Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM5291

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
358760 - FA RK 10-1028
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot teruggeleiding naar Duitsland.

De vader heeft zijn minderjarige kinderen vanuit Duitsland naar de grootmoeder in Nederland gebracht, waarbij werd afgesproken dat hij de minderjarigen op 20 april 2009 zou komen of laten ophalen bij de grootmoeder. De rechtbank stelt vast dat er geen afspraak was met of verplichting van de grootmoeder die inhield dat zij de minderjarigen bij de vader in Duitsland diende terug te brengen. Op 25 mei 2009 is door de rechtbank Rotterdam de voorlopige voogdij over de minderjarigen uitgesproken.

De feiten en omstandigheden in onderhavige zaak zijn onvoldoende om te concluderen dat er feitelijk sprake is geweest van achterhouding als bedoeld in artikel 3 van het HKOV. De vader heeft immers in de periode tussen 20 april en 25 mei 2009 geen, althans onvoldoende, handelingen verricht ter uitvoering van zijn voornemen om de minderjarigen daadwerkelijk bij de grootmoeder op te halen. Evenmin heeft de vader de minderjarigen door een derde laten ophalen.

Verzoek tot teruggeleiding wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 10-1028

Zaaknummer: 358760

Datum beschikking: 20 mei 2010

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 4 februari 2010 ingekomen verzoek van:

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, thans geheten de directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken van het directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties, afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), gevestigd te 's-Gravenhage,

verder te noemen: de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[de man],

de vader,

wonende te [plaats A], Duitsland.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

Bureau Jeugdzorg,

Stadsregio Rotterdam, locatie West-Blaak,

hierna te noemen: BJZ,

advocaat: mr. A.C. Seventer te Rotterdam,

en

[naam grootmoeder],

de grootmoeder,

wonende op een geheim adres in Nederland,

zonder advocaat.

Procedure

Van de zijde van de vader is op 13 juli 2009 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de minderjarigen [A], [B] en [E] naar Duitsland. Op 4 februari 2010 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank Rotterdam ingediend.

Bij beschikking d.d. 4 februari 2010 heeft de rechtbank Rotterdam zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen en op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoering d.d. 4 februari 2009 van de Raad voor de Rechtspraak, bepaald dat de behandeling van de zaak plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift van BJZ;

- de brief d.d. 23 februari 2010 van de rechtbank Rotterdam met als bijlage de brief d.d. 4 februari van de Centrale Autoriteit;

- de brief d.d. 12 februari 2010 met bijlage van de Centrale Autoriteit;

- de brief d.d. 10 maart 2010 met bijlage van de Centrale Autoriteit;

- het faxbericht d.d. 10 maart 2010 met bijlagen van de Centrale Autoriteit;

- de brief d.d. 11 maart 2010 met bijlage van de Centrale Autoriteit;

- het faxbericht d.d. 14 april 2010 met bijlage van de Centrale Autoriteit.

De vader en BJZ hebben vóór de behandeling ter terechtzitting getracht door middel van mediation tot een minnelijke regeling te komen. De rechtbank heeft van de Centrale Autoriteit bij brief d.d. 11 maart 2010 een vaststellingsovereenkomst ontvangen, opgesteld door het Mediation Bureau, onderdeel van het Centrum Internationale Kinderontvoering, waarin de vader en BJZ overeenstemming hebben bereikt over de verblijfplaats van de minderjarigen [A] en [B]. Ten aanzien van de minderjarige [E] hebben partijen geen overeenstemming bereikt.

Op 19 april 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank in de meervoudige kamer behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. J.A. Krab;

- de vader;

- BJZ in de persoon van mevrouw S. Otten en mevrouw C. Ramos met hun advocaat mr. A.C. Seventer;

- de grootmoeder, bijgestaan door een tolk de heer N. Rasic;

- mevrouw E.K.M. Bakker en mevrouw I. Simons namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

De minderjarige [E] heeft in raadkamer op 19 april 2010 haar mening kenbaar gemaakt.

Na de terechtzitting zijn op verzoek van de rechtbank ingekomen de volgende stukken:

- het faxbericht d.d. 22 april 2010 met bijlage van de raad;

- het faxbericht d.d. 26 april 2010 met bijlagen van de Centrale Autoriteit.

Verzoek en verweer

De Centrale Autoriteit heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de hierboven genoemde Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarigen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij BJZ dan wel de grootmoeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Duitsland dan wel, indien zij nalaten hen terug te brengen, te bepalen op welke datum de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader worden afgegeven, zodat de vader hen zelf mee terug kan nemen naar Duitsland.

Ter terechtzitting van 19 april 2010 heeft de Centrale Autoriteit in verband met de deels bereikte overeenstemming het verzoek ten aanzien van de minderjarigen [A] en [B] ingetrokken zodat het verzoek thans uitsluitend betrekking heeft op de minderjarige [E].

BJZ heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt van het volgende uitgegaan.

De vader is gehuwd geweest met wijlen [naam moeder], de moeder van de minderjarigen. Het huwelijk is door overlijden van de moeder ontbonden op [datum] 2007 te [plaats B].

Uit het huwelijk zijn geboren de volgende minderjarigen:

- [A], geboren op [geboortedatum] 1994 te [plaats B];

- [B], geboren op [geboortedatum] 1995 te [plaats B];

- [C], geboren op [geboortedatum] 1997 te [plaats B];

- [D], geboren op [geboortedatum] 1999 te [plaats B];

- [E], geboren op [geboortedatum] 2000 te [plaats C].

De minderjarigen hebben tot het overlijden van de moeder samen met hun ouders in Nederland gewoond. Na het overlijden van de moeder is de vader in september 2007 met de minderjarigen naar Duitsland vertrokken.

Op 2 april 2009 heeft de vader de minderjarigen naar grootmoeder in Nederland gebracht. De minderjarigen [C] en [D] zijn in de zomer 2009 teruggekeerd naar Duitsland en verblijven inmiddels weer bij de vader. De overige minderjarigen verblijven thans nog bij de grootmoeder in Nederland.

Bij beschikking van 25 mei 2009 van de rechtbank Rotterdam is BJZ belast met de voorlopige voogdij over de minderjarigen.

Bij beschikking van 15 oktober 2009 van de rechtbank Rotterdam is de vader geschorst in de uitoefening van het gezag over de minderjarigen zolang de omstandigheid zich voordoet waardoor hij het ouderlijk gezag niet kan uitoefenen. Voorts is BJZ voor de periode dat het ouderlijk gezag geschorst zal zijn, benoemd als tijdelijk voogd over de minderjarigen.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Bevoegdheid

De Centrale Autoriteit heeft het verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Zowel Nederland als Duitsland zijn partij bij het Verdrag.

Ingevolge artikel 11 lid 1a van de Uitvoeringswet bij het Verdrag is de kinderrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied het kind zijn werkelijke verblijfplaats heeft, bevoegd tot kennisneming van alle zaken met betrekking tot de toepassing van - onder meer - het Verdrag.

Nu de minderjarige haar werkelijke verblijfplaats in het arrondissement Rotterdam heeft, is de rechtbank Rotterdam bevoegd om van het verzoek van de Centrale Autoriteit kennis te nemen. De behandeling van de zaak vindt plaats in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

Inhoudelijke beoordeling

Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende Staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging ingevolge artikel 3 van het Verdrag

Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Verdrag is er sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde achterhouding, wanneer:

a) de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en

b) dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

De rechtbank dient allereerst vast te stellen of er sprake is van achterhouding van de minderjarige en zo ja, of deze ongeoorloofd was.

De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval geen sprake is van een afspraak met of verplichting van de grootmoeder die inhield dat zij de minderjarigen bij de vader in Duitsland diende terug te brengen. De vader heeft de minderjarigen op 2 april 2009 naar de grootmoeder in Nederland gebracht, waarbij werd afgesproken dat hij de minderjarigen op 20 april 2009 zou komen of laten ophalen bij de grootmoeder.

Op 20 april 2009 heeft de vader de grootmoeder gebeld met de vraag of de minderjarigen langer bij haar konden verblijven. Uit de door de raad overgelegde gegevens blijkt dat de vader in de week vóór 13 mei 2009 heeft gesproken met de minderjarige [A] en daarbij heeft aangegeven dat hij de minderjarigen de week daarna zou komen halen. In dat gesprek heeft [minderjarige A] dan wel hebben de minderjarigen daartegen geprotesteerd.

Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij omstreeks 17 mei 2009 telefonisch gesproken heeft met de grootmoeder en dat er daarbij ruzie tussen beiden ontstond. Volgens de vader dreigde de grootmoeder in dat gesprek dat zij de politie zou inschakelen als hij de minderjarigen zou komen ophalen. De vader had naar eigen zeggen nog boetes uitstaan in Nederland. Uit de door de raad overgelegde gegevens blijkt voorts dat er rond die datum een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de vader en de minderjarige [A], waarbij de vader (wederom) zei dat hij de minderjarigen zou komen ophalen.

Uit het één en ander blijkt dat de vader zich kennelijk in de periode tussen begin mei en 25 mei 2009 door de gesprekken met en/of mededelingen van minderjarige(n) en de grootmoeder, ervan heeft laten weerhouden om de minderjarigen daadwerkelijk op te halen, althans om andere, hem moverende redenen daar vanaf heeft gezien. Gesteld noch gebleken is dat hij in de periode tussen 20 april en 25 mei 2009 op enigerlei wijze daadwerkelijk uitvoering heeft gegeven aan zijn wens om de minderjarigen weer bij zich te hebben, bijvoorbeeld door zelf naar Nederland te komen of iemand anders namens hem de minderjarigen te laten op halen, contact op te nemen met de plaatselijke instanties, zoals de politie te Rotterdam, het AMK of de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank is van oordeel dat de voormelde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om te concluderen dat er feitelijk sprake is geweest van achterhouding door de grootmoeder of BJZ. De vader heeft immers in de periode tussen 20 april en 25 mei 2009 geen enkele handeling verricht ter uitvoering van zijn voornemen om de minderjarigen daadwerkelijk op te halen. De aangifte die de vader op 24 mei 2009 bij de Duitse autoriteiten heeft gedaan terzake de achterhouding is daartoe niet voldoende. Deze aangifte was immers op dat moment niet bekend bij de grootmoeder. Ook op die datum was er dus geen sprake van achterhouding door de grootmoeder.

Op 25 mei 2009 is door de kinderrechter te Rotterdam de voorlopige voogdij over de minderjarigen uitgesproken. Voor zover er na die datum wel sprake is geweest van een achterhouding, is deze niet ongeoorloofd omdat er op dat moment een juridische basis aanwezig was voor het verblijf van de minderjarigen bij de grootmoeder in Nederland. Voor zover de vader bedoelt te stellen dat de achterhouding gelegen is in de dreigementen die volgens hem door de grootmoeder zijn geuit in het/de gesprek(ken) tussen beiden in mei 2009, kan de rechtbank de vader daarin niet volgen. Het dreigement bestond immers - zo stelt de vader - in het melden bij de politie in combinatie met de openstaande boetes van de vader in Nederland. Dit laat echter onverlet dat de vader de minderjarigen door een derde zou kunnen hebben laten ophalen. Dat geldt te meer nu uit de brief van de Duitse Centrale Autoriteit aan de Nederlandse Centrale Autoriteit d.d. 10 juli 2009 blijkt dat op 26 juni 2009 de minderjarigen [C] en [D] wél door zijn broer zijn opgehaald bij de grootmoeder. Het door de Centrale Autoriteit na de zitting overgelegde Europese arrestatiebevel is in dezen niet relevant, nu dit dateert van 21 januari 2010 en dus niet in de weg heeft kunnen staan aan het (laten) ophalen van de minderjarigen bij de grootmoeder in de periode tot 25 mei 2009.

De conclusie luidt dat, gelet op voormelde feiten en omstandigheden, geen sprake is van een (ongeoorloofde) achterhouding van de minderjarige door de grootmoeder en/of BJZ. Het verzoek van de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van de minderjarige [E] naar Duitsland dient daarom te worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige:

[E], geboren op [geboortedatum] 2000 te [plaats C],

naar Duitsland.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, en B. Meijer, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M.H. Lamers als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2010.

Van deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet verdragen internationale ontvoering van kinderen) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.