Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM5986

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
FA RK 08-16 / 301853
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding

Het verzoek strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, vaststelling van kinder- en partneralimentatie, verdeling en verrekening van de geldende huwelijkse voorwaarden, voorgezet gebruik van de echtelijke woning en een verzoek tot het overleggen van informatie aangaande het drijven van een onderneming door één van de partijen.

In geschil is met name de alimentatie en de vraag of de aandelen tot het te verrekenen vermogen, als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden, behoren en de waarde op die grond met de vrouw verrekend dient te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 08-16

Zaaknummer: 301853

Datum beschikking: 21 mei 2010

Scheiding

Beschikking op het op 3 januari 2008 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te [plaats 1],

advocaat: mr. A.M.J.H. de Werd te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [plaats 2],

advocaat: mr. M.T.H. Vuurens-Mulder te Delft.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- het aanvullend verzoekschrift;

- de brief d.d. 5 januari 2010, met bijlagen, van de zijde van de man;

- de brief d.d. 7 januari 2010, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 27 januari 2010 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 16 maart 2010, met bijlagen, van de zijde van de man;

De minderjarigen [minderjarige A], en [minderjarige B], hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt.

Op 26 maart 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: Partijen, vergezeld van hun advocaten. Van de zijde van beide partijen zijn pleitnotities overgelegd. Van de zijde van de vrouw zijn voorts nadere stukken overgelegd.

Na de terechtzitting is ontvangen het faxbericht d.d. 31 maart 2010, met bijlagen, van de zijde van de man.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot echtscheiding, met een nevenvoorziening tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen in die zin dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige A] bij de man wordt bepaald en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige B] bij de vrouw wordt bepaald.

De vrouw heeft thans nog zelfstandig verzocht om nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van een door de man ten behoeve van de minderjarige [minderjarige B] te betalen kinderalimentatie van € 600,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van

€ 6.000,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

- vaststelling van de wijze van verdeling en verrekening van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden;

- bepaling dat de man zal worden verplicht tot het overleggen van aanvullende informatie aangaande de door hem gedreven vennootschap [onderneming A] B.V.;

- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel, gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

De man voert – onder referte voor het overige – thans nog verweer tegen de verzochte kinder- en partneralimentatie, de verdeling en verrekening van de huwelijksvoorwaarden alsmede het verzoek tot het overleggen van aanvullende informatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 1990 te [plaats 2].

- Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen:

- [minderjarige A], op [datum] 1993 te [plaats 2];

- [minderjarige B], op [datum] 1996 te [plaats 2].

- De minderjarige [minderjarige A] verblijft bij de man, de minderjarige [minderjarige B] verblijft bij de vrouw.

- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, met periodieke verrekening van door partijen overgespaarde netto-inkomsten.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Echtscheiding

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

Hoofdverblijfplaats

Nu de vrouw ter terechtzitting heeft verklaard zich niet verder te verzetten tegen het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige A] bij hem te bepalen, kan dit verzoek als niet weersproken worden toegewezen, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.

Het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige B] bij de vrouw te bepalen kan als niet weersproken worden toegewezen, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.

Alimentatie

De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen voor zover het de alimentatie van de minderjarige [minderjarige B] betreft, nu de vrouw, gelet op het hiervoor overwogene ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, geen belang meer heeft bij haar verzoek tot vaststelling van de kinderalimentatie voor [minderjarige A].

Bepaling netto-gezinsinkomen

De rechtbank zal de behoefte van de minderjarigen en de vrouw bepalen aan de hand van de netto inkomens van partijen uit het jaar 2006, zijnde het jaar waarin de samenleving is verbroken.

Daarbij gaat de rechtbank bij de man, overeenkomstig de door hem overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2006, uit van een fiscaal jaarinkomen van € 69.534,-- minus de ingehouden loonheffing € 26.175,-- ofwel een netto jaarinkomen van € 43.359,--.

Bij de vrouw gaat de rechtbank uit van een fiscaal jaarinkomen, zoals blijkt uit de door haar overgelegde jaaropgave 2006, van € 17.158,--, minus de verschuldigde inkomstenbelasting van € 2.611,-- per jaar, minus de ingehouden bijdrage zorgverzekeringswet van € 1.048,-- per jaar ofwel € 14.547,-- per jaar. Dit leidt tot een netto gezinsinkomen van € 57.907,-- per jaar. Geïndexeerd naar 2010 zal de rechtbank voor het vaststellen van de behoefte van de minderjarige en de vrouw uitgaan van een netto gezinsinkomen van € 5.335,-- per maand.

De rechtbank zal voorbijgaan aan de stelling van de vrouw dat het gezinsinkomen als gevolg van onder meer winstuitkeringen aanzienlijk hoger lag dan de man heeft gesteld of dat de vennootschap lasten voor het gezin heeft voldaan. De rechtbank overweegt daartoe dat een en ander niet uit de overgelegde stukken is gebleken en de vrouw haar stellingen – na gemotiveerde betwisting door de man – niet nader heeft onderbouwd.

Behoefte minderjarigen

Uitgaande van de richtlijnen uit het Tremarapport op grond waarvan aan de minderjarigen een puntentotaal van 4 kan worden toegerekend, alsmede de tabel kosten kinderen, berekent de rechtbank de totale kosten van de minderjarigen op € 1.165,-- per maand, zodat de rechtbank voor [minderjarige B] zal uitgaan van een behoefte van € 582,-- per maand.

Behoefte van de vrouw

De rechtbank ziet aanleiding om voor het berekenen van de behoefte van de vrouw het hiervoor vastgestelde gezinsinkomen van € 5.335,-- per maand te hanteren en uit te gaan van de 60 % norm vermeerderd met een deel van de door de vrouw opgevoerde woonlasten en de kosten van een auto. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de enkele toepassing van de 60 % norm tot een zodanige behoefte van de vrouw leidt dat het voor haar moeilijk wordt de woonlasten van de echtelijke woning te dragen en een auto te bezitten en te onderhouden, terwijl in voldoende mate gebleken is dat dit tot de welstand van partijen gedurende het huwelijk behoorde.

Uitgaande van een netto maandinkomen van € 5.335,-- alsmede van de kosten van de minderjarigen van € 1.165,-- per maand berekent de rechtbank de behoefte van de vrouw op afgerond € 2.502,-- per maand welk bedrag, gelet op het hiervoor overwogene, zal worden verhoogd met een bedrag van € 250,-- per maand als extra voorziening voor de woonlasten en eveneens € 250,-- per maand voor autokosten, zodat zij de totale behoefte van de vrouw berekent op afgerond € 3.000,-- netto per maand.

Hierop brengt de rechtbank het netto maandinkomen van de vrouw in mindering. De rechtbank zal daarbij uitgaan van het inkomen dat de vrouw feitelijk verdient. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet in de gelegenheid is haar werkzaamheden uit te bereiden. Uitgaande van een bruto jaarinkomen van € 18.963,-- (jaaropgave 2009) alsmede de aan de vrouw toekomende heffingskortingen en het kindgebonden budget berekent de rechtbank dit inkomen op € 1.664,--. De netto aanvullende behoefte van de vrouw kan worden vastgesteld op € 1.336,-- per maand.

Draagkracht van de man

De man ontvangt een inkomen uit arbeid van zijn besloten vennootschap, [onderneming A] B.V. Deze B.V. ontvangt een management vergoeding van [onderneming B] B.V., waarin zij tezamen met derden participeert.

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man uit van een fiscaal jaarinkomen van € 77.425,-- , te verminderen met de kosten voor het privé-gebruik van de auto van € 8.287,--. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2009 alsmede van de cumulatieven, zoals vermeld op het inkomensoverzicht van december 2009.

Zoals hiervoor overwogen gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man naast deze inkomsten nog andere inkomsten uit de vennootschap ontvangt, nu dit niet uit de stukken blijkt en de vrouw dit niet verder heeft onderbouwd.

De man heeft aangevoerd dat de participatie van zijn B.V. in [onderneming B] B.V. met ingang van 6 mei 2010 zal eindigen, waartoe op de aandeelhoudersvergadering van [onderneming B] B.V. is besloten. Ter zitting heeft de man verklaard dat vooralsnog het inkomen uit [onderneming A] B.V. aan hem zal worden uitbetaald, zolang dit nog mogelijk is.

Nu de man na inschrijving van de echtscheiding als alleenstaande ouder in aanmerking komt voor extra fiscale voordelen, houdt de rechtbank bovendien rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

- de alleenstaande ouderkorting;

- de aanvullende alleenstaande ouderkorting.

Voorts neemt de rechtbank de hierna te noemen premie arbeidsongeschiktheidsverzekering als fiscale aftrekpost in aanmerking.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 4.044,-- per maand.

De man heeft de volgende maandelijkse lasten opgevoerd:

a. kale huur € 831,--

b. servicekosten € 50,--

c. premie zorgverzekering € 83,--

d. inkomensafhankelijke bijdrage ZVW € 129,--

e. premie arbeidsongeschiktheidsverzekering € 387,--

f. kosten zorgregeling € 75,--

De rechtbank neemt de genoemde lasten als niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken in aanmerking onder verrekening van de in de bijstandsnorm verdisconteerde wooncomponent van € 207,-- per maand, alsmede van de in de bijstandsnorm verdisconteerde nominale premie van € 44,-- per maand.

Ten aanzien van de kinderalimentatie geldt voor de man de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

Ten aanzien van de partneralimentatie geldt voor de man de bijstandsnorm van een eenoudergezin en een draagkrachtpercentage van 45.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat de man in staat is een kinderalimentatie te betalen van € 582,-- per maand en een partneralimentatie van € 408,-- per maand en de rechtbank acht deze bijdragen redelijk. De rechtbank zal deze bijdragen voorlopig vaststellen in afwachting van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, nu de uitkomst van belang is voor de financiële positie van beide partijen, en de beslissing voor het overige aanhouden.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

Nu de man zich heeft gerefereerd ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot toekenning van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, zal de rechtbank dit verzoek als niet weersproken toewijzen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling van de gemeenschappelijke eigendom

Partijen zijn onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden (hierna ook: HV) bij akte d.d. [datum] met elkaar gehuwd.

De huwelijkse voorwaarden luiden – voor zover hier van belang – als volgt.

Artikel I

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

Artikel V.2

Onder netto-inkomen wordt verstaan het inkomen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing –volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen.

Artikel VII

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto inkomen in de zin van artikel V.2 onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding en de opvoeding en verzorging der kinderen, overblijft, onderling te verrekenen in die zin dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van hetgeen van zijn netto-inkomen is overgebleven.

Artikel VII.5

Geen verrekening vindt plaats:

a. over de periode dat partijen anders dan in onderling overleg niet samenwonen.

Tussen partijen staat vast dat zij in mede-eigendom hebben althans gezamenlijk gerechtigd zijn tot de volgende vermogensbestanddelen:

a. de echtelijke woning, staande en gelegen aan de [adres], welke woning is bezwaard met een hypotheekrecht voor een hoofdsom van € 402.089,--;

b. een depotrekening, gehouden bij de [bank A] onder nummer [rekeningnummer], welke rekening is gekoppeld aan de hiervoor onder a. vermelde hypothecaire lening;

c. een betaalrekening onder nummer [rekeningnummer];

d. een internetrekening onder nummer [rekeningnummer];

e. een beleggingsrekening onder nummer [rekeningnummer];

f. een beleggingsrekening onder nummer [rekeningnummer];

g. een rekening, gehouden bij [bank B] onder nummer [rekeningnummer];

h. een effectenrekening, gehouden onder nummer [rekeningnummer];

i. de inboedel, welke zich bevindt in de echtelijke woning.

De vrouw heeft ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en uitvoering van het periodieke verrekenbeding van bespaarde inkomsten het volgende vermogensbestanddeel opgevoerd:

j. de aandelen van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [onderneming A] BV. (hierna [onderneming A] B.V.).

Peildatum

Tussen partijen staat vast dat de samenleving van partijen op 1 november 2006 is beëindigd, zodat de rechtbank voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, conform de hiervoor weergegeven bepaling uit de huwelijkse voorwaarden van gemelde datum uit zal gaan, behoudens voor zover het de verdeling van de echtelijke woning betreft, welke datum hierna nader aan de orde komt.

ad. a. de echtelijke woning alsmede de hypotheek en de [bank A]depotrekening

Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan de vrouw zal worden toebedeeld onder de verplichting tot overname van de hypotheekschuld, en de daaraan gekoppelde [bank A]depotrekening, alsmede onder de verplichting tot verrekening met de man van de helft van de overwaarde van de woning. Ter terechtzitting hebben partijen nadere afspraken gemaakt over de te hanteren peildatum en de taxatie. Zij zijn overeengekomen dat voor de peildatum zal worden uitgegaan van 31 december 2007 en dat de woning zal worden getaxeerd door een taxateur van De Laen Makelaardij BV, gevestigd te Pijnacker. De uitkomst van deze taxatie is bindend voor partijen en de kosten dienen bij helfte te worden gedragen.

Ter zitting is besproken dat de vrouw het initiatief tot de taxatie zal nemen en dat de man bij de bezichtiging van de woning (in het kader van de taxatie) aanwezig zal zijn. De man zal het saldo van de depotrekening per gemelde peildatum bij de [bank A] opvragen.

ad. c. aandelen in [onderneming A] BV

Tussen partijen staat vast dat de aandelen tot het vermogen van de man behoren. In geschil is echter of de aandelen tot het te verrekenen vermogen als bedoeld in artikel VII van de huwelijkse voorwaarden behoren en de waarde op die grond met de vrouw verrekend dient te worden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Gedurende het huwelijk hebben partijen geen uitvoering gegeven aan het periodieke verrekenbeding van bespaarde inkomsten. Op grond van artikel 1:141 lid 1 BW blijft in dat geval de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand en strekt zich uit over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. Artikel 1:141 lid 3 BW bepaalt dat het alsdan aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

Uit deze bepalingen volgt dat de aandelen in de vennootschap in beginsel tot het te verrekenen vermogen behoren, met dien verstande dat de man kan aantonen dat zulks niet het geval is, doordat de aandelen reeds bij het aanvang van het huwelijk tot zijn vermogen behoorden danwel gedurende het huwelijk zijn verkregen met gelden die niet behoren tot het te verrekenen vermogen, zoals bijvoorbeeld erfenissen of schenkingen.

Anders dan de man is de rechtbank van oordeel dat de aandelen in de vennootschap tot het te verrekenen vermogen behoren. Gebleken is immers dat de vennootschap gedurende het huwelijk in 2000 is opgericht, zodat daarmee vaststaat dat de aandelen bij de aanvang van het huwelijk niet tot zijn vermogen behoorden. De man heeft de aandelen in de vennootschap gedurende het huwelijk verkregen door gelden te lenen van de vennootschap, zo heeft hij gesteld. Uit de stukken blijkt dat de lening thans niet meer bestaat en kennelijk is afgelost. Gesteld noch gebleken is dat deze lening is afgelost met gelden die niet tot het te verrekenen vermogen behoren.

De rechtbank passeert de stelling van de man dat partijen in de huwelijkse voorwaarden de verrekening hebben beperkt tot het netto inkomen en dat zij niet hebben bedoeld de winstreserves in de onderneming ook met elkaar te verrekenen. Het betoog van de man richt zich kennelijk op artikel 1:141 lid 4 BW, waarmee de man er aan voorbij gaat dat deze bepaling eerst toepassing vindt indien zou komen vast te staan dat de aandelen niet tot het te verrekenen vermogen behoren, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank uitdrukkelijk is bepaald aan het slot van dat lid 4 met de woorden “onverminderd het eerste lid”. Nu de rechtbank van oordeel is dat de aandelen tot het te verrekenen vermogen behoren komt zij niet toe aan de beoordeling van de vraag of partijen hebben bedoeld winstreserves met elkaar te verrekenen.

De rechtbank zal de procedure aanhouden, teneinde de man in de gelegenheid te stellen inzicht te geven in de waarde van de aandelen per 1 november 2006. Daartoe dient de man alle relevante stukken met betrekking tot [onderneming A] B.V., zoals jaarstukken over 2004, 2005 en 2006, alsmede de relevante stukken ten aanzien van de deelname in de [onderneming B] B.V. Beide partijen dienen tevens een op basis van deze gegevens door een accountant opgesteld taxatierapport van de waarde van de aandelen per de peildatum in het geding te brengen. Indien de accountant meer stukken nodig heeft dan hiervoor genoemd, is de man gehouden daarvan afschriften te verstrekken.

De rechtbank zal de zaak als na te melden tot 15 oktober 2010 proforma aanhouden, teneinde partijen voldoende gelegenheid te bieden een en ander te bewerkstelligen en (desgewenst) met elkaar in overleg te treden.

ad. d. tot en met i.

Partijen twisten over de vraag of en zo ja, in hoeverre saldi van de bankrekeningen zijn verdeeld of verrekend. Volgens de man heeft verdeling van deze bankrekeningen reeds plaatsgevonden. De vrouw heeft dit betwist.

Nu de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt om op het verzoek ten aanzien van de saldi te kunnen beslissen, zal zij de behandeling van het verzoek aanhouden, zodat partijen aanvullende informatie ten aanzien hiervan in kunnen dienen. Voorts worden partijen in de gelegenheid gesteld om in onderling overleg te treden en wellicht overeenstemming te verkrijgen.

Inboedel

Ter terechtzitting is gebleken dat partijen meer tijd nodig hebben om het in onderling overleg eens te worden over de te verdelen inboedelgoederen. De rechtbank zal de zaak mede in verband hiermee aanhouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om met betrekking tot de te verdelen inboedelgoederen overleg te voeren en mogelijk tot overeenstemming te komen.

Over de voortgang van de procedure dienen partijen de rechtbank te informeren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man], en [de vrouw], gehuwd op [datum] 1990 in de gemeente [plaats 2];

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige A], geboren op [datum] 1993 te [plaats 2], de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige B], geboren op [datum] 1996 te [plaats 2], de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voorlopig voor de minderjarige [minderjarige B] aan de vrouw, die de minderjarige verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 582,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van ontbinding van het huwelijk zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voorlopig aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 408,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

houdt de behandeling met betrekking tot de verzoeken aangaande de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan tot 15 oktober 2010 pro forma opdat partijen stukken in het geding kunnen brengen en overleg met elkaar kunnen voeren;

bepaalt dat de man uiterlijk acht weken vóór genoemde proformadatum de volgende stukken dient over te leggen:

- alle relevante stukken met betrekking tot [onderneming A] B.V., zoals de jaarstukken over 2004, 2005 en 2006;

- relevante stukken ten aanzien van de deelname in de [onderneming B] B.V.;

bepaalt dat beide partijen uiterlijk acht weken vóór genoemde proformadatum de volgende stukken dient over te leggen:

- een taxatierapport van de waarde van de aandelen in [onderneming A] B.V. per 1 november 2006 als hiervoor overwogen;

- ten aanzien van de inboedel en de gezamenlijke bankrekeningen: een geactualiseerd overzicht en een overzicht van de punten waarover partijen het, ook na het door hen gevoerde overleg, niet met elkaar eens zijn geworden, alsmede de relevante onderliggende stukken zoals, bankafschriften per peildatum, overboekingen etcetera.

bepaalt dat partijen tot de proformadatum op de door de wederpartij overgelegde stukken schriftelijk mogen reageren;

bepaalt dat de behandeling ter zitting eerst na tijdige ontvangst van alle bovengenoemde stukken zal worden voortgezet, behoudens toepassing van artikel 9.7 en 9.8 van het procesreglement scheiding;

bepaalt dat, indien voor genoemde proformadatum geen bericht is ontvangen of door beide partijen de gevraagde stukken niet (volledig) zijn overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd, de zaak ingevolge artikel 9.5 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan;

bepaalt dat, indien een van partijen de gevraagde stukken niet (volledig) heeft overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd de zaak ingevolge artikel 9.6 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan tenzij de wederpartij of de rechter een mondelinge behandeling wenst, in welk geval stukken van de partij die in gebreke was niet meer zullen worden geaccepteerd;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie, de verdeling van de gemeenschappelijke zaken en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. H.A. van den Broek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

21 mei 2010.