Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM5480

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
21-05-2010
Zaaknummer
09-754245-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BT2421, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft meerdere malen van zeer dichtbij geschoten op [X] en is zelfs op hem blijven schieten toen het slachtoffer al zwaar gewond op de grond lag. De laatste minuten in het leven van [X] moeten verschrikkelijk zijn geweest.

Verdachte heeft het hierbij niet gelaten. Hij heeft ook geschoten in de richting van [Y] die, vrezend voor zijn leven, was weggerend, daarbij noodzakelijkerwijs zijn vriend [X] achterlatend. Het is niet aan verdachte te danken dat niet ook [Y] het leven heeft gelaten. Waarschijnlijk was hij, al vluchtend, voor verdachte een te moeilijk doelwit om te raken. Verdachte heeft vervolgens zijn slachtoffer de rug toegekeerd en is rustig teruggelopen naar het café. Doodslag en poging tot doodslag. Gevangenisstraf van 16 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/754245-09

Datum uitspraak: 21 mei 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden - Zoetermeer" te Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 mei 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Rijsdorp en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.P. Visser, advocaat te ‘s-Gravenhage en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 8 november 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) kogels afgevuurd op het lichaam van die [X], tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 8 november 2009 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [Y] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, in de richting van die [Y] heeft/hebben geschoten en/of meermalen althans eenmaal de trekker van het (leeggeschoten) pistool heeft overgehaald terwijl hij het pistool gericht hield op en/of hield in de richting van die [Y], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 november 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [Y] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een (vuur)wapen in de richting van voornoemde [Y] gehouden;

3.

hij in de periode van 8 november 2009 tot en met 10 november 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen en/of munitie van categorie III, te weten

- een vuurwapen, te weten een (semi-automatisch) pistool (merk ‘[merk]’, kaliber 9 mm [....]) en/of

- negen, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber 9 mm [....]),

voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [X] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door meerdere malen met een geladen vuurwapen op hem te schieten, tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden. Voorts komt de verdenking er op neer dat hij gepoogd heeft [Y] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven door ook op hem met een geladen vuurwapen te schieten. Daarnaast wordt hij ervan verdacht dat hij een vuurwapen met munitie voorhanden heeft gehad.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte [X] heeft vermoord, heeft geprobeerd [Y] te vermoorden en het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de moord op [X] en het wapenbezit gesteld dat geen overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte ontkent, dat de verklaringen van de getuigen onbetrouwbaar zijn, dat alleen [A] een vuurwapen had, dat aangever [Y] verdachte bij een foslo-confrontatie niet herkent als dader en dat verdachte geen motief had om op [X] of [Y] te schieten.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat indien bewezen wordt verklaard dat verdachte geschoten zou hebben, niet vaststaat dat hij de fatale schoten heeft gelost omdat niet is uitgesloten dat er een tweede schutter is geweest. De raadsman refeert hierbij aan het feit dat de op de plaats delict aangetroffen hulzen wel maar de aangetroffen kogel niet kan worden gerelateerd aan het in beslag genomen pistool. Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake is van moord nu er voorafgaande aan de schietpartij geen tijd is geweest voor rustig overleg en kalm beraad.

Ten aanzien van de poging moord op [Y] heeft de raadsman aangevoerd dat allereerst niet kan worden bewezen dat er op [Y] is geschoten en dat, zo op hem geschoten is, verdachte in ieder geval niet heeft geschoten. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen dermate van elkaar verschillen en onduidelijk zijn dat ze onbetrouwbaar moeten worden geoordeeld.. Voorts heeft de raadsman gesteld dat indien bewezen wordt verklaard dat verdachte geschoten zou hebben op [Y], niet bewezen kan worden dat er kogels zijn afgevuurd. Er zijn immers geen inslagen gevonden van kogels in de omgeving waar [Y] heeft gelopen. De raadsman heeft betoogd dat het schieten met een pistool dat geen kogels bevat slechts een ondeugdelijke poging oplevert.

De raadsman heeft mitsdien bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging1

De rechtbank gaat op grond van de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 8 november 2009 te 00.55u kwam bij de meldkamer van Politie Haaglanden de melding binnen dat er een schietincident had plaatsgevonden op de Pletterijkade in Den Haag, nabij café [café].2 Ter plaatse werd omstreeks 00.58u [X] bloedend aangetroffen. Op dat moment ademde hij nog. Ondanks de inspanningen van het ambulancepersoneel overleed [X] omstreeks 01.10u.3 Op de plaats delict werden 8 hulzen en één patroon aangetroffen en een projectiel/kogelfragment op het trottoir onder het lichaam van [X].4 Het projectiel (kenmerk [kenmerk]) bleek te zijn gedeformeerd.5

Het pistool en de munitie

Op 15 november 2009 heeft [A] verklaard dat het wapen waarmee is geschoten door hem in een gracht, ter hoogte van de molen nabij de Binckhorstlaan te ’s-Gravenhage is gegooid.6 Hij heeft vervolgens de betreffende plaats aangewezen.7 Op 8 december 2009 troffen duikers van het arrestatieteam van de politie daar een wapen met een magazijn (zonder munitie) aan.8

Een materiedeskundige bij het Bureau Forensische opsporing van de politie Haaglanden heeft vastgesteld dat het gevonden vuurwapen een pistool betreft van het merk [merk], model 26, kaliber 9mm. Het is een vuurwapen in de zin van categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie.9 Voorts heeft deze materiedeskundige vastgesteld dat een op de plaats delict aangetroffen kogelpatroon van het merk [merk] was, kaliber 9mm luger. Dit betreft categorie III munitie.10

Uit het rapport naar aanleiding van het wapen- en munitieonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat met het gevonden pistool proefschoten zijn gelost. Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen afvuursporen in de 8 op de plaats delict gevonden hulzen en die in proefhulzen uit het gevonden pistool is gebleken dat:11

- de systeemsporen overeenkomen,

- de op kraslijnen gelijkende indrukken in de stootbodemsporen in de stootbodemsporen en slagpingatsporen overeenkomen,

- de oneffenheden in de slagpuntindrukken overeenkomen,

- de vorm en grootte van de hulsuitwerpsporen overeenkomen en

- de kraslijnen in de patroontrekkerhaaksporen en in de kamerwandsporen voor een klein deel aansluiten.12

In het rapport wordt geconcludeerd dat alle 8 op de plaats delict aangetroffen hulzen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig zijn uit het gevonden pistool.13

Het letsel

Uit het deskundigenrapport naar aanleiding van de sectie op het lichaam van [X] blijkt dat bij [X] de volgende schotverwondingen zijn geconstateerd:14

- 1 doorschot door het hoofd,

- 1 doorschot door de linkerschouder,

- 1 doorschot door de hals (welke de rechter en de linker diepe halsader, de luchtpijp en de linker halsslagader heeft geperforeerd),

- 1 doorschot door de buik (welke onder andere de milt en linker nier heeft beschadigd, daarna is afgeketst op de wervelkolom en door de rechter nier en door de rechter leverkwab is gegaan),

- 1 doorschot door de rechterarm,

- 1 inschot in de romp (welke onder andere door het hartzakje en het hart is gegaan).

Daarbij is aangegeven dat de schotbanen door het hoofd en de linkerschouder mogelijk door één kogel zijn veroorzaakt, alsmede dat mogelijk is dat de schotbanen door de buik en de rechterarm door één kogel zijn ontstaan.

De conclusie in het rapport is dat het intreden van de dood wordt verklaard door massaal bloedverlies en orgaanschade opgelopen door schotletsels.

De dader

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte degene was die op [X] en [Y] heeft geschoten. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij werkzaam is in het café [café] en daar op 8 november 2009 aanwezig was op een feest. Voorts heeft hij verklaard dat hij rond 00:50u samen met [A] en [B] naar buiten is gegaan. Gedrieën hebben zij op de Pletterijkade een confrontatie gehad met [X] en [Y], waarbij hij [X] een duw heeft gegeven. Daarna is hij weggegaan. Terwijl hij terugliep naar het café hoorde hij dat er geschoten werd. Wie de schutter was, heeft hij niet gezien.15

De rechtbank acht deze verklaring voor wat betreft het laatste deel niet geloofwaardig en overweegt daartoe als volgt.

In het dossier bevinden zich foto´s die op voormeld feest zijn gemaakt. Verdachte komt daarop voor. Te zien is dat hij toen een pak droeg, waarvan de broek en het jasje van dezelfde bruinachtige kleur waren en dat hij daaronder een wit overhemd droeg zonder stropdas.16

[Y] heeft verklaard dat hij zag dat [X] op het raam klopte van [café] en dat de eigenaar van [café] riep dat hij er aan zou komen. Daarna kwam er echter eerst een forse kale man naar buiten. [Y] en [X] zijn, aldus [Y], weggelopen, waarna de eigenaar samen met de forse kale man en een andere man achter hen aan zijn gelopen. Er is vervolgens op de Pletterijkade een woordenwisseling tussen [X] en de eigenaar ontstaan. Voorts heeft [Y] verklaard dat hij zag dat de eigenaar iets uit zijn broek pakte, dit voorwerp doorlaadde en met gestrekte arm meerdere malen schoot. Daarop is [Y] weggerend en hij heeft gehoord dat de man schoot op het moment dat hij wegliep.17 Voorts heeft hij gezien dat de schutter het pistool toen op hem gericht hield.18 Het door [Y] gegeven signalement van de eigenaar/schutter luidde: een gladde kale man, 1.65-1.70m lang, grijs colbert met gelijkgekleurde pantalon en een wit overhemd zonder stropdas.19

[A] heeft verklaard dat hij buiten [café] aan het bellen was en dat hij vervolgens verdachte en [B] naar buiten zag komen. Hij is met hen de hoek om gegaan en daar sprak de verdachte twee Marokkaanse jongens aan. Volgens [A] is de verdachte gaan schreeuwen tegen die jongens waarna hij een pistool uit zijn kleding pakte, het wapen doorlaadde en op de jongens richtte. Vervolgens hoorde hij, aldus [A], dat de verdachte meermalen op hen schoot. Hij zag dat 1 van de jongens wegrende en dat verdachte ook nog in diens richting schoot. Na de schietpartij heeft de verdachte het wapen aan hem gegeven, aldus [A].20

[C] en [D] hebben verklaard dat zij samen met [E] getuige zijn geweest van de schietpartij en dat zij daaraan voorafgaand een gladde kale man hebben zien lopen in een groep van drie mannen, die twee jongens aan het volgen waren. 21 De kale man zou aan het schreeuwen zijn geweest naar de jongens en daarna een wapen hebben getrokken. Vervolgens zou deze kale man meerdere malen op de twee jongens hebben geschoten, waarbij er ook op één van die jongens werd geschoten toen hij wegrende. 22 De schutter werd door [C] omschreven als een man met gladgeschoren hoofd, ongeveer 1.60m lang die een effen lichtbruin pak droeg met een wit overhemd zonder stropdas. 23 [D] schatte de man ongeveer 1.80m en dacht dat hij van Turkse afkomst was. De man was helemaal kaal en gekleed in een bruine jas, van de lengte van een colbert en bruine broek.24 [E] heeft daarnaast als getuige verklaard dat hij een groepje mannen vanuit het café [café] aan zag komen lopen en dat hij zag dat bij dit groepje 2 kale mannen waren; één van deze mannen was groot en de andere was klein. Hij heeft gezien dat het latere slachtoffer de kleine kale man duwde, dat hierop een pistool tevoorschijn kwam, dat de kleine kale man ging schieten op die man en maar niet wilde ophouden. 25

Op de in het dossier aanwezige beelden, afkomstig van bewakingscamera’s ter plaatse, is te zien dat verdachte, [A] en [B] het café [café] omstreeks 00:50u verlaten. Zowel [A] als verdachte hebben een gladgeschoren hoofd en te zien is dat verdachte kleiner is dan [A].26

De rechtbank heeft geen enkele aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [D], [C] en [E]. Niet gebleken is dat zij enig belang hebben bij het afleggen van een verklaring als getuige en voorts verklaren zij op hoofdlijnen eensluidend. De beschrijving die zij geven van de schutter, zowel wat betreft het signalement als wat betreft de kleding, wijst duidelijk op verdachte. Deze verklaringen komen daarnaast overeen met en ondersteunen daarmee de verklaringen van [Y] en [A].

Het dossier bevat verder in het geheel geen aanwijzing dat er mogelijk door meerdere mensen is geschoten. Hierbij weegt in het bijzonder mee dat uit het hiervoor reeds genoemde rapport met betrekking tot het wapen en munitieonderzoek blijkt dat de op de plaats delict aangetroffen hulzen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten zijn met het op aanwijzingen van [A] gevonden pistool.27 De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is geweest van één schutter en dat verdachte die schutter is geweest. Dat vooralsnog niet duidelijk is wat zijn motief is geweest, doet daar niet af.

(Poging tot) moord en/of ( poging tot) doodslag

Voorts ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verdachte bij zijn handelen de opzet had op de dood van [X] en [Y]. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de verklaring van [Y] volgt dat de afstand tussen verdachte en [X] op het moment van de confrontatie ongeveer één tot twee meter bedroeg.28 Vaststaat dat verdachte meermalen gericht op [X] heeft geschoten waarbij [X] is geraakt in het hoofd, in vitale delen in het bovenlichaam en de buik. Aangenomen moet worden dat verdachte ook op het slachtoffer heeft geschoten op het moment dat hij reeds gewond op de grond lag, immers onder zijn lichaam werd een gedeformeerd projectiel aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat iemand die op deze wijze van dichtbij, meerdere malen, gericht op iemand anders schiet het opzet op het doden van die persoon heeft gehad.

Naar het oordeel van de rechtbank staat ook vast dat verdachte (meermalen) in de richting van [Y] heeft geschoten. [C], [D] en [A] verklaren allen dat zij dat gezien en gehoord hebben en ook [Y] zelf heeft dit verklaard. Dat verdachte toen ook daadwerkelijk meermalen heeft geschoten past voorts bij de bevindingen zoals die blijken uit het dossier. In het lichaam van [X] zijn immers slechts sporen gevonden van (maximaal) 6 schoten, terwijl er 8 hulzen zijn gevonden op de plaats delict. Dit bevestigt dat verdachte ook meermalen kán hebben geschoten in de richting van [Y]. Dat er geen inslagschoten zijn aangetroffen in de omgeving waar [Y] heeft gerend, doet daar niet aan af.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door aldus te schieten in de richting van [Y] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de dood van die [Y] zou kunnen veroorzaken.

Verder dient de rechtbank te beoordelen of sprake is geweest van voorbedachten rade en daarmee moord en poging tot moord. Onderzocht dient te worden of de verdachte de tijd heeft gehad om zich te beraden en of hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Vast staat dat verdachte voordat hij het pistool trok een korte woordenwisseling had met [X]. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte op dat moment al de opzet had om [X] en [Y] te vermoorden. De enkele omstandigheid dat verdachte op dat moment een wapen bij zich had, is daartoe onvoldoende. Het lijkt er veeleer op dat verdachte in een vlaag van woede, en waarschijnlijk onder invloed van alcohol, zijn wapen heeft getrokken, is gaan schieten en is blijven schieten tot het wapen leeg was. Enig moment van (mogelijke) bezinning lijkt zich daarbij niet te hebben voorgedaan.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande mitsdien wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met betrekking tot [X] heeft schuldig gemaakt aan doodslag. Met betrekking tot [Y] heeft hij zich schuldig gemaakt aan poging doodslag. Verder heeft hij het gebruikte vuurwapen en negen patronen voorhanden gehad.

3.4 De bewezenverklaring

1.

hij op 8 november 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen kogels afgevuurd op het lichaam van die [X], tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden

2.

hij op 8 november 2009 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Y] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen in de richting van die [Y] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

3.

hij op 8 november 2009 tot en met 10 november 2009 te 's-Gravenhage een wapen en munitie van categorie III, te weten

- een vuurwapen, te weten een (semi-automatisch) pistool (merk ‘[merk]’, kaliber 9 mm [....] en

- negen patronen (kaliber 9 mm [....]),

voorhanden heeft gehad

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen expliciet verweer gevoerd betreffende de strafmaat anders dan vrijspraak.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het gaat om bijzonder ernstige feiten. Verdachte heeft meerdere malen van zeer dichtbij geschoten op [X] en is zelfs op hem blijven schieten toen het slachtoffer al zwaar gewond op de grond lag. De laatste minuten in het leven van [X] moeten verschrikkelijk zijn geweest.

Verdachte heeft het hierbij niet gelaten. Hij heeft ook geschoten in de richting van [Y] die, vrezend voor zijn leven, was weggerend, daarbij noodzakelijkerwijs zijn vriend [X] achterlatend. Het is niet aan verdachte te danken dat niet ook [Y] het leven heeft gelaten. Waarschijnlijk was hij, al vluchtend, voor verdachte een te moeilijk doelwit om te raken. Verdachte heeft vervolgens zijn slachtoffer de rug toegekeerd en is rustig teruggelopen naar het café.

Verdachte heeft daarmee [X] zijn kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Voorts heeft hij ook onnoemelijk leed aan zijn familie en vrienden toegebracht, hetgeen heel treffend op de terechtzitting is verwoord door zijn zuster. Ook [Y] is voor het leven getekend door deze gebeurtenissen. Er is niet alleen op hem zelf geschoten maar hij heeft ook de laatste momenten van zijn vriend [X] moeten meemaken, momenten waarop [X] al niet meer aanspreekbaar was. Dergelijke delicten zijn voorts voor een ieder die ermee wordt geconfronteerd zeer schokkend en brengen gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Verdachte heeft tot aan de zitting van 10 mei 2010 geen verklaring omtrent de gebeurtenissen willen afleggen en hij heeft tijdens de zitting ontkend dat hij de schutter is geweest. Op zichzelf heeft hij daartoe het recht. Dit leidt er echter toe dat de rechtbank op geen enkele manier inzicht heeft kunnen krijgen in de (mogelijke) motieven die voor verdachte aanleiding zijn geweest om te handelen als hij heeft gedaan, noch in zijn geestesgesteldheid. De rechtbank heeft weliswaar acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 16 november 2009 betreffende verdachte, waaruit naar voren komt dat verdachte recentelijk niet is veroordeeld voor geweldsdelicten, maar onderhavige extreme reactie van verdachte tijdens de confrontatie met de slachtoffers baart grote zorgen. Nu aanknopingspunten die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden geheel ontbreken moet de rechtbank er immers vanuit gaan dat de bewezen verklaarde feiten geheel aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Gelet op de mate van agressie, de onverklaarbaarheid hiervan en de gevolgen van verdachtes handelen, is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur de enige passende reactie.

7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.500,00 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.500,00, subsidiair 35 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [Y].

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat, indien verdachte wordt veroordeeld, de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van de gevorderde schade.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

[Y], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.000,00.

De rechtbank acht de vordering voor zover deze betreft de psychische schade wegens het zien neerschieten en sterven van [X] niet toewijsbaar, nu er geen verklaring van een psycholoog is overgelegd die deze shockschade voldoende aannemelijk maakt. Voorts kan de rechtbank niet vaststellen in hoeverre en welk deel van het gevordere bedrag op deze schade ziet.

Voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden tengevolge van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht in dit verband de vordering tot een bedrag van € 1.000,00 naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen. De rechtbank zal derhalve de vordering tot dit bedrag toewijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.000,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [Y].

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1 tot en met 13 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer en dat het onder 14 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de verdachte.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het onder 14 genummerde voorwerp, de Nokia telefoon, terug dient te worden gegeven aan verdachte.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 tot en met 13 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Voorts zal de rechtbank de teruggave, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, aan verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 14 genummerde voorwerp.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

doodslag

ten aanzien van feit 2 primair:

poging tot doodslag

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zestien (16) jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [Y], een bedrag van € 1.000,00;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [Y];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 tot en met 13 genummerde voorwerpen, te weten:

#1: 1 projectiel,

#2: 1 kogelfragment,

#3 t/m 8, 10 en 11: 8 stuks hulzen Luger 9mm,

#9: 1 patroon Luger 9mm,

#12: 1 kogelpunt 9mm,

#13: 1 pistool, [merk] 26, 9x19 met lege patroonhouder;

gelast de teruggave aan verdachte van het op de beslaglijst onder 14 genummerde voorwerp, te weten:

#14: telefoontoestel, Nokia 1662, type RH-122;

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mrs M. Knijff en A. Teerds, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2010.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt –tenzij anders vermeld– bedoeld de bundels ambtsedige processen-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, 1509/2009/3578 (onderzoek 15TGO 09140/ GADOLINIUM onderzoek)

2 Proces-verbaal van voorgeleiding, Algemeen Dossier 0/opv, pg. 2

3 Bijlage AH behorend bij Algemeen Dossier 0/opv, proces-verbaal van bevindingen pv nummer PL 1514/2009/57137-9, 0/opv/AH/2 en AH/3

4 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek Pv nummer PL 15j2/2009/3578-74,Eerste dossier Forensisch onderzoek TGO Gadolinium, pg. 44 en 69 (foto)

5 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, Eerste dossier Forensisch onderzoek TGO Gadolinium, pg. 48; Aanvraag onderzoek Nederlands Forensisch Instituut, Eerste dossier Forensisch onderzoek TGO Gadolinium, pg. 177

6 Verhoor verdachte [A], 15 november 2009, Verdachte dossier [dossier]79-1, pg. 34

7 Proces-verbaal van bevindingen locatie weggooien vuurwapen , Algemeen Dossier 3/opv, 3/opv/AH/108-109

8 Proces-verbaal van bevindingen Pv nummer PL 15j2/2009/3578-71, Eerste dossier Forensisch onderzoek TGO Gadolinium, pg.200

9 Proces-verbaal, Algemeen dossier 4/opv, pg. 4/opv/AH/220

10 Proces-verbaal, 1509/2009/3578 onderzoeksnaam Gadolinium, d.d. 16 februari 2010, pg. 1

11 Deskundigenrapport: Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 23 december 2009, Eerste dossier Forensisch onderzoek TGO Gadolinium, pg. 226 t/m 230

12 Zie noot 11, pg. 228

13 Zie noot 11 pg, 230

14 Deskundigenrapport inzake Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 1 december 2009, afkomstig van Dr R. Visser, arts en patholoog, pg 3 en 4

15 Verklaring van verdachte ter terechtzitting, d.d. 10 mei 2010

16 Foto’s, Algemeen dossier 0/opv, p. 0/opv/D/11,16, 17, 22 en 23

17 Proces-verbaal verhoor getuige Pv nummer 1514/2009/57137-7, Algemeen dossier 0/opv, pg. 0/opv/G/9

18 zie noot 22 pg. 0/opv/G/11

19 zie noot 22, pg. 0/opv/G/10

20 Proces-verbaal verhoor verdachte [A], Verdachte dossier [dossier]79-2, pg .58 en 59

21 Proces-verbaal verhoor verdachte [C], Verdachte dossier [dossier]89, pg. 19

22 Proces-verbaal verhoor verdachte [C], Verdachte dossier [dossier]89, pg. 20; Proces-verbaal verhoor verdachte [D], Verdachte dossier [dossier]83, pg 18; Proces-verbaal verhoor getuige [C] in het kader van de uitvoering van het rechtshulpverzoek van 23 maart 2010 d.d. 3 mei 2010 te Boedapest, pg.6

23 Proces-verbaal verhoor verdachte [C], Verdachte dossier [dossier]89, pg. 20

24 Proces-verhoor verdachte [D], Algemeen Dossier 0/0pv, pg 0/opv/9/48

25 Proces-verbaal verhoor getuige [E], d.d. 7 mei 2010, pg. 2 en 3 van 9 van dat proces-verbaal

26 Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden (GMC), Algemeen Dossier 4/opv, pg 4/0-v/AH/150 (print 4) en 151 (print 5)

27 Zie noot 11

28 Proces-verbaal verhoor getuige, Algemeen dossier 0/opv, p. 0/opv/G/10;