Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM6694

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
03-06-2010
Zaaknummer
AWB 08/2957 WRO
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige kamer. Schadestaatprocedure. Schade als gevolg van ten onrechte opgelegde bouwstop deels aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/2957 WRO

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

de besloten vennootschap [A] B.V., gevestigd te [plaats], eiseres,

gemachtigde mr. [B],

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 23 februari 2007 heeft verweerder eiseres krachtens artikel 100, derde lid, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 11.1 van de gemeentelijke bouwverordening, gelast de bouwwerkzaamheden in het pand [adres] te [plaats] te staken (de bouwstop).

Bij besluit van 8 mei 2007, verzonden op 9 mei 2007, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 22 mei 2007, ingekomen bij de rechtbank op 23 mei 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn bij brief van 18 juni 2007 aangevuld. Eiseres heeft daarbij een verzoek ingediend om vergoeding van schade die zij heeft geleden ten gevolge van de bouwstop.

Bij uitspraak van 17 april 2008, registratienummer AWB 07/3624 WRO, heeft de rechtbank het besluit van 8 mei 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit gedeeltelijk in stand blijven. De rechtbank heeft voorts het besluit van 23 februari 2007 gedeeltelijk herroepen.

Bij brief van 23 april 2008 heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld een nader standpunt in te nemen over de door haar gevorderde schadevergoeding.

Bij brief van 29 december 2008 heeft eiseres haar nader standpunt kenbaar gemaakt en enige stukken overgelegd.

Bij brief van 6 juli 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 4 december 2009 en 22 februari 2010 heeft eiseres een nadere reactie gegeven en enige stukken overgelegd.

Het beroep is op 4 maart 2010 opnieuw ter zitting behandeld.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [C] en mr. [B].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [D].

II OVERWEGINGEN

Bij besluit van 12 september 2006 heeft verweerder eiseres, onder verlening van vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk inwendig en uitwendig veranderen van het bankgebouw aan de [adres] te [plaats] tot medisch en paramedisch centrum (hierna: het medisch centrum). Daarbij heeft verweerder ook ontheffing verleend van de parkeernorm als bedoeld in de gemeentelijke bouwverordening. Bij uitspraak van 22 november 2006, registratienummer AWB 06/7988 WRO, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de bouwvergunning geschorst tot zes weken na de verzending van de beslissing op het bezwaar op de grond dat de ontheffing in strijd was met de bouwverordening.

Op verzoek van derden heeft verweerder de bouwstop opgelegd. Naar aanleiding van dit besluit heeft een medewerker van Stichting International Health Centre The Hague verweerder bij e-mailbericht van 24 februari 2007 onder opsomming van tien activiteiten gevraagd of deze mogen worden uitgevoerd. Dit betreft: het afleveren van onderdelen en vervolgens monteren van opbergkasten, het schoonmaken van de ruimtes binnen het pand, het verplaatsen van Ikea-kastjes in diverse ruimtes, het schilderen van reeds bestaande kasten, het schilderen van het trappenhuis, het schilderen van bestaande deuren, het verwijderen en na afloop weer herstellen van terrasbedekking, nodig om twee lekkages te kunnen herstellen, en het herstellen van die lekkages, het vervangen van kapot sanitair en het afleveren van een multifunctionele receptiebalie. Hierop heeft een medewerker van de gemeente [plaats] bij e-mailbericht van 26 februari 2007 meegedeeld dat met uitzondering van de herstelwerkzaamheden ter opheffing van lekkages, de gemelde werkzaamheden als werkzaamheden geënt op de verwezenlijking van het medisch centrum worden aangemerkt, zodat deze onder de schorsende werking van de uitspraak van 22 november 2006 van de voorzieningenrechter vallen.

Bij uitspraak van 15 maart 2007, registratienummer AWB 07/1754 WW44, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op verzoek van eiseres de schorsing van de bouwvergunning opgeheven. Daar verweerder in verband hiermee ter zitting van 15 maart 2007 te kennen heeft gegeven dat er onder die omstandigheden geen grond meer bestaat voor de bouwstop, heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van dezelfde datum, registratienummer zaak AWB 07/1547 GEMWT, het besluit van 23 februari 2007 geschorst.

Bij uitspraak van 17 april 2008, registratienummer AWB 07/3624 WRO, heeft de rechtbank het door eiseres tegen het besluit van 8 mei 2007 ingediende beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij onder meer bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover dat besluit niet betreft het afleveren van onderdelen en vervolgens monteren van opbergkasten, het schoonmaken van de ruimtes binnen het pand, het verplaatsen van Ikea-kastjes in diverse ruimtes en het afleveren van een multifunctionele receptiebalie. Voorts heeft de rechtbank in die uitspraak het besluit van 23 februari 2007 herroepen voor zover het de hiervoor genoemde werkzaamheden betreft en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Eiseres heeft een verzoek gedaan om vergoeding van schade die zij heeft geleden ten gevolge van de bouwstop. Ter zitting van 14 december 2007 heeft zij uiteengezet waaruit de schade zou bestaan. Gelet daarop heeft de rechtbank in de uitspraak van 17 april 2008 het volgende overwogen:

"Voor zover eiseres door de bouwstop vertraging heeft opgelopen bij de verwezenlijking van het medisch centrum in verband met de activiteiten waarvan hierboven is geoordeeld dat in zoverre de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten, moet worden geoordeeld dat de situatie indien een rechtmatig besluit was genomen gelijk is aan de hierboven onrechtmatig geoordeelde situatie. In zoverre is dus geen sprake van schade.

Voor zover eiseres door de bouwstop vertraging heeft opgelopen bij de verwezenlijking van het medisch centrum in verband met de activiteiten waarvan hierboven is geoordeeld dat zij niet onder de bouwstop hadden mogen worden gebracht, zou schadevergoeding mogelijk toewijsbaar zijn. Daarvoor is evenwel nodig dat eiseres aannemelijk maakt dat indien zij in de ongeveer drie weken dat de bouwstop heeft geduurd die activiteiten wel had kunnen uitvoeren, het medisch centrum eerder zijn deuren had kunnen openen. Dat moet aannemelijk worden gemaakt met inachtneming van de omstandigheid dat alle overige bouwwerkzaamheden die nodig waren om het medisch centrum tot stand te brengen sowieso gedurende die drie weken niet waren toegestaan. Op dat moment liep immers nog de schorsing van de bouwvergunning.

Een andere mogelijke schadepost betreft de aflevering van de onderdelen van de opbergkasten. De bouwstop is opgelegd op vrijdag 23 februari 2007. In de e-mail van 24 februari 2007 is er op gewezen dat op maandag 26 februari 2007 om 8.00 uur de desbetreffende onderdelen zouden worden afgeleverd. Verweerder heeft op de e-mail gereageerd op die maandag 26 februari 2007, om 14.08 uur. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat zij extra kosten heeft moeten maken, omdat de bezorging tevergeefs is gepoogd en later, toen de bouwstop was opgeheven, opnieuw heeft moeten plaatsvinden. Voor toewijzing van haar verzoek om schadevergoeding op dat punt is nodig dat eiseres aannemelijk maakt dat dergelijke extra kosten zijn gemaakt.

Omdat naar de huidige stand van zaken onvoldoende duidelijkheid bestaat over de schadekwestie, ziet de rechtbank aanleiding het onderzoek op dat punt te heropenen teneinde daarover een nadere uitspraak te kunnen doen. De wijze waarop het onderzoek wordt voortgezet wordt als volgt bepaald. Eiseres dient op bovenstaande twee punten aannemelijk te maken dat zij schade heeft geleden. Na indiening van een nader standpunt daarover, zal verweerder in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren. Daarna zal, zo mogelijk met toepassing van artikel 8:57 van de Awb, een uitspraak volgen."

Bij brief van 29 december 2008 heeft eiseres, onder verwijzing naar een rapport van expertisebureau Lengkeek, Laarman en De Hosson van 23 december 2008 een nader standpunt kenbaar gemaakt. Eiseres verzoekt de rechtbank het onderzoek ter zitting te heropenen en de gemeente Den Haag te veroordelen om de door haar geleden schade ten bedrage van € 123.601,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 februari 2007 tot de dag van algehele voldoening, te vergoeden en de gemeente Den Haag te veroordelen in de proceskosten.

Het totale schadebedrag is opgebouwd uit drie hoofdcomponenten:

1. Omzetschade en schade tengevolge van de vertraagde aflevering van de onderdelen van de opbergkasten, geleden door Apotheek Prins Willemstraat B.V. ten bedrage van € 23.360,50;

2. Inkomstenderving geleden door Stichting International Health Centre the Hague ten bedrage van € 95.791,00;

3. Schade geleden door eiseres zelf, bestaande uit proces- en deskundigenkosten ten bedrage van € 4.450,00.

Eiseres is eigenaar van het pand [adres] te [plaats] en verhuurt gedeelten daarvan aan Apotheek Prins Willemstraat B.V. en Stichting International Health Centre the Hague. Laatstgenoemden hebben eiseres aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade, ten gevolge van de te late oplevering.

Verweerder stelt dat uit de uitspraak van de rechtbank van 17 april 2008 voortvloeit dat de gevorderde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat ook de extra kosten die zijn gemaakt in verband met de vertraagde aflevering van de onderdelen van de opbergkasten aan Apotheek Prins Willemstraat B.V., ten bedrage van € 424,50, niet voor vergoeding in aanmerking komen.

De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van 17 april 2008, die in rechte onaantastbaar is geworden, voortvloeit dat schadevergoeding mogelijk toewijsbaar is voor zover eiseres door de bouwstop vertraging heeft opgelopen bij de verwezenlijking van het medisch centrum in verband met uitsluitend (1) het afleveren van onderdelen en vervolgens monteren van opbergkasten, (2) het schoonmaken van de ruimtes binnen het pand, (3) het verplaatsen van Ikea-kastjes in diverse ruimtes en (4) het afleveren van een multifunctionele receptiebalie.

Ter beoordeling staat de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat, indien zij in de ongeveer drie weken dat de bouwstop heeft geduurd die activiteiten wel had kunnen uitvoeren, het medisch centrum eerder zijn deuren had kunnen openen.

Eiseres stelt dat de omstandigheid dat de activiteiten die onder het project van de geschorste bouwvergunning vielen, te weten (1) het schilderen van reeds bestaande kasten, (2) het schilderen van het trappenhuis, (3) het schilderen van bestaande deuren en (4) het vervangen van kapot sanitair, niet konden worden uitgevoerd, er niet aan in de weg stond dat het medisch centrum eerder zijn deuren had kunnen openen als niettemin het afleveren van onderdelen en vervolgens monteren van opbergkasten, het schoonmaken van de ruimtes binnen het pand, het verplaatsen van Ikea-kastjes in diverse ruimtes en het afleveren van een multifunctionele receptiebalie wèl zouden hebben plaatsgevonden. Eiseres stelt daartoe dat het sanitair op de begane grond en de eerste verdieping al was vervangen en dat het merendeel van de nog uit te voeren bouwwerkzaamheden betrekking had op het souterrain en de tweede verdieping. De begane grond en de eerste verdieping zijn op 7 mei 2007 geopend en betrokken door vier huurders (apotheek, huisartsen en paramedici).Volgens eiseres waren niet de activiteiten die onder het project van de geschorste bouwvergunning vielen essentieel voor de opening van het pand, maar juist het afleveren van onderdelen en vervolgens monteren van opbergkasten, het schoonmaken van de ruimtes binnen het pand, het verplaatsen van Ikea-kastjes in diverse ruimtes en het afleveren van een multifunctionele receptiebalie. Eiseres betoogt dat na de levering van het meubilair op 23 april 2007, het medisch centrum op 7 mei 2007 zijn deuren opende. Daaruit vloeit naar de mening van eiseres voort dat als de levering van het meubilair op 26 februari 2007 doorgang had kunnen vinden, het centrum ook twee weken nadien, en derhalve omstreeks twee maart 2007, geopend had kunnen worden. De vertraging bedroeg dus twee maanden.

Eiseres heeft bij brief van 22 februari 2010 een verklaring van Twins Beheer B.V. overgelegd, die stelt als aannemer bij het project betrokken te zijn geweest en verklaart dat ten tijde van het opleggen van de bouwstop de begane grond en de eerste verdieping bouwkundig gereed waren en er, afgezien van de montage van apotheek- en receptiemeubilair, geen sprake meer was van noemenswaardige werkzaamheden die vertraging van de openstelling met zich mee konden brengen.

Verweerder stelt dat de onmogelijkheid de activiteiten die onder het project van de geschorste bouwvergunning vielen uit te voeren in de weg stond aan de ingebruikname van het medisch centrum en dat eiseres er niet in is geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. De verklaring van Twins Beheer B.V. dat ten tijde van het opleggen van de bouwstop de begane grond en de eerste verdieping bouwkundig gereed waren, acht verweerder niet aannemelijk, gelet op het feit dat de op 12 september 2006 verleende bouwvergunning al op 22 november 2006 geschorst is.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat, indien zij in de ongeveer drie weken dat de bouwstop heeft geduurd die activiteiten wel had kunnen uitvoeren, het medisch centrum eerder zijn deuren had kunnen openen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Eiseres was, gelet op het feit dat de schorsing van de bouwvergunning en de bouwstop op 15 maart 2007 zijn opgeheven, vanaf dat moment in de gelegenheid om de activiteiten die onder het project van de geschorste bouwvergunning vielen, uit te voeren. Daarvoor had zij tot 7 mei 2007 en dus ongeveer zeven weken de tijd. De rechtbank is van oordeel dat met hetgeen eiseres stelt ten aanzien van het ontbreken van de noodzaak die werkzaamheden te verrichten voorafgaand aan de opening, niet aannemelijk is gemaakt dat de enkele levering en plaatsing van het meubilair voldoende was om het medisch centrum in gebruik te kunnen nemen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het schilderen van reeds bestaande kasten en deuren en van het trappenhuis uitsluitend betrekking had op de andere verdiepingen dan de begane grond en de eerste verdieping. De rechtbank is er niet van overtuigd dat opening van het medisch centrum en ingebruikname van de begane grond en de eerste verdieping voor de hand ligt op een moment dat in ieder geval het trappenhuis nog niet geschilderd is. De verklaring van Twins Beheer B.V. dat ten tijde van het opleggen van de bouwstop de begane grond en de eerste verdieping bouwkundig gereed waren, doet daaraan niet af, nu uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de begane grond en de eerste verdieping nog wel afgebouwd dienden te worden.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres wel aannemelijk heeft gemaakt dat zij extra kosten heeft moeten maken in verband met de vertraagde aflevering van de onderdelen van de opbergkasten aan Apotheek Prins Willemstraat B.V. Het verzoek om schadevergoeding wordt op dat punt dan ook toegewezen. Daaraan doet niet af dat, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, eiseres de bestelling pas heeft geplaatst toen de bouwvergunning al geschorst was. Uit de uitspraak van 17 april 2008 blijkt immers dat voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding op dat punt slechts is vereist dat eiseres aannemelijk maakt dat dergelijke extra kosten zijn gemaakt.

Het verzoek om vergoeding van schade dient, gelet op het vorenstaande, te worden afgewezen, behoudens voor zover het betreft de extra kosten die zijn gemaakt in verband met de vertraagde aflevering van de onderdelen van de opbergkasten aan Apotheek Prins Willemstraat B.V., ten bedrage van € 424,50.

Aangezien in de uitspraak van 17 april 2008 is geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en hierboven is gebleken dat eiseres schade heeft geleden ten gevolge van het vernietigde besluit, wordt haar verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb toegewezen, in die zin dat de gemeente Den Haag wordt veroordeeld tot vergoeding van

€ 424,50, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 23 maart 2007 (de betalingstermijn van 14 dagen, te rekenen vanaf de factuurdatum van 9 maart 2007) tot aan de dag van algehele voldoening;

Verweerder wordt in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het verschijnen ter nadere zitting) 1 punt wordt toegekend.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

veroordeelt verweerder de schade die eiseres lijdt tot een bedrag van € 424,50,- (zegge: vierhonderdvierentwintig euro en vijftig cent) aan haar te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 23 maart 2007 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van €322,-, welk bedrag aan eiseres moet worden vergoed;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus vastgesteld door mr. M.C.J.A. Huijgens, mr. D.A.J. Overdijk en mr. T. van Rij, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.F. van Aalst.

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.