Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM5883

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
Awb 10/15636 BEPTDN/AM en Awb 10/15637 BEPTDN/AM
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN1289, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft onvoldoende zijn identiteit en reisroute aangetoond aan de hand van identiteits- en nationaliteitsdocumenten en reisbescheiden. Zijn paspoort was vals en ook zijn rijbewijs was niet in orde. Over zijn reisroute is hij weinig gedetailleerd geweest. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem dat alles niet kan worden toegerekend. Om dan nog in aanmerkling te kunnen komen voor de verzochte verblijfsvergunning moet van zijn vluchtrelaas een positieve overtuigingskracht uitgaan. Dat wil zeggen dat er geen hiaten, vaagheden, en dergelijke in moeten voorkomen. De minister heeft het vluchtrelaas ongeloofwaardig kunnen achten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Almelo

Regnr.: Awb 10/15636 BEPTDN/AM en Awb 10/15637 BEPTDN/AM

Uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[VERZOEKER],

geboren op [1962],

van Somalische nationaliteit,

IND dossiernummer [NUMMER],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.H. van der Linden, advocaat te Almelo;

tegen

DE MINISTER VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. G.J. Douma, ambtenaar ten departemente.

1. Procesverloop

Op 20 april 2010 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit van 27 april 2010 heeft verweerder de aanvraag in een Aanmeldcentrum (AC) afgewezen. Bij brief van 27 april 2010 is daartegen beroep ingesteld en is tevens verzocht om een voorlopige voorziening.

Het verzoek is ter zitting van 17 mei 2010 behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Standpunten

Het asielrelaas van verzoeker komt op het volgende neer.

Verzoeker komt uit Hargeisa, in Noord-Somalië. Verzoeker heeft zich in 1986 aangesloten bij een rebellenbeweging, de Somalian National Movement (SNM). Deze beweging opereerde vanuit Ethiopië en bestond uit leden van de Isaacclan. Verzoeker zelf hoorde bij de clan Muuse Dhariyo. Verzoekers vader is door de regering onder druk gezet, zodat verzoeker na acht maanden terug is gekeerd naar Somalië, waar hij gelijk in de gevangenis werd gestopt. Verzoeker is daar gemarteld en heeft littekens aan overgehouden. Vijfentwintig leden van de SNM werden door de regering gefusilleerd. Verzoeker werd door de familieleden van de rebellen verdacht van spionage voor de regering. Zij trachten verzoeker dan ook te vermoorden. Verzoeker is daarom in 1987 naar Abu Dabi gevlucht waar hij zijn vrouw van de Isaac clan heeft ontmoet. In 2005 is verzoeker met zijn gezin teruggekeerd naar Somalië. In Somalië waren clanleden van de Isaac tegen zijn huwelijk, omdat verzoeker behoort tot een kleine clan en zijn vrouw tot de (grote) Isaacclan. Verzoeker kreeg veel bedreigingen vanwege zijn huwelijk. Bovendien had hij nog te vrezen voor de familie van de fusilleerde SNM leden. In 2005 is verzoekers broer vermoord in de apotheek van verzoeker. Verzoeker vreesde ook voor bedreiging van de Moslims omdat hij bekeerd is tot het Christendom. Uiteindelijk is verzoeker naar Nederland gevlucht.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft onvoldoende documenten overgelegd die zijn identiteit, nationaliteit en reis(route) onderbouwen. Het kwijtraken van het geldige paspoort wordt verzoeker aangerekend. Het (andere) overgelegde paspoort vertoont blijkens het onderzoek van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) valse sporen. Tevens had verzoeker reeds in 2007 een aantal documenten, waaronder zijn rijbewijs, in zijn bezit. Verzoeker heeft deze slechts overgelegd vanwege het feit dat hij een valse naam heeft opgegeven. Verzoeker heeft niet aannemelijk weten te maken dat het ontbreken van nationaliteits- en identiteitspapieren, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, niet aan hem is toe te rekenen. Evenmin is aannemelijk dat hij geen enkel indicatief bewijs heeft overgelegd van de reis, noch dat hij verifieerbare verklaringen heeft afgelegd omtrent zijn reisroute.

Verweerder stelt voorts dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert. Niet geloofwaardig wordt geacht dat zijn vrouw tot de Isaacclan behoort, terwijl eerder door hem is verklaard dat zij tot de Midgoclan behoort. Evenmin wordt geloof gehecht aan de problemen die verzoeker stelt te hebben ondervonden na het fusilleren van vijfentwintig SNM leden, nu dit achttien jaar geleden zich heeft afgespeeld.

Tevens heeft verzoeker de informatie dat hij vermoord zal worden door de Isaacclan, niet uit objectief verifieerbare bron. Verzoeker heeft voorts geen verklaring voor het feit dat hij niet meteen vermoord werd, nu hij zelf verklaart dat hij meteen herkend werd toen hij terugkeerde naar Hargeisa. Voorts heeft verzoeker verschillende tegenstrijdige verklaringen afgelegd omtrent de data, zodat verweerder ook hieraan geen geloof hecht.

Ten aanzien van verzoekers christelijk geloof stelt verweerder dat hij hiermee geen problemen heeft ondervonden.

Ten aanzien van het beroep van verzoeker op artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: Definitierichtlijn), stelt verweerder dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij valt onder de definitierichtlijn. Ten aanzien van het beroep van verzoeker op het ten onrechte afschaffen van het categoriale beschermingsbeleid, stelt verweerder dat verzoeker niet behoort tot deze categorie asielzoekers.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de zaak niet in een AC afgedaan kan worden, nu hem de mogelijkheid wordt ontnomen om een eventuele contra-expertise te houden, naar aanleiding van het door de Kmar gehouden onderzoek ten aanzien van het overgelegde paspoort. Ten aanzien van het ontbreken van de reis- en identiteitspapieren stelt verzoeker dat hij zowel een paspoort als ook een rijbewijs heeft overgelegd, evenals een doopbewijs, welke dient te ondersteuning van zijn asielrelaas. Ten onrechte wordt het kwijtraken van het paspoort hem aangerekend, aldus verzoeker. Verzoekers asielrelaas dient geloofwaardig verklaard te worden. Immers, verzoeker heeft problemen ondervonden met de SNM, met het feit dat hij in het huwelijk is getreden met een vrouw van de Isaacclan en het feit dat hij een christen is in Somalië. Daarnaast stelt verzoeker dat de situatie in Somalië erg slecht is. Hiermee doet hij een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

De voorzieningenrechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van de verzoeker in afwachting van de beslissing op het beroep moet worden verboden.

Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak.

Aangezien verweerder de aanvraag heeft afgewezen in het AC dient tevens beoordeeld te worden of de aanvraag op zorgvuldige wijze binnen 48 uur is afgedaan.

Met betrekking tot het standpunt van verzoeker dat verweerder hem ten onrechte niet heeft aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Op grond van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan – voor zover hier relevant – op grond van artikel 29, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan foltering, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onderdeel f, Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder verzoeker in het bestreden besluit het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft tegengeworpen.

Met betrekking tot de toepassing van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onderdeel f, Vw 2000 is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid het ontbreken van identiteits- en nationaliteitsdocumenten aan verzoeker heeft kunnen tegenwerpen.

Daarnaast heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet dat en waarom het niet overleggen van reisdocumenten dan wel andere bescheiden, die voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, aan verzoeker kan worden toegerekend. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat ingevolge bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de AbRS) verweerder het ontbreken van reisdocumenten aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen, reeds om de reden dat het reisverhaal niet is gestaafd met reisdocumenten. Het door verzoeker overgelegde paspoort is blijkens een onderzoek van de Kmar d.d. 20 april 2010 vals bevonden, zodat hieraan niet die waarde kan worden gehecht die verzoeker hieraan gehecht wil zien. Aan de stelling van verzoeker dat hem de mogelijkheid wordt ontnomen om een contra-expertise te laten uitvoeren, gaat de voorzieningenrechter voorbij, nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker voldoende tijd heeft gehad om dit uit te kunnen voeren. Ter zitting is immers zijdens verzoeker gesteld dat het contra-expertise onderzoek niet zou moeten omvatten een onderzoek naar de valse kenmerken, maar het verkrijgen van een deskundigenoordeel over de vraag of in de relevante periode paspoorten officieel als echt en onvervalst werden uitgegeven terwijl het in feite ging om “hergebruikte”documenten.

Tevens heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat de verklaring van verzoeker voor de tegenstrijdigheden in zijn personalia in het rijbewijs geen afdoende verklaring afgelegd. Bovendien heeft verweerder eveneens kunnen stellen dat verzoeker onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn reis(route). De tegenwerping van verzoeker, namelijk dat hij het (geldige) paspoort is kwijtgeraakt, doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan het voorgaande niet af en moet als onvoldoende van de hand gewezen worden. Evenmin doet de verklaring van verzoeker dat hij de (reis)documenten niet in handen heeft gehad, niet af aan de omstandigheid dat dit voor rekening en risico van verzoeker komt. Verzoeker heeft evenmin gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over zijn reis afgelegd.

Ingevolge paragraaf C14/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas van belang of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw 2000. Is dit het geval, dan moet het relaas niet alleen op hoofdlijnen consistent en niet onaannemelijk zijn, maar dienen in de verklaringen van de vreemdeling geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van relevante bijzonderheden voor te komen. Van het relaas dient aldus een positieve overtuigingskracht uit te gaan.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zich in het bestreden besluit, waarin het voornemen is ingelast, op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van verzoeker niet geloofwaardig is.

De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent het navolgende.

De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat niet in te zien valt dat verzoeker na achttien jaar nog te vrezen heeft voor vervolging door de familieleden van de vijfentwintig gefusilleerde leden van de Isaacclan. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat dit een niet nader onderbouwde vermoeden is. Tevens is de voorzieningenrechter van oordeel dat de stelling van verzoeker dat hij vreest voor wraakacties van de leden van de Isaacclan omdat hij is gehuwd met een vrouw uit de Isaacclan - nog daargelaten de vraag of de vrouw van verzoeker van Isaac afkomst is -, niet rijmt met het feit dat verzoeker zich juist in het Isaac gebied is gaan vestigen om aldaar te wonen en werken met gevaar voor eigen leven. De stelling van verzoeker dat hij gehoord heeft van mensen dat de Isaacclan van plan was hem te vermoorden, wordt door de voorzieningenrechter van de hand gewezen nu dit niet afkomstig is uit objectief verifieerbare bron. Daar komt nog bij dat verzoeker vage verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van de aanval op zijn apotheek en de moord op zijn broer. Niet is geconcretiseerd waarom juist zijn apotheek is aangevallen en zijn broer het slachtoffer is geworden van een moordaanslag. Dit wordt versterkt door het feit dat (de gemachtigde van) verzoeker ter zitting heeft verklaard dat hij ook niet weet waarom zijn apotheek is aangevallen.

Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Somalië zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te worden verleend. Het zal daarom aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot verzoeker persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een dergelijke verblijfsvergunning dient te worden verleend.

Ten aanzien van verzoekers bekering tot het Christendom is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder gemotiveerd uiteengezet heeft dat verzoeker geen problemen heeft ondervonden in zijn land van herkomst vanwege zijn bekering. Dit wordt versterkt door hetgeen hij zelf ook heeft verklaard in het nader gehoor. Weliswaar leefde hij “in angst om gedood te worden”, maar feitelijk heeft hij zich vanaf 1977 zonder daadwerkelijke blijk van vervolging om zijn geloof kunnen handhaven, zij het dat hij een deel van deze tijd in het buitenland verbleef.

Ten aanzien van het beroep van verzoeker dat ten onrechte het categoriale beschermingsbeleid is afgeschaft, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit beroep niet slaagt, nu het categoriale beschermingsbeleid destijds niet gold voor Somaliland (Noord Somalië), waar verzoeker stelt vandaan te komen.

Ten aanzien van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c Definitierichtlijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit beroep evenmin slaagt, nu blijkens de uitspraak van de AbRS van 26 januari 2010 (200905017/1/V2) de situatie in Zuid Somalië, Mogadishu, weliswaar zorgwekkend is, doch dit geldt niet voor het noorden van Somalië - Hargeisa, Somaliland - waar verzoeker stelt vandaan te komen, waar geen gewapend conflict heerst.

Het hiervoor overwogene brengt met zich dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen. Gelet op hetgeen partijen, laatstelijk ter zitting, hebben aangevoerd en gezien de overgelegde stukken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak. Het beroep wordt op voet van artikel 8:86 Awb ongegrond verklaard.

Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van de voorlopige voorziening en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.C. Berg, voorzieningenrechter, door deze en mr. A. Akfidan - Turan, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2010

Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kunnen partijen binnen één week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.