Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM5857

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
361601 / FT-RK 10.646
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rekestnummer: 361601/FT-RK 10.649

nummer verklaring: DHG9011000145

uitspraakdatum: 25 mei 2010

RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht-meervoudige kamer

[verzoekster],

verzoekster,

heeft op 9 maart 2010 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Op 20 april 2010 ontving de rechtbank de verklaring met bijlagen als bedoeld in art. 285 Faillissementswet (Fw.).

Het verzoekschrift is op 4 mei 2010 behandeld. De verzoekster is verschenen en gehoord. Tevens zijn verschenen en gehoord Mr. Y Lopes en Mr. E. M. Bekooi, schuldhulpverleners van Zuidweg Insolventie-bemiddeling en Mr. Lopez, raadsman van verzoekster. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank beslist de zaak meervoudig af te doen.

Uit het verzoek met bijlagen en het behandelde ter zitting is het volgende naar voren gekomen:

1. Verzoekster was volgens een uittreksel uit het handelsregister van 01-01-1998 tot 01-01-2010 eigenaresse van de eenmanszaak "[Y.]". De bedrijfsactiviteiten bestonden uit de exploitatie van een bejaardenverzorgingshuis aan de [vestigingsadres] te Den Haag. De activiteiten zijn gestaakt. Verzoekster woont in een in 2008 gekochte woning aan de [woonadres]. Zij is alleenstaand en heeft de zorg voor een minderjarige dochter.

2. Verzoekster heeft aangegeven dat de onderneming in 2008 te kampen heeft gehad met een mislukte verbouwing en teruglopende AWBZ-gelden. Hierdoor werd haar kostenniveau te hoog. Bovendien ontstonden er problemen met een deel van het personeel, waardoor haar bedrijf negatief in het nieuws kwam. In 2009 heeft zij getracht via samenwerking met een collega haar bedrijf te redden. Deze poging is mislukt en heeft over en weer geleid tot aanzienlijke claims. De claim van de collega is in kort geding afgewezen. Zij heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Verzoekster heeft haar claim tegen de collega nog niet voor de rechter gebracht. Na mislukking van de samenwerking heeft verzoekster op 3 november 2009 haar eigen faillissement aangevraagd. Nadat het verzoek was aangehouden tot 8 december heeft verzoekster haar eigen aangifte ingetrokken. Zij heeft aangegeven te willen nagaan of zij van de gemeente een overbruggingskrediet zou kunnen ontvangen.

3. Op 25 januari 2010 hebben drie -inmiddels- ex medewerksters van verzoekster het faillissement van verzoekster aangevraagd. Ter zitting van 2 maart 2010 heeft verzoekster verzocht toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Op 9 maart 2010 heeft verzoekster aangetoond dat zij zich via de gemeente gewend heeft tot Zuidweg Insolventie-bemiddeling. De rechtbank heeft verzoekster een termijn van 10 weken gegund om een compleet verzoek conform art. 284 en 285 Fw. in te dienen. Op 20 april heeft de rechtbank het verzoekschrift met bijlagen ontvangen. Het verzoekschrift is opgesteld door Zuidweg Insolventie-bemiddeling en mede ondertekend door de gemeentelijke kredietbank. In de 258-verklaring is aangegeven dat het minnelijk traject is gestart maar dat geen akkoord aangeboden is vanwege de faillissementsaanvraag.

4a. In de overlegde schuldenlijst geeft verzoekster aan een schuldenpositie te hebben van € 881.474,02, waarvan € 876.987,14 zakelijke schulden zijn. Hiervan is een bedrag van € 554.858 verschuldigd voor niet afgedragen inkomstenbelasting en loonbelasting alsmede een bedrag van € 8.231,48. aan gemeentelijke belastingen. In het bedrag van € 554.858,00 is een bedrag van € 152.100, begrepen aan definitieve aanslagen inkomstenbelasting uit 2006. Het resterende bedrag wordt gevormd door ambtshalve aanslagen loonbelasting uit de jaren 2006 tot en met 2009 en een boete van € 34.643,00 De fiscus heeft op 30 maart 2010 en 7 april 2010 executoriaal beslag gelegd op de woning en het bedrijfspand van verzoekster.

4b. Ter zitting blijkt dat de hypotheekschulden op de woning ad € 471.059,37, de hypotheekschulden op het bedrijfspand ad € 531.875,40 en de uit de mislukte samenwerking gepretendeerde claim van € 300.000,- niet in de schuldenpositie zijn opgenomen.

4c. Volgens opgave van verzoekster ter terechtzitting claimt zij uit de mislukte samenwerking een vordering van €360.000,- Uit de stukken blijkt verder dat verzoekster een aantal beleggingsverzekeringen en een lijfrenteverzekering heeft lopen. Uit de stukken blijkt ook dat de bedrijfsmatige activa per ultimo 2008 werden- gewaardeerd op € 947.533,- . Over de waarde van de activa in privé heeft de rechtbank geen informatie ontvangen.

5a. Verzoekster heeft de jaarstukken over 2007 en 2008 overlegd. Deze zijn opgemaakt op 17 en 18 maart 2010. Verzoekster heeft aangegeven dat deze jaarstukken niet eerder konden worden opgemaakt door het falen van haar boekhouder. Mede om die reden is voor haar de financiële situatie van het bedrijf lange tijd onduidelijk geweest. Verzoekster heeft medegedeeld dat de jaarstukken 2009 niet zijn opgemaakt omdat er geen geld is om de boekhouder te betalen.

5b. Uit de cijfers over 2007 blijkt een negatief bedrijfsresultaat van € 42.281,00. In dat jaar heeft verzoekster € 121.472 in contanten voor privé doeleinden onttrokken aan haar bedrijf. Het eigen vermogen van de onderneming bedroeg per ultimo 2007 € 33.853 negatief. Aan belastingschuld en sociale premies wordt op de balans een schuld van € 166.878,00 opgevoerd.

Uit de cijfers over 2008 blijkt een negatief bedrijfsresultaat van € 601,- . In dat jaar heeft verzoekster €70.355,- in contanten voor privé doeleinden ontrokken aan haar bedrijf. Het eigen vermogen van de onderneming bedroeg per ultimo 2008 € 104.809 negatief. Op de balans worden aan zakelijke schulden een post van € 459.863,00 en aan belastingschuld en sociale premies een post van € 258.174,00 opgevoerd. In een afzonderlijk overzicht is de gepretendeerde claim van € 300.000,- van de collega opgevoerd, waardoor een negatief eigen vermogen resteert van € 404.810, -.

5c. Over het verschil tussen de in de balans per ultimo 2008 gepresenteerde cijfers en de totale zakelijke schuld zoals deze ter zitting naar voren is gekomen, heeft de rechtbank geen nadere informatie ontvangen.

6. Desgevraagd geeft verzoekster aan dat zij tot 2008 in een huurhuis woonde. Toen zij in 2008 haar huidige woning kocht en de hypothecaire schuld ad € 471.059,37 voor de financiering daarvan aanging, had zij geen idee dat haar bedrijf financieel niet goed rendeerde. De rekeningen couranten welke zij aanhield bij de ING en de SNS bank gaven haar geen contra indicatie.

7. Verzoekster heeft medegedeeld dat zij nog niet gesolliciteerd heeft naar ander werk aangezien zij nog doende is met de afwikkeling van haar bedrijfsactiviteiten. Zij heeft voorts medegedeeld dat zij actief gaat solliciteren wanneer de afwikkeling zijn beslag heeft gekregen.

De rechtbank overweegt als volgt.

1.Inzake het verzoekschrift en de bijgevoegde bijlagen:

1a. In het verzoekschrift dient verzoekster de rechtbank inzicht te verschaffen in haar inkomens- en vermogenspositie. De WSNP is alleen bedoeld voor schuldenaren die er klaar voor zijn, die een minnelijke procedure doorlopen hebben en waarvan dus bekend is hoe hun financiële positie is. (memorie van Toelichting 11, vergaderjaar 2004-2005, 29 942 nr.3). Bovendien geeft art. 285 lid 1 onder f Fw. aan dat aangegeven moet worden over welke aflossingsmogelijkheden verzoeker beschikt. De rechtbank stelt vast dat de 285-verklaring en de bijgevoegde bijlagen niet vermelden over welke aflossingsmogelijkheden verzoekster beschikt. Ook overigens is de financiële positie van verzoekster niet duidelijk. Verzoekster geeft aan de claim van € 300.000,- niet te erkennen en pretendeert zelf een claim van € 360.000, -. Daarnaast beschikt verzoekster over activa over de waarde waarvan de rechtbank geen duidelijke informatie heeft ontvangen. De bedragen waarvan onduidelijk is hoe deze de vermogenspositie van verzoeker beïnvloeden, zijn substantieel en bovendien van een zodanige grootte dat niet op voorhand vaststaat dat een akkoord geen kans van slagen heeft. Tenslotte heeft verzoekster aangegeven nog doende te zijn met de afwikkeling van haar bedrijfsactiviteiten. Ook hierdoor kan de financiële positie van verzoekster nog worden beïnvloed.

De rechtbank stelt dan ook vast dat het verzoekschrift onvoldoende inzicht geeft in de financiële positie van verzoekster.

1b. Art.285 lid 1 onder f Fw. geeft aan dat als er geen buitenrechtelijke schuldregeling tot stand gekomen is, door of namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar een met reden omklede verklaring wordt afgegeven dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot zo een regeling te komen. In de 285-verklaring van verzoekster is aangegeven dat het minnelijk traject is gestart, maar dat geen akkoord is aangeboden vanwege de faillissementsaanvraag. De rechtbank stelt vast dat de verklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Zonder een verklaring dat de schuldenaar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen kan de regeling niet van toepassing worden verklaard ( Kamerstukken 11, vergaderjaar 1997/1998, 25672, nr.3 ) Dat geldt ook in het geval dat de schuldenaar een beroep doet op de wettelijke schuldsaneringsregeling nadat zijn faillissement is aangevraagd. In het systeem van de faillissementswet dient een toelatingsverzoek, ook als dit is ingediend naar aanleiding van een door een schuldeiser tegen de verzoeker gericht verzoek tot zijn faillietverklaring, te voldoen aan de in de artikelen 3, 284 en 285 Fw gestelde vereisten. ( Gerechtshof 's-Gravenhage 10 maart 2009).

Na het beroep van verzoekster op de schorsende werking van de artikelen 3 en 3a Fw. heeft de faillissementsrechter verzoekster op 9 maart een termijn van tien weken gegund om een compleet verzoek in te dienen. Verzoeker heeft hiertegen geen bezwaar aangevoerd noch is van omstandigheden gebleken dat de termijn prohibitief zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is de gegunde termijn alsnog te verlengen. Gelet op de belangen van een crediteur c.q. crediteuren om een oordeel te krijgen over de door hem of hen ingediende faillissementsaanvraag dient de schorsende werking van een beroep op artikel 3 resp. 3a Fw. gebonden te zijn aan een beperkte termijn. Verzoekster is zelf verantwoordelijk voor de keuze welke zij heeft gemaakt om haar kennelijk benarde financiële situatie te beredderen. Zij heeft het laten aankomen op een faillissementsverzoek van een aantal ex personeelsleden.

Dit leidt ertoe dat zij heeft rekening te houden met het belang van die crediteuren om een uitspraak te krijgen op dat verzoek. Als de haar gegunde termijn van 10 weken onvoldoende is om een volledig verzoek als bedoeld in de artikelen 284 en 285 Fw. in te dienen, had zij dit bij de behandeling van het faillissementsrekest moeten aangeven, zodat de faillissementsrechter haar belang en dat van de verzoekers had kunnen wegen.

De rechtbank stelt dan ook vast dat gelet op het vorenstaande het verzoekschrift en de bijgevoegde bijlagen niet voldoen aan de eisen welke de wet daaraan stelt zodat het verzoek reeds hierom dient te worden afgewezen.

2. Inzake de afwijzingsgrond als bedoeld in artikel 288 lid 1 onder b Fw.

Ingevolge artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet wordt het verzoek slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoekster ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Deze goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de verzoekster dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoekster een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de verzoekster wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties harerzijds om verhaal door de schuldeisers te frustreren en dergelijke.

Onvoldoende aannemelijk is dat de verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Immers, verzoekster heeft nagelaten de verschuldigde loonbelasting en sociale premies over 2006 tot en met 2009 geheel of gedeeltelijk te voldoen. Haar is daarvoor naast de ambtelijke aanslagen ook een boete opgelegd van in totaal € 34.643,00. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de belastingschuld niet te goeder trouw is geweest. Uit het gepresenteerde cijfermateriaal blijkt bovendien dat verzoekster haar privé onttrekkingen alleen heeft kunnen financieren door haar zakelijke schulden te laten oplopen. Hierdoor en door het aangaan van de hypothecaire lening in 2008 voor de financiering van haar koopwoning, heeft verzoekster verwijtbaar de continuïteit van haar bedrijf op het spel gezet. Bij een meer prudent financieel beheer zou verzoekster de financiële tegenslagen beter hebben kunnen opvangen en zou haar schuldpositie niet de omvang hebben gehad, die het nu heeft. Ook ten aanzien hiervan heeft verzoekster niet te goeder trouw gehandeld. Het eventuele falen van haar boekhouder dient verzoekster te worden aangerekend. Als zelfstandig ondernemer was zij verantwoordelijk voor het financiële beheer, daaronder begrepen het tijdig opmaken van de jaarstukken, het doen van tijdige aangiftes bij de belastingdienst en het tijdig betalen van de verschuldigde belastingen en premies.

De rechtbank stelt vast verzoekster niet te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar gehele dan wel gedeeltelijke schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag van haar verzoekschrift en dat ook om deze reden het verzoek dient te worden afgewezen.

3. Inzake de afwijzingsgrond als bedoeld in artikel 288 lid 1 onder c Fw.

Artikel 288 lid 1 sub c van de Faillissementswet vereist dat voldoende aannemelijk dient te zijn dat de verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Verzoekster heeft aangegeven dat zij nog doende is met de afwikkeling van haar bedrijfsactiviteiten en dat zij gaat solliciteren wanneer zij de afwikkeling heeft afgerond. De WSNP is alleen bedoeld voor schuldenaren die er klaar voor zijn. De rechtbank stelt vast dat dit uitgangspunt ook inhoudt dat de schuldenaar die verzoekt toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanaf de eerste dag in staat en bereid is zich in te spannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Nu verzoekster nog doende is haar bedrijfsactiviteiten af te wikkelen, zal dit niet het geval zijn.

De rechtbank stelt vast dat onvoldoende aannemelijk is dat verzoekster zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven en dat ook om deze reden het verzoek dient te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van:

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats], Grootbrittannië,

postadres: [adres]

[postcode] [woonplaats].

Gewezen door mrs C.M. Roskam, F.A.M.Veraart en C.M.Derijks en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 mei 2010 in tegenwoordigheid van D.D. Vorst, griffier.

De verzoekster heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.