Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM4430

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-05-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
AWB 10/7331
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen / alsnog op aanvraag beslist / doorzendplicht

Verweerder heeft bij besluit van 29 maart 2010 het verzoek tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier alsnog afgewezen. Tegen deze beslissing kan eiser bezwaar maken.

Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep van eiser van 24 februari 2010 tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, nu dit besluit niet aan het beroep tegemoetkomt.

De rechtbank verwijst het beroep, voor zover dit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb door naar verweerder ter behandeling als bezwaar.

Nu verweerder alsnog een besluit heeft genomen, is het procesbelang aan de onderhavige procedure komen te ontvallen. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag voor opvang niet-ontvankelijk verklaren.

Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling dan wel vergoeding van griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: AWB 10/7331

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Bengaalse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman,

tegen:

de Ministerie van Justitie,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 24 februari 2010 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op de aanvraag van 7 augustus 2008 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Overwegingen

Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Staatsblad 2009,383) in werking getreden. Afdeling 8.2.4A van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt deel uit van deze wetswijziging. Ingevolge artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen blijft op een bezwaar- of beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat is ingediend voor het tijdstip waarop afdeling 8.2.4A van toepassing is geworden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing. Nu het beroepschrift is ingediend op 19 november 2009, is het recht over het niet tijdig beslissen van toepassing zoals dat geldt vanaf 1 oktober 2009.

Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

De rechtbank doet, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

In artikel 4:13, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zo'n termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. In het tweede lid is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

Ingevolge artikel 4:14, derde lid, van de Awb deelt het bestuursorgaan, indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dit binnen deze termijn aan de aanvrager mee en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Gelet op het voorgaande is de termijn waarbinnen verweerder had moeten beslissen op de aanvraag van eiser van 7 augustus 2008 ruimschoots overschreden.

Verweerder heeft bij besluit van 29 maart 2010 het verzoek tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier alsnog afgewezen. Tegen deze beslissing kan eiser bezwaar maken.

Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep van eiser van 24 februari 2010 tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, nu dit besluit niet aan het beroep tegemoetkomt.

De rechtbank verwijst het beroep, voor zover dit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb door naar verweerder ter behandeling als bezwaar.

Nu verweerder alsnog een besluit heeft genomen, is het procesbelang aan de onderhavige procedure komen te ontvallen. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag voor opvang niet-ontvankelijk verklaren.

Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling dan wel vergoeding van griffierecht.

Eiser heeft in beroep betoogd dat verweerder niet binnen de daarvoor bestemde termijn heeft beslist op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank met eiser van oordeel dat de beslistermijn is overschreden.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 109,25 (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 0,25).

Ingevolge artikel 8:41, vierde lid, Awb dient het door eiser betaalde griffierecht te worden vergoed door verweerder.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 109,25 die deze kosten aan eiser moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, rechter en op in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van I. Broekhuizen, griffier.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.

Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.