetroffen.16 Dit wapen is geïdentificeerd als een [merk] kaliber .22, van de categorie III. Het wapen functioneerde naar behoren. De patronen zijn geïdentificeerd als scherpe patronen van het kaliber .22 long rifle randvuur, eveneens categorie III. De magazijnhaak van het wapen ontbrak, maar het magazijn van het wapen was voorzien van grijs plakband en paste met omwikkeld plakband in het pistool.17

De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht - onder verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten door welke verbetering de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad - ten aanzien van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 29 december 2009 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld één medewerker van de ING bank, gelegen aan de Burgemeester van Reenensingel aldaar, te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan de ING bank, met handschoenen en een stuk stof voor zijn gezicht en een capuchon op zijn hoofd en een vuurwapen voornoemde ING bank heeft betreden en het vuurwapen in zijn hand heeft gehouden en dat vuurwapen heeft gericht op [A] en één klant van die bank en daarbij heeft geroepen "Ik wil geld. Ik wil geld" en/of "Dit is een overval, ik wil geld" en/of "Als ik geen geld krijg, schiet ik die man dood" en/of "Dit is een overval, ik wil geld, ik ga schieten, ik schiet je dood" of woorden van soortgelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 29 december 2009 te Gouda een wapen van categorie III, te weten een pistool, [merk], en munitie van categorie III, te weten 4 scherpe patronen, kaliber .22, voorhanden heeft gehad.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Door de rechtbank is kennis genomen van het door J.C. van Nes opgestelde psychologisch onderzoek d.d. 18 mei 2010. Door de raadsvrouw van verdachte is geklaagd over de wijze van totstandkoming van de rapportage. Zij betwist de juistheid van de vaststelling van de psycholoog dat bij verdachte spijtgevoelens ontbreken en de conclusie dat bij verdachte sprake zou zijn van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Wat daar verder van zij, dit brengt nog niet met zich dat aan de conclusies van de psycholoog ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte moet worden getwijfeld. Nu evenmin van andere omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat verdachte terzake strafbaar is.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert gezien de ernst van de feiten, het gegeven dat het gaat om een overval die door verdachte goed gepland is en die heeft plaatsgevonden in een voor iedereen toegankelijk (bank)gebouw, een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar. Deze lange proeftijd acht de officier noodzakelijk met het oog op het grote risico dat verdachte na zijn detentie wederom strafbare feiten zal plegen. De officier verzoekt in dat kader om als bijzondere voorwaarden op te leggen een meldingsverplichting bij de reclassering alsmede de verplichting voor verdachte om zich te laten behandelen voor zijn alcoholverslaving zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies van Palier d.d. 19 mei 2010.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte betoogt dat bij de bepaling van de strafmaat rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte veel spijt heeft en dat de justitiële informatie over verdachte met name vermogensdelicten en geen geweldsdelicten bevat. Zij bepleit een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf en als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke gevangenisstraf de verplichting voor verdachte zich te laten behandelen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht na te melden straf in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft de bankoverval goed doordacht en voorbereid. Hij heeft een bankfiliaal uitgezocht waarbij zich nog kasgeld achter de balie bevond. Hij heeft zich zodanig gekleed dat hij onherkenbaar was, zich voorzien van een wapen met munitie. Vervolgens is hij naar het bankfiliaal gefietst. Hij heeft bewust een fietsroute gekozen waarbij hij zo min mogelijk kans liep binnen het bereik van beveiligingscamera’s te komen. Hij is het bankfiliaal binnengegaan en heeft een medewerkster en een klant bedreigd. Het is uitsluitend aan het ingrijpen van een toevallig aanwezige klant te danken dat erger is voorkomen. In dit verband weegt mee dat, anders dan verdachte stelt, het wapen niet alleen naar behoren functioneerde maar bovendien doorgeladen was, terwijl de veiligheidspal in de vuurstand stond. Dat dit zou zijn gebeurd nadat verdachte het wapen had laten vallen, zoals van de zijde van de verdediging is gesuggereerd, is in het geheel niet aannemelijk geworden.

Verdachte heeft bij dit alles slechts het eigen geldelijk gewin voor ogen gestaan want hij verwachtte met de opbrengst zijn schulden te kunnen betalen. Hij is daarmee volledig voorbij gegaan aan de psychische en lichamelijke gevolgen voor de slachtoffers. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat bankovervallen op een ieder die daarmee wordt geconfronteerd, een enorme impact hebben. In dit geval gaat het zowel om klanten als bankmedewerkers. Ook al worden de laatsten door of namens hun werkgever voorbereid op dit soort gebeurtenissen, hun gevoel van veiligheid in het algemeen en op de werkplek in het bijzonder, wordt ernstig geschaad. Uit de slachtofferverklaringen die ter zitting zijn voorgelezen blijkt dat de direct betrokkenen ook thans nog met de (psychische) gevolgen van het handelen van verdachte worden geconfronteerd.

Het is een goede zaak dat verdachte ter zitting zijn excuus heeft gemaakt voor zijn daden en heeft aangegeven dat hij het leed van de slachtoffers betreurt. Dit doet echter aan de ernst van de feiten niet af.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 december 2009 waaruit blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig met justitie in aanraking is geweest in verband met vermogensdelicten. Ook hieruit blijkt dat verdachte weinig respect heeft voor de eigendommen van anderen.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezen verklaarde en alle hiervoor weergegeven omstandigheden op juiste wijze tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de officier te volgen in haar eis een langere proeftijd op te leggen nu deze proeftijd aansluit op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur.

De rechtbank zal derhalve de gebruikelijke proeftijd van een periode van twee jaar opleggen met daaraan gekoppeld de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarden, waarvan verdachte heeft aangegeven daarmee in te stemmen.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[A] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot immateriële schadevergoeding groot € 1.653. In de toelichting wordt verzocht dit bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Voorts wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

[B] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot immateriële schadevergoeding eveneens groot € 1.653 en materiële schadevergoeding (medicatie) groot € 13,10. In de toelichting wordt verzocht dit bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Voorts wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd beide genoemde vorderingen voor het geheel toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft aangegeven de door [A] ingediende vordering niet te betwisten. Zij concludeert echter tot afwijzing van de door [B] ingediende vordering nu het causaal verband tussen het ten laste gelegde feit en de psychische problemen van [B] niet vaststaat.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [A]

De rechtbank acht de vordering van [A] van zo eenvoudige aard dat die zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

[A] is tijdens het uitvoeren van haar dagelijkse werkzaamheden en in het gebouw waar zij die dagelijkse werkzaamheden uitvoert door verdachte bedreigd met een vuurwapen. De door haar gestelde psychische gevolgen (gevoelens van angst, zowel op haar werk als in haar privéleven) staan in een rechtstreeks verband met het handelen van verdachte. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank bovendien niet onbillijk voor en zij zal daarom de vordering toewijzen vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 2009 tot aan de dag van algehele voldoening.

Nu verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 ten laste gelegde feit is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het toegewezen bedrag.

De vordering van [B]

In de toelichting op de ingediende vordering geeft [B] aan dat hij zeer angstige momenten heeft beleefd tijdens de door verdachte gepleegde overval en dat hij op zijn werk veel last hiervan heeft ondervonden waardoor hij dat niet meer naar behoren kon uitvoeren. De rechtbank stelt vast dat [B] zelf niet is bedreigd en tijdens de overval ook geen direct contact met verdachte heeft gehad. Uit de slachtofferverklaring van [B] blijkt voorts dat de werkdruk na de overval hoog was in verband met een aanstaande verhuizing, dat ten tijde van de overval zijn baan op de tocht stond, zodat hij zich moest bewijzen en dat hij in die tijd thuis midden in een verbouwing en verhuizing zat. Onder deze omstandigheden staat het causaal verband tussen de overval en de door [B] gestelde gevolgen niet zonder meer vast. De vordering is mitsdien niet van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor toewijzing in de onderhavige strafzaak. De rechtbank zal [B] derhalve niet-ontvankelijk verklaren. [B] kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslaggenomen fiets van het merk Decathlon Riverside zoals genoemd in het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming met nummer [nummer] (in het dossier gevoegd tussen p. 119 en 120), zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat niet kan worden vastgesteld aan wie de in beslaggenomen fiets toebehoort. Nu verdachte ter voorbereiding van de overval gebruik heeft gemaakt van deze fiets en verdachte voor deze overval wordt veroordeeld (art. 33a lid 1 en 2 Sr), zal de rechtbank overgaan tot verbeurdverklaring ervan.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 33, 33a, 36f, 45, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1: poging tot afpersing;

ten aanzien van feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de reclasseringsafdeling van Palier (GGZ Palier Leiden) zolang als die zulks nodig acht;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd voor zijn afhankelijkheid van middelen zal laten behandelen bij Triple Ex of een soortgelijke instelling;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

verklaart verbeurd de in beslaggenomen fiets van het merk Decathlon Riverside zoals genoemd in het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming met nummer [nummer];

bepaalt dat [B] niet ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding en dat hij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van [A] toe en veroordeelt

verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A], wonende te Gouda, een bedrag van € 1.653 alsmede de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 29 december 2009, met veroordeling van verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.653 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 26 dagen.

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Honée, voorzitter,

Van Rens en Brakel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Veenhuizen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2010.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door een of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het dossiernummer PL1623 2009327413 van Politie Hollands Midden (p. 1-159).

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 27 mei 2010.

3 Proces-verbaal van aangifte ([B]), p. 45; proces-verbaal verhoor getuige ([A]), p. 49

4 Nu niet ter discussie staat dat de door de diverse getuigen beschreven persoon verdachte betreft, zal bij de - steeds verkorte - weergave van de inhoud van de diverse getuigenverklaringen de aldaar steeds op verschillende manieren beschreven persoon worden aangeduid met ‘verdachte’.

5 Proces-verbaal van aangifte ([B]), p. 45

6 Proces-verbaal verhoor getuige ([A]), p. 50

7 Proces-verbaal verhoor getuige ([D]), p. 54

8 Proces-verbaal verhoor getuige ([E]), p. 61

9 Proces-verbaal verhoor getuige ([F]), p. 64

10 Proces-verbaal verhoor getuige ([G]), p. 66-67

11 Proces-verbaal verhoor getuige ([C]), p. 71-72

12 Proces-verbaal verhoor getuige ([H]), p. 158

13 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 27 mei 2010; proces-verbaal verhoor getuige ([C]), p. 72

14 Proces-verbaal van aanhouding door burger, p. 15-17

15 Proces-verbaal van aangifte, p. 46

16 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 134

17 Proces-verbaal van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie, p. 87-88