Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM6764

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2010
Datum publicatie
04-06-2010
Zaaknummer
AWB 09/11540
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN5899, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ranov / ontvankelijkheid bezwaar / verschoonbare termijnoverschrijding / ononderbroken verblijf

Toezending (concept)minuut 20 december 2007. Bij schrijven van 15 december 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet doen van een aanbod op grond van WBV 2007/11. Verweerder stelt - onder verwijzing naar de toelichting op artikel II van WBV 2008/31 - dat eiser tijdig bezwaar heeft ingediend tegen de schriftelijk kenbare handeling van verweerder. Pas bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 december 2008 is vastgesteld dat een concept minuut als een feitelijke handeling moet worden aangemerkt waartegen bezwaar kan worden ingediend en dat de bezwaartermijn niet eerder dan vier weken (uiterlijk tot en met 31 december 2008) na deze uitspraak eindigt.

Naar het oordeel van de rechtbank staat het verweerder niet vrij om bij beleid af te wijken van een wettelijk voorschrift, meer in het bijzonder artikel 69, eerste lid, Vw 2000, hetgeen aangemerkt moet worden als een bepaling van openbare orde.

Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet binnen de wettelijke termijn bezwaar ingediend tegen de schriftelijke kenbare handeling van verweerder.

Gelet op de door verweerder aanvankelijk gecreëerde onduidelijkheid ten aanzien van de mogelijkheid op te komen tegen het niet doen van een aanbod, is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat eiser in verzuim is geweest. Bezwaar is mitsdien ontvankelijk.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen stellen dat eiser niet voldoet aan één van de voorwaarden zoals genoemd in WBV 2007/11.

Er zijn voorts naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die maken dat verweerder, in afwijking van het beleid, eiser het verblijf in België en zijn asielaanvraag aldaar niet als contra-indicatie kan tegenwerpen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: 09/11540

Uitspraak van de rechtbank van 29 maart 2010

inzake:

[...],

geboren in [geboortedatum],

van Bosnische nationaliteit,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

eiser,

gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen, advocaat te Groningen,

tegen:

de Minister van Justitie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. drs. J.P.M. Wuite, ambtenaar bij de IND.

Procesverloop

Bij brief van 10 december 2007 heeft eiser verzocht om toezending van de minuut in het kader van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet, neergelegd in WBV 2007/11 (hierna: de Regeling).

Bij brief van 20 december 2007 is deze brief beantwoord en is aan eiser een conceptminuut toegezonden, waaruit blijkt op welke grond(en) hem geen aanbod is gedaan.

Eiser heeft op 15 december 2008 bezwaar ingesteld tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling.

Bij besluit op bezwaar van 30 maart 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 2 april 2009 beroep ingesteld tegen het laatstgenoemde besluit.

De gronden van het beroep zijn ingediend op 4 mei 2009 en aangevuld op 11 december

2009, op 22 januari 2010, op 25 januari 2010 en op 4 februari 2010.

Bij brief van 2 februari 2010 heeft de rechtbank partijen medegedeeld aanleiding te zien de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer conform het bepaalde in artikel 8:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelet op de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 februari 2010. Eiser en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Beoordeling ontvankelijkheid

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of het bezwaar ontvankelijk is.

Bij uitspraken van 3 december 2008 (LJN: BG5955 en LJN: BG5956) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) - kort gezegd - geoordeeld dat ingevolge het bepaalde in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 een handeling van een bestuursorgaan gelijk is te stellen met een besluit en dat tegen een kenbare handeling waaruit blijkt van het niet doen van een aanbod op grond van de Regeling bezwaar openstaat. Toezending van de eerdergenoemde (concept)minuut met een inhoud als hier aan de orde is een kenbare handeling waaruit blijkt dat eiser geen aanbod wordt gedaan.

De rechtbank stelt vast dat eiser bij schrijven van 10 december 2007 verweerder heeft verzocht om inzage in de ambtshalve beoordeling van verweerder ten aanzien van de Regeling. Verweerder heeft op 20 december 2007 aan dit verzoek gehoor gegeven door toezending van de conceptminuut. Bij schrijven van 15 december 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet doen aan hem van een aanbod op grond van het WBV 2007/11.

Bij aanvullende gronden van 4 februari 2010 heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar tijdig is ingediend dan wel dat een overschrijding van de termijn waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt verschoonbaar is. Eiser heeft in dit verband een beroep gedaan op een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond, van 10 augustus 2009 (LJN:BJ 5143).

Verweerder heeft zich in dit verband primair op het standpunt gesteld dat het bezwaar tijdig is ingediend gelet op de toelichting bij artikel II, eerste lid WBV 2008/31.

Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar moet worden geacht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 3:41 van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

In afwijking van artikel 6:7 van de Awb bedraagt ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vier weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Gelet op het vorenstaande heeft eiser, naar het oordeel van de rechtbank, niet binnen de wettelijke termijn bezwaar ingediend tegen de schriftelijke kenbare handeling van verweerder. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser immers eerst bij schrijven van 15 december 2008, ontvangen door verweerder op 18 december 2008, bezwaar heeft ingediend naar aanleiding van de op 20 december 2007 toegezonden (concept)minuut.

Verweerder heeft zich onder verwijzing naar de toelichting op artikel II van WBV 2008/31 (Stcrt. 29 december 2008, nr. 2562), zijnde het WBV waarbij de Regeling is beëindigd, primair op het standpunt gesteld dat het bezwaar desondanks tijdig is ingediend.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

De hierboven genoemde toelichting, voor zover thans van belang, luidt als volgt:

“(..) Aangezien pas bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 december 2008 is vastgesteld dat het hier om een feitelijke handeling gaat waartegen een bezwaarschrift kan worden ingediend, eindigt de bezwaartermijn niet eerder dan vier weken na deze uitspraak. Vreemdelingen die op of voor de datum van deze uitspraak de minuut hebben opgevraagd, kunnen derhalve tot en met uiterlijk 31 december 2008 bezwaar aantekenen. (..)”.

Verweerder gaat er blijkens de toelichting kennelijk van uit de termijn waarbinnen bezwaar dient te worden gemaakt te kunnen verlengen. Daarmee gaat verweerder er aan voorbij dat de bezwaartermijn is neergelegd in een wettelijk voorschrift, meer in het bijzonder in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en dat deze bepaling moet worden aangemerkt als een bepaling van openbare orde. Naar het oordeel van de rechtbank staat het verweerder niet vrij bij beleid af te wijken van een wettelijk voorschrift.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn en derhalve niet tijdig is ingediend.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Zowel eiser als verweerder hebben zich subsidiair op het standpunt gesteld dat van een dergelijke situatie sprake is.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder tot 3 december 2008 het standpunt heeft ingenomen dat tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling geen bezwaar kon worden gemaakt. Gelet op de inhoud van de hiervoor geciteerde toelichting heeft verweerder in de eerdergenoemde uitspraken van de Afdeling van

3 december 2008 aanleiding gevonden aan betrokkenen niet tegen te werpen dat niet tijdig bezwaar zou zijn gemaakt.

Gelet op de door verweerder aanvankelijk gecreëerde onduidelijkheid ten aanzien van de mogelijkheid om op te komen tegen het niet doen van een aanbod, is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat eiser in verzuim is geweest.

Het bezwaarschrift is mitsdien ontvankelijk.

Inhoudelijke beoordeling

Vervolgens is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van 30 maart 2009 in rechte stand kan houden.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling omdat eiser na 1 april 2001 aantoonbaar is vertrokken, waardoor er sprake is van onderbroken verblijf. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er in hetgeen eiser heeft aangevoerd, geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 Awb.

Eveneens heeft verweerder gesteld dat er geen toetsing heeft hoeven plaatsvinden aan artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) nu voornoemd artikel buiten het ambtshalve beoordelingskader van de Regeling valt. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat reeds aanstonds is gebleken dat de bezwaren van eiser ongegrond waren, en dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daaruit volgt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat in verband daarmee terecht is afgezien van het horen van eiser. Tevens bestaat er geen aanleiding tot vergoeding van de aan de behandeling van het bezwaar verbonden kosten.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser. Ten onrechte is eisers beroep op artikel 4:84 van de Awb verworpen.

Eiser voldoet niet aan één van de voorwaarden (ononderbroken verblijf) als bedoeld in het beleid van WBV 2007/11 vanwege bijzondere omstandigheden. Eiser is een getraumatiseerd slachtoffer van de oorlog in Bosnië. In verband met zijn rechtsplicht Nederland te verlaten en in verband met de onmogelijkheid van vertrek naar zijn land van herkomst is eiser ten einde raad naar België vertrokken en heeft daar opvang en medische behandeling verzocht. De weigering eiser verblijf toe te staan treft eiser onevenredig in zijn belang vanwege de aangevoerde omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden bestaat volgens eiser aanleiding alsnog een aanbod te doen. Ten onrechte is niet beoordeeld of aanleiding bestond ambtshalve een vergunning te verlenen als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid onder a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

Bij aanvullende gronden van 11 december 2009 is namens eiser een beroep gedaan op een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg, van 20 augustus 2009 (AWB 08/37101). In deze uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het niet ambthalve doen van een aanbod vanwege het loutere ontbreken van ononderbroken verblijf ontoereikend is en dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust.

Tevens heeft eiser een beroep gedaan op een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 2 oktober 2009 (AWB 08/26090), waarin is overwogen dat verweerder alle bijzondere omstandigheden bij de beoordeling van artikel 4:84 Awb dient te betrekken, voor zover deze niet reeds zijn verdisconteerd in het beleid en niet slechts die bijzondere omstandigheden die zien op de reden van het niet doen van een aanbod.

In eisers zaak is dat niet gebeurd en dit klemt temeer nu eiser hulp nodig had voor zijn psychische problemen en die in Nederland niet (langer) kreeg. Eiser heeft in dit verband een brief overgelegd van zijn huisarts M.E.T.C. van den Muijsenbergh d.d. 26 november 2009. Voorts is van belang dat eiser heeft meegewerkt aan terugkeer naar Bosnië. Ondanks de aanwezigheid van enige documenten heeft dit land eiser niet teruggenomen. Ten slotte heeft eiser gesteld dat hij in Nederland is ingeburgerd en een Nederlandse partner en een kind heeft.

Bij aanvullende gronden van 22 januari 2010 heeft eiser twee brieven overgelegd van zijn huisarts d.d. 26 november 2009 en d.d. 2 februari 2009 en een kort overzicht van zijn verblijf in Nederland. Bij aanvullende gronden van 25 januari 2010 heeft eiser een beroep gedaan op een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 9 december 2009 (AWB 09/13367).

Beoordeling

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 is Onze Minister bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

Ingevolge artikel 3.6, tweede lid, Vb 2000 kunnen bij ministeriële regeling andere beperkingen dan genoemd in het eerste lid van dit artikel worden aangewezen waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend.

In artikel 3.17a, aanhef en onder b, Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000), voor zover hier van belang, is bepaald dat als beperking, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb 2000, wordt aangewezen de beperking verband houdende met de afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet.

In WBV 2007/11, voorheen neergelegd in hoofdstuk B14/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen: ‘In het coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV van 7 februari 2001 is besloten om de nalatenschap van de Vw (oud) af te wikkelen. Daartoe is een regeling getroffen waarbij onder voorwaarden een verblijfsvergunning wordt verleend aan vreemdelingen die onder de Vw (oud) een asielaanvraag hebben ingediend en die nog immer in Nederland zijn. Op grond van deze regeling wordt een vergunning gegeven aan de vreemdeling: (a) wiens eerste asielaanvraag vóór 1 april 2001 is ingediend, dan wel die zich vóór 1 april 2001 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst of de Vreemdelingenpolitie heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag, (b) die sinds 1 april 2001 ononderbroken in Nederland heeft verbleven, en (c) die, voor zover toepasselijk, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsaanvaarding op grond van de regeling.

De vergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling na 1 april 2001 aantoonbaar is vertrokken uit Nederland. Aantoonbaar vertrek uit Nederland kan onder andere blijken uit een claim ten aanzien van de vreemdeling van een andere lidstaat van de Europese Unie op Nederland. Voorts kan het vertrek blijken uit een gecontroleerd vertrek (zoals uitzetting of door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) gefaciliteerd vertrek), of anderszins. Buiten deze categorieën is sprake van onderbroken verblijf indien de vreemdeling de intentie had zich elders te vestigen. Daarbij kan de duur van het verblijf in het buitenland van belang zijn. In gevallen waarin het verblijf in het buitenland langer dan twee weken heeft geduurd, wordt door verweerder in beginsel aangenomen dat de vreemdeling de intentie had zich in dat land te vestigen.’

Hoofdstuk B14/5 van de Vc 2000 is op 1 januari 2009 komen te vervallen, maar is ingevolge artikel II van het WBV 2008/31 nog wel van toepassing op het onderhavige geding.

Uit de brief van verweerder aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 13 mei 2008 - welke brief de rechtbank ambtshalve bekend is - blijkt dat vastgesteld onderbroken verblijf in de referteperiode in beginsel een grond is om niet over te gaan tot het doen van een aanbod op grond van de pardonregeling. Uit de door verweerder in dezen gehanteerde gedragslijn valt af te leiden dat verblijf buiten Nederland in beginsel niet wordt tegengeworpen als het slechts een kort bezoek aan het buitenland betreft. Voornoemde brief vermeldt onder meer: "Zoals ook besproken met uw Kamer op 7 juni 2007 (TK Handelingen 2006–2007 nr. 78, pag. 4149–4185, 19 juni 2007), zou wel naar een onacceptabele individuele schrijnende situatie worden gekeken. Dat betekent dat waar mogelijk is gekeken wordt naar de intentie die iemand had om naar het buitenland te reizen. Is dat geweest om bijvoorbeeld een laissez-passer ten behoeve van terugkeer te regelen of betreft dat verblijf met toestemming van de Nederlandse autoriteiten (bijvoorbeeld een toegestaan verblijf buiten Nederland waarvoor een terugkeervisum is afgegeven) dan is dat niet tegengeworpen. Ook is er een geval geweest van orgaandonatie buiten Nederland.

Dat is nu zo’n bijzondere situatie waarbij het verblijf in het buitenland niet wordt tegengeworpen. Maar iemand, die de intentie had om zich in een ander land te vestigen en dat door de autoriteiten van dat land verhinderd zag, valt niet onder de Regeling." (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 028, nr. 37, blz. 12-13).

Vooropgesteld moet worden dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser op 25 september 2001 vanuit Nederland naar België is vertrokken en aldaar op 26 september 2001 asiel heeft aangevraagd en dat op 3 oktober 2001 België om overdracht op grond van de Dublinovereenkomst heeft verzocht en dat eiser op 7 december 2001 aan Nederland is overgedragen.

Daarmee staat vast dat eiser na 1 april 2001 aantoonbaar uit Nederland is vertrokken en dat de Belgische en Nederlandse autoriteiten zich tot 7 december 2001 hebben beziggehouden met de Dublin-overdracht van eiser aan Nederland. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen stellen dat eiser niet voldoet aan één van de voorwaarden zoals genoemd in WBV 2007/11.

Voor zover eiser heeft betoogd dat het niet zijn intentie was om zijn verblijf in Nederland te onderbreken en zich in België te vestigen, heeft hij deze stelling naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. Door het doen van een asielaanvraag in België heeft eiser juist expliciet blijk gegeven van de wens zich in België te vestigen.

De stelling van eiser dat hij in verband met zijn rechtsplicht Nederland te verlaten ten einde raad naar België is vertrokken en zijn PTSS hem noopte een asielaanvraag in te dienen in België teneinde medische zorg te krijgen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat zijn vertrek uit Nederland hem niet kan worden tegengeworpen.

Voorts is van belang de omstandigheid dat de Belgische autoriteiten een Dublin-claim hebben gelegd, waardoor eiser is verhinderd zich in België te vestigen.

Eiser heeft voorts betoogd dat er aanleiding bestaat om hem alsnog een aanbod op grond van de Regeling te doen op grond van artikel 4:84 van de Awb .

Artikel 4:84 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleids-regel, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan van bijzondere omstandigheden slechts sprake zijn indien het gaat om omstandigheden die niet reeds in het beleid zijn verdisconteerd en waarin strikte navolging van de beleidsregel zou leiden tot een uitkomst die niet geacht wordt te kunnen zijn beoogd door de wetgever.

Het geding spitst zich dan ook toe op de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat verweerder, in afwijking van het beleid, eiser het verblijf in België en zijn asielaanvraag aldaar in het kader van de uitvoering van de onderhavige regeling niet als contra-indicatie kan tegenwerpen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank overweegt dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser genoemde omstandigheid, dat hij hier al vele jaren verblijft en hier te lande is geïntegreerd niet kan worden beschouwd als bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 Awb, nu verweerder deze omstandigheid reeds heeft betrokken bij de totstandkoming van zijn beleid. Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat het verblijf in België niet zo kort is als eiser doet voorkomen omdat is komen vast te staan dat eiser gedurende de periode van 25 september 2001 tot 7 december 2001 in België is geweest.

Met betrekking tot het beroep op de omstandigheid dat eiser een getraumatiseerd slachtoffer is van de oorlog in Bosnië en vanwege zijn rechtsplicht Nederland te verlaten ten einde raad naar België is vertrokken en aldaar een asielaanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor medische voorzieningen, heeft verweerder kunnen stellen dat het voldoen aan de vertrekplicht niet noodzaakt tot het indienen van een asielaanvraag in het buitenland.

In aanmerking genomen dat de omstandigheid dat de vreemdeling in Nederland geen aanspraak kan maken op verstrekkingen en voorzieningen een rechtsgevolg is van de afwijzing van de door de vreemdeling ingediende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, moet ervan worden uitgegaan dat de door eiser aangevoerde omstandigheid dat hij Nederland heeft verlaten met het oog op het verkrijgen van medische verzorging en dat niet zou hebben gedaan, indien hij hier te lande opvang en medische verzorging had gekregen, als zodanig niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid binnen de strekking en reikwijdte van het beleid, zoals neergelegd in de Regeling. Tevens heeft verweerder kunnen stellen dat eiser zijn vertrek had kunnen trachten te voorkomen door na afwijzing van zijn asielaanvraag door verweerder hier te lande rechtsmiddelen tegen een voorgenomen uitzetting aan te wenden.

Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen van 9 december 2009 kan niet slagen.

Van belang acht de rechtbank dat in de door eiser aangehaalde uitspraak sprake was van een vreemdeling die niet in staat was haar wil te bepalen en chronisch psychotisch was.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in dezelfde situatie verkeerde. Gelet hierop heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in de door hem aangehaalde zaak sprake was van een vergelijkbare zaak. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt derhalve niet.

De overige door eiser aangevoerde omstandigheden hebben geen relatie of verband met het beleid dat aan eiser is tegengeworpen en geven om die reden evenmin aanleiding tot gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid.

Voor zover eiser zich op het standpunt heeft willen stellen dat verweerder onterecht toetsing aan artikel 8 EVRM achterwege heeft gelaten door te stellen dat hij een Nederlandse partner en een kind heeft, overweegt de rechtbank het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht artikel 8 EVRM niet bij de beoordeling betrokken. Uit het beleid inzake de pardonregeling volgt dit immers niet. Voorts is voor dit oordeel van belang dat volgens vaste jurisprudentie de toetsing aan artikel 8 EVRM inhoudt dat de beoordeling of gezins- of familiebanden tot verlening van een verblijfsvergunning kunnen leiden, plaatsvindt naar aanleiding van een aanvraag tot verblijf voor dat doel. In dat kader kan ook beoordeeld worden of, indien aan de vereisten voor verlening van een vergunning voor dat doel niet wordt voldaan, artikel 8 van het EVRM niettemin tot vergunningverlening noopt. Aldus is de bescherming die deze verdragsbepaling beoogt te bieden gewaarborgd

Voor zover eiser verblijf in Nederland beoogt vanwege zijn psychische problematiek dient eiser een aanvraag in te dienen tot verblijf voor dat doel.

Indien eiser verblijf hier in Nederland wenst nu hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, dient eiser eveneens een aparte aanvraag in te dienen.

Met betrekking tot eisers beroepsgrond dat hij ten onrechte niet op zijn bezwaar is gehoord overweegt de rechtbank ten slotte als volgt. De vraag of er in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat, wordt beheerst door het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Awb. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij één van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Awb zich voordoet. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder zich op het standpunt stellen dat de bezwaren van eiser kennelijk ongegrond zijn als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Uit de stukken die verweerder ter beschikking stonden blijkt immers dat eiser na 1 april 2001 niet ononderbroken in Nederland heeft verbleven, en is voorts aannemelijk dat van een kortdurend verblijf buiten Nederland geen sprake was, zodat eiser niet voldoet aan één van de voorwaarden voor vergunningverlening. Mitsdien heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden van het horen van eiser afgezien.

Hetgeen verder is aangevoerd behoeft geen bespreking.

Het beroep is, gelet op het voorgaande, ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. K.Wentholt en mr. W.P. Claus, leden, bijgestaan door mr. S. Derks, griffier.

mr. S. Derks

mr. N.A. Vlietstra

In het openbaar uitgesproken op 29 maart 2010

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. In gevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: