Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM4240

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
09-754160-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich met anderen gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan zowel mensensmokkel als mensenhandel door voornamelijk illegale Indiërs in Nederland van huisvesting tegen betaling van een onredelijke huurprijs en werk tegen minimale inkomsten te voorzien, alsmede geldoverboekingen voor deze illegale vreemdelingen tegen provisie mogelijk te maken. Door mensensmokkel wordt niet alleen het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland doorkruist, maar wordt ook bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit, waardoor het sociaal overheidsbeleid wordt of kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd. Door zich schuldig te maken aan mensenhandel heeft verdachte doelbewust zijn slachtoffers uitgebuit. Bovendien heeft verdachte hierbij ook nog eens misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van de illegale vreemdelingen door hen te bedreigen, te mishandelen en te chanteren, opdat zij (naast de huur die zij reeds betaalden) geld en goederen aan hem zouden afstaan. Hiermee heeft verdachte zich op ongunstige wijze onderscheiden van zijn medeverdachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/754160-07

Datum uitspraak: 12 mei 2010

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] (India) op [geboortedatum] 1962,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 10 april 2008, 17 april 2008, 7 juli 2008, 14 juli 2008, 26 april 2010, 27 april 2010 en 28 april 2010.

De verdachte is ter terechtzitting van 10 april 2008, 17 april 2008, 7 juli 2008 en 14 juli 2008 telkens verschenen en gehoord. Ter terechtzitting van 26 april 2010, 27 april 2010 en 28 april 2010 is verdachte niet verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting van 26 april 2010 en 27 april 2010 aanwezig geweest mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te 's Gravenhage. De raadsman heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De officier van justitie mr. M.R.B. Mos heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit voor zover dat buiten Nederland zou zijn gepleegd en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit voor zover dat buiten Nederland zou zijn gepleegd (telkens partieel) wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van de hem bij dagvaarding onder 1 (voor het overige), 2 (voor het overige) en 3 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat ten aanzien van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (verder beslaglijst te noemen) genoemde voorwerpen de navolgende beslissende zullen worden genomen:

ten aanzien van hier niet nader aangeduide schriftelijke bescheiden op andere dan verdachtes naam: verbeurdverklaring;

ten aanzien van de Nederlandse identiteitskaart op naam van [naam 1] en NS-stamkaart: onttrekking aan het verkeer;

ten aanzien van de paspoorten: teruggave aan de uitgevende instantie;

ten aanzien van de twee mobiele telefoons en het papier op naam van [naam 2]: bewaring ten behoeve van de rechthebbende.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [F] in zijn vordering tot schadevergoeding.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – dat:

Feit 1:

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 14 januari 2008 te Hyderabad en/of Madras, in elk geval in India en/of ’s-Gravenhage, althans in Nederland en/of België en/of Frankrijk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L] en/of één of meer anderen (van Indiaase/buitenlandse afkomst), (uit winstbejag) behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van

- toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad en/of

- verblijf in Nederland,

danwel hem/hen daartoe gelegenheid en/of middelen heeft/hebben verschaft, immers heeft/hebben hij en/of één of meer van zijn mededader(s) (voor/aan) voornoemd(e) perso(o)n(en)

- de reis van India naar Nederland geregeld en/of

- naar Nederland vervoerd en/of laten vervoeren en/of

- (vervolgens) de reis van Nederland naar Engeland en/of Frankrijk en/of België en/of (een) andere sta(a)t(en) zoals voornoemd geregeld en/of

- (daarbij) (een) (ver)vals(t) paspoort(en) geregeld en/of gegeven en/of

- (daarbij) voornoemde perso(o)n(en) aanwijzingen en/of instructies gegeven en/of

- woonruimte verschaft en/of

- arbeid laten verrichten en/of

- bemiddeld bij het verkrijgen van werk en/of loon en/of

- geld betaald aan familieleden van voornoemd(e) perso(o)n(en) in India,

terwijl hij/zij wist(en), danwel ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang, die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was en terwijl hij/zij hiervan een beroep of gewoonte van heeft/hebben gemaakt;

Artikel 197a lid 1 Wetboek van Strafrecht

Artikel 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht

Artikel 197a lid 4 Wetboek van Strafrecht

Feit 2:

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot 1 september 2006 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, en/of Frankrijk en/of België

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L] en/of één of meer anderen (van Indiaase/buitenlandse afkomst), door dwang, door een of meer feitelijkheden, door dreiging met een of meer feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die ander(en), bestaande die/dat dwang, feitelijkheden, misleiding en/of misbruik hieruit dat hij verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) (telkens) (voor/aan/van/bij) voornoemde perso(o)n(en), die allen illegaal in Nederland verbleven en/of die grote bedragen hebben betaald en/of schulden hebben gemaakt om naar Nederland te reizen

- de reis van India naar Nederland heeft/hebben geregeld en/of

- naar Nederland heeft/hebben vervoerd en/of laten vervoeren en/of

- (daarbij) (een) (ver)vals(t) paspoort(en) heeft/hebben geregeld en/of gegeven en/of

- de verblijfspapieren onder zich heeft/hebben gehouden en/of

- onderdak heeft/hebben verschaft en/of verzorgd (in een huis waar hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ook verble(ef)(ven)) en/of

- arbeid heeft/hebben laten verrichten en/of

- heeft/hebben bemiddeld bij het verkrijgen van werk en/of

- heeft/hebben gezegd dat hij/zij geld voor familie van voornoemde perso(o)n(en) moesten overmaken via verdachte en/of zijn mededader(s) (en/of waarbij over dat geld een percentage werd berekend door verdachte en/of zijn mededader(s)) en/of

- geld heeft/hebben betaald aan familieleden van voornoemd(e) perso(o)n(en) in India en/of

- heeft/hebben gedreigd aan te geven bij de politie omdat hij/zij illegaal in Nederland verble(ef)(ven) en/of

- (onder dreiging voornoemde perso(o)n(en) bij de politie aan te geven omdat hij/zij illegaal in Nederland verble(ef)(ven)) geld en/of spullen heeft/hebben laten afdragen en/of

- spullen heeft/hebben afgepakt en/of kapot gemaakt en/of eten heeft/hebben weggegooid en/of

- heeft/hebben mishandeld en/of

- heeft/hebben uitgescholden en/of

- het beeld heeft/hebben gewekt dat verdachte en/of zijn mededader(s) en/of zijn/hun familie in India contacten had/hebben met gevaarlijke criminelen en/of wraak zou(den) nemen op voornoemde perso(o)n(en) indien hij/zij problemen zouden maken;

Artikel 273a lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot 1 september 2006 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L] en/of één of meer anderen (van Indiaase/buitenlandse afkomst), immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal (van) voornoemde perso(o)n(en) huur ontvangen en/of (een) geldbedrag(en) ontvangen en/of tegen geringe vergoeding arbeid laten verrichten en/of bij het overmaken van geld aan familie in India via verdachte en/of zijn mededader(s) provisie ontvangen;

Artikel 273a lid 1 ahf/sub 6° Wetboek van Strafrecht Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 14 januari 2008 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, en/of Frankrijk en/of België

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L] en/of één of meer anderen (van Indiaase/buitenlandse afkomst), door dwang, door een of meer feitelijkheden, door dreiging met een of meer feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die ander(en), bestaande die/dat dwang, feitelijkheden, misleiding en/of misbruik hieruit dat hij verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) (telkens) (voor/aan/van/bij) voornoemde perso(o)n(en), die allen illegaal in Nederland verbleven en/of die grote bedragen hebben betaald en/of schulden hebben gemaakt om naar Nederland te reizen

- de reis van India naar Nederland heeft/hebben geregeld en/of

- naar Nederland heeft/hebben vervoerd en/of laten vervoeren en/of

- (daarbij) (een) (ver)vals(t) paspoort(en) heeft/hebben geregeld en/of gegeven en/of

- de verblijfspapieren onder zich heeft/hebben gehouden en/of

- onderdak heeft/hebben verschaft en/of verzorgd (in een huis waar hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ook verble(ef)(ven)) en/of

- arbeid heeft/hebben laten verrichten en/of

- heeft/hebben bemiddeld bij het verkrijgen van werk en/of

- heeft/hebben gezegd dat hij/zij geld voor familie van voornoemde perso(o)n(en) moesten overmaken via verdachte en/of zijn mededader(s) (en/of waarbij over dat geld een percentage werd berekend door verdachte en/of zijn mededader(s)) en/of

- geld heeft/hebben betaald aan familieleden van voornoemd(e) perso(o)n(en) in India en/of

- heeft/hebben gedreigd aan te geven bij de politie omdat hij/zij illegaal in Nederland verble(ef)(ven) en/of

- (onder dreiging voornoemde perso(o)n(en) bij de politie aan te geven omdat hij/zij illegaal in Nederland verble(ef)(ven)) geld en/of spullen heeft/hebben laten afdragen en/of

- spullen heeft/hebben afgepakt en/of kapot gemaakt en/of eten heeft/hebben weggegooid en/of

- heeft/hebben mishandeld en/of

- heeft/hebben uitgescholden en/of

- het beeld heeft/hebben gewekt dat verdachte en/of zijn mededader(s) en/of zijn/hun familie in India contacten had/hebben met gevaarlijke criminelen en/of wraak zou(den) nemen op voornoemde perso(o)n(en) indien hij/zij problemen zouden maken;

art 273f lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 14 januari 2008 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L] en/of één of meer anderen (van Indiaase/buitenlandse afkomst), immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal (van) voornoemde perso(o)n(en) huur ontvangen en/of (een) geldbedrag(en) ontvangen en/of tegen geringe vergoeding arbeid laten verrichten en/of bij het overmaken van geld aan familie in India via verdachte en/of zijn mededader(s) provisie ontvangen;

Artikel 273a lid 1 ahf/sub 6° Wetboek van Strafrecht Wetboek van Strafrecht

Feit 3:

hij op of omstreeks 14 januari 2008 te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, in het bezit was van een reisdocument, te weten een Nederlandse Identiteitskaart (nummer [nummer], op naam van [naam 1]), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat de lay-out en/of het lettertype en/of de pasfoto en/of de tactiele elementen afwijken en/of ontbreken;

art 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting – verklaringen van [getuige 1]

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de verklaringen van [getuige 1] niet betrouwbaar moeten worden geacht en derhalve niet voor het bewijs dienen te worden gebezigd.

De rechtbank is van oordeel dat de getuige [getuige 1] op hoofdlijnen consistent heeft verklaard, dat zijn verklaringen grotendeels worden ondersteund door verklaringen van andere getuigen en op onderdelen ook door de verklaringen van de (mede)verdachte(n). De rechtbank verwerpt het verweer dan ook en zal de verklaringen van [getuige 1] bezigen voor het bewijs.

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting – verklaringen getuigen [getuige 2 = D], [getuige 3] en [getuige 4]

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van deze getuigen niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, nu de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad hen te ondervragen.

Ook dit verweer verwerpt de rechtbank. De rechtbank zal de verklaringen van [D], [getuige 3] en [getuige 4] wel voor bewijs bezigen, nu deze in voldoende mate steun vinden in verklaringen van getuigen die wel door de verdediging konden worden ondervraagd en de bewezenverklaring voorts niet in overwegende mate steunt op die verklaringen.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met – onder meer – medeverdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] een samenwerkingsverband vormde, waarin de hieronder nader te benoemen bewezen verklaarde gedragingen plaatsvonden. De illegale vreemdelingen werden immers gehuisvest, waarvoor zij huur betaalden. Zij verkregen die huisvesting via het netwerk van verdachte en zijn medeverdachten. Voorts werkten zij via dat netwerk voor minimale lonen en bovendien hadden zij hun paspoorten ingeleverd bij verdachte en/of zijn medeverdachten [verdachte 3] en [verdachte 2], waardoor zij, naast de afhankelijke positie die reeds was ontstaan vanwege de illegale status van hun verblijf in Nederland, nog meer afhankelijk werden van het netwerk dat verdachte en zijn medeverdachten boden.

Dat gesproken kan worden van een crimineel netwerk blijkt niet alleen uit de verklaringen van diverse getuigen, die het samenwerkingsverband van verdachte met – onder meer – medeverdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] als zodanig duidden, maar tevens uit het feit dat zowel in de door medeverdachte [verdachte 2] bewoonde woning aan [straat 1], als in de door verdachte bewoonde woning aan de [straat 2] als in de door medeverdachte [verdachte 3] bewoonde woning aan de [straat 3] (kopieën van) paspoorten, bankpassen en/of andere schriftelijke bescheiden op naam van anderen dan de hiervoor genoemde verdachten zijn gevonden, die (telkens) betrekking op elkaar hebben danwel verband met elkaar houden. Het betrof hier veelal bescheiden van vreemdelingen afkomstig uit [geboorteplaats] (India) die gehuisvest zijn geweest in de panden aan de [straat 2] of de [straat 4] en/of werkzaam zijn geweest via verdachte en/of voornoemde medeverdachten.

Verweren met betrekking tot uitbuiting (feit 2: mensenhandel) / winstbejag (feit 1: mensensmokkel)

De verdediging heeft aangevoerd dat, kort gezegd, de illegalen vrijwillig naar Nederland zijn gekomen en niet het gevoel hebben (gehad) dat zij uitgebuit zijn. Daarbij zou verdachte, indien hij al betrokken zou zijn bij de huisvesting in zijn woning van illegalen (wat verdachte ontkent), de illegalen niet uit winstbejag hebben gehuisvest. Er zouden redelijke vergoedingen zijn gevraagd voor de verleende diensten (zoals onderdak en eten). Er zou geen doelbewust misbruik zijn gemaakt van de zwakkere of kwetsbare positie van de betrokkenen, kortom, er zou geen sprake zijn van een uitbuitingssituatie.

De rechtbank merkt ten aanzien van de ten laste gelegde mensenhandel allereerst het volgende op.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 oktober 2009 (LJN BI7099) bepaald dat voor het bewijs van “misbruik” toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van de betrokkene.

Ook heeft de Hoge Raad in dat arrest in het bijzonder overwogen dat het niet een zelfstandig vereiste is dat het initiatief van de verdachte is uitgegaan en evenmin dat het slachtoffer door de verdachte in een uitbuitingssituatie – dat wil zeggen een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep – is gebracht.

De verdachte dient echter wel te hebben gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. Dit betekent dat ten aanzien van het doel van het feitelijk handelen – de uitbuiting – een ander, zwaarder opzetvereiste geldt. Bij beantwoording van de vraag of met dit oogmerk is gehandeld komt onder meer betekenis toe aan de (arbeids)omstandigheden van de betrokkene, alsook aan het economische voordeel voor degene die misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie of de afhankelijkheidsrelatie.

Tevens dienen bij de weging van de relevante factoren de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Reeds daaruit volgt dat bij de vraag of van uitbuiting sprake is geen doorslaggevende betekenis toekomt aan de subjectieve beleving van de betrokkene. Dit geldt temeer in het geval van illegaal in Nederland verblijvende personen uit ontwikkelingslanden, nu deze vóór hun vertrek uit het thuisland vaak in dezelfde erbarmelijke dan wel nog slechtere omstandigheden verkeerden dan bij aankomst in Nederland, waardoor zij de uitbuitingssituatie minder snel als zodanig zullen herkennen dan wel ervaren.

Voorts merkt de rechtbank ten aanzien van de mensensmokkel het volgende op.

Er is reeds sprake van winstbejag in de zin van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht, zodra een handeling is gericht op verrijking, zonder dat vereist is dat daadwerkelijk van verrijking sprake is.

Dit betekent dat zodra handelingen zijn verricht die (in overwegende mate) zijn gericht op geldelijk gewin gesproken kan worden van handelen uit winstbejag.

De rechtbank zal in het navolgende toelichten of en, zo ja, in hoeverre er sprake is geweest van uitbuiting en/of winstbejag.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat de enkele illegale status van de betrokken vreemdelingen reeds met zich brengt dat zij in Nederland in een kwetsbare positie verkeerden. Zij mochten immers niet in dit land verblijven, laat staan arbeid verrichten, zodat zij waren aangewezen op het illegale circuit. Daar komt bij dat alle betrokken illegalen hebben verklaard dat zij en/of hun familie grote schulden hebben moeten maken om hun reis naar Nederland te kunnen betalen. Die reis werd ondernomen in de hoop die schulden middels hier verkregen werk zo snel mogelijk te kunnen afbetalen, alsook voor zichzelf en/of hun families een (financieel) betere toekomst te kunnen opbouwen. Voor deze illegalen was er dus veel aan gelegen hun verblijf in Nederland te doen slagen.

Verder geldt dat een aantal getuigen heeft verklaard reeds door hun reisagent in India te zijn verwezen naar verdachte en/of zijn medeverdachten, die – gelijk veel van de betrokken illegalen – uit [geboorteplaats] komen. Anderen zijn direct na hun aankomst in Nederland, op zoek naar werk en huisvesting, met verdachte en/of zijn medeverdachten in contact gekomen. Het kan niet anders zijn dan dat de illegale vreemdelingen door opname in het circuit rondom verdachte en zijn medeverdachten ten opzichte van hen in een afhankelijke positie zijn komen te staan. Het waren immers verdachte en zijn medeverdachten die hen voorzagen van een aantal noodzakelijke basisvoorwaarden voor verblijf in Nederland, te weten huisvesting en (bemiddeling bij) werk.

Verdachte bewoonde achtereenvolgens de panden aan de [adres straat 4], in eigendom toebehorend aan medeverdachte [verdachte 2], en de [straat 2] te ’s-Gravenhage. In deze panden werden tevens illegale vreemdelingen gehuisvest door verdachte, waarbij het maximale bewonersaantal van vier – in sommige perioden fors – werd overschreden. De huurders betaalden huur en/of een onkostenvergoeding aan verdachte. De maandelijkse huur varieerde volgens getuigen van € 100 tot € 150 voor een slaapplaats. Getuigen alsmede de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de Gemeente Den Haag beschrijven de leefomstandigheden in deze woningen als vervuild en onhygiënisch. Zoals reeds eerder is overwogen, waren deze illegale vreemdelingen, door hun kwetsbare positie, maar ook door het feit dat hun identiteitspapieren door verdachte en/of zijn medeverdachten onder zich werden gehouden, sterk afhankelijk van verdachte en zijn medeverdachten en konden zij niet anders dan de erbarmelijke omstandigheden van deze huisvesting accepteren. Niet kan worden gezegd dat de huurprijs die zij voor hun huisvesting dienden te betalen als redelijk kan worden aangemerkt, met name niet indien deze wordt afgezet tegen de (huur)kosten die verdachte zelf voor de panden moest maken.

Door bemiddeling van dan wel tewerkstelling door verdachte en/of zijn medeverdachten betraden de illegale vreemdelingen tevens de illegale arbeidsmarkt in Nederland. Hierbij kregen zij een allesbehalve redelijke vergoeding voor door hen geleverde diensten. Zo verklaren diverse getuigen over lonen van € 20,- tot € 35,- voor een lange dag van zwaar werk Dit loon ligt ver onder het wettelijk verplichte minimumuurloon voor legale arbeidskrachten. Daar komt bij dat de illegale vreemdelingen van dit loon in ieder geval de hierboven genoemde huurbedragen aan verdachte dienden af te dragen.

Tevens is het zo dat de illegale vreemdelingen, juist door hun illegale status, de door hen gemaakte schulden in India danwel de door hen gewenste overboekingen naar familie in India niet via het reguliere banksysteem konden aflossen danwel overboeken. Door de afhankelijke relatie zoals hiervoor beschreven waren zij genoodzaakt gebruik te maken van het door verdachte en de medeverdachten aangeboden netwerk voor het verrichten van overboekingen naar India. Zij hadden daarin geen daadwerkelijke keus. Nu er provisie werd betaald over deze geldtransacties (via het hawala-systeem), trokken verdachte en/of zijn medeverdachten voordeel uit deze transacties. De rechtbank acht derhalve bewezen dat hier sprake is van voordeel trekken uit uitbuiting in het kader van mensenhandel.

De rechtbank acht gelet op al het vorenstaande bewezen dat er sprake is van medeplegen bij – kort gezegd – het huisvesten, het (bemiddelen bij) tewerkstelling van de illegalen en het tegen betaling van provisie verrichten van geldtransacties en dat het oogmerk van verdachten daarbij was gericht op uitbuiting. Dit oogmerk kan worden afgeleid uit het feit dat een onredelijk hoge huurprijs werd berekend voor woonruimte die niet voor zoveel personen was bedoeld en in sterk vervuilde staat verkeerde. Wat betreft de (bemiddeling bij) tewerkstelling geldt dat getuigen verklaren over werkdagen van 10 uren of meer en het feit dat het uitbetaalde loon ver beneden het wettelijk minimumloon lag. Verdachte heeft van die uitbuiting geprofiteerd, nu zijn eigen verblijf in de [straat 4] en de [straat 2] - van welk pand hij de officiële huurder was - door opname van de illegalen voor hem in ieder geval aanzienlijk goedkoper (zo niet geheel kosteloos) werd. Door het zekerstellen van het werk en/of het loon van de illegalen (en aldus ook van de huurinkomsten) werd ook zijn eigen verblijf in de woning gefaciliteerd. Er is derhalve sprake van medeplegen van voordeel trekken uit uitbuiting, voor zover het de betaalde huurbedragen, de onkostenvergoedingen, de tewerkstelling en de provisie uit de door medeverdachte [verdachte 3] verrichte geldtransacties naar India betreft. Die provisie is immers ten goede gekomen aan het netwerk van personen waarmee verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent dat de rechtbank in zoverre bewezen zal verklaren dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde mensenhandel.

Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensensmokkel, door uit winstbejag behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van wederrechtelijk verblijf in Nederland en door dit verblijf te faciliteren, wederom door het huisvesten en het (bemiddelen bij) werk en/of loon. Met betrekking tot de mensensmokkel merkt de rechtbank op dat verdachte er met zijn medeverdachten een gewoonte dan wel er een beroep van maakte om op deze wijze voordeel te trekken uit de afhankelijke c.q. kwetsbare positie van de illegale vreemdelingen, nu zij in elk geval gedurende een periode van meer dan drie jaren een groot aantal illegalen van woonruimte en werk (en daarmee van inkomsten) hebben voorzien.

Voor wat betreft de tenlastegelegde geweldsplegingen en bedreigingen, die zouden zijn gepleegd in het kader van de mensenhandel, overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat die gedragingen alleen verdachte kunnen worden aangerekend. Uit de diverse getuigenverklaringen maakt de rechtbank op dat deze handelingen uitsluitend door hem en op zijn initiatief zijn verricht en dat hij daarbij telkens gebruik maakte van zijn machtspositie dan wel misbruik maakte van de kwetsbare positie van de illegale vreemdelingen. Dat zijn illegale medebewoners de bedreigingen serieus mochten nemen blijkt ook uit het feit dat hij de politie heeft gewezen op de illegale bewoning aan het pand van [verdachte 4] aan de [straat 5], waarop die bewoners zijn opgepakt en uitgezet. De rechtbank acht niet bewezen dat medeverdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] hier enig aandeel in hebben gehad noch dat hun opzet op enigerlei wijze op die handelingen was gericht. .

De rechtbank zal verdachte voorts partieel vrijspreken van onderdelen van de tenlastegelegde mensenhandel en mensensmokkel. Daartoe overweegt zij als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat het sec geld betalen aan familie in India door verdachte en/of zijn medeverdachten, zoals dit is verwoord in de tenlastelegging ter zake van feit 1, niet zonder meer kan worden aangemerkt als uit winstbejag behulpzaam zijn. Die uitbetalingen zijn, op zichzelf bezien, immers niet gedaan uit winstoogmerk. Wat betreft feit 2, eerste en derde cumulatief/alternatief geldt verder dat de rechtbank onvoldoende is gebleken dat de illegale vreemdelingen is verteld dat zij geld moesten overmaken via verdachte en/of zijn medeverdachten. Wel acht zij, zoals hierboven weergegeven, bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten voordeel hebben getrokken uit uitbuiting, doordat die betalingen (onder berekening van provisie) zijn verricht.

Bovendien acht de rechtbank, met de officier van justitie en de verdediging, niet bewezen dat verdachte betrokken was bij – kort gezegd – de reis van India naar Nederland en/of doorreis naar andere landen. Daarmee samenhangend acht de rechtbank tevens niet bewezen dat verdachte een rol speelde in het regelen, vervaardigen en/of afgeven van (ver)vals(t)e paspoorten.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de gewijzigde dagvaarding onder 1, 2, eerste, tweede, derde en vierde cumulatief/alternatief en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, dat:

Feit 1:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 14 januari 2008 te ’s-Gravenhage en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen (telkens) [A] en [B] en [C] en [D] en [E] en [F] en [G] en [H] en [I] en [J] en [K] en [L] en anderen van Indiase/buitenlandse afkomst, uit winstbejag tot het zich verschaffen van

- verblijf in Nederland,

gelegenheid en middelen heeft verschaft, immers hebben hij en zijn mededaders voor/aan/door voornoemde personen

- woonruimte verschaft en

- arbeid laten verrichten en

- bemiddeld bij het verkrijgen van werk en/of loon

terwijl zij wisten dat dat verblijf wederrechtelijk was en terwijl zij hiervan een beroep of gewoonte hebben gemaakt;

Feit 2:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot 1 september 2006 te ’s-Gravenhage en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens [A] en [H] en [I] en [J] en anderen van Indiase/buitenlandse afkomst door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die anderen, bestaande dat misbruik hieruit dat hij verdachte en zijn mededaders telkens voor/aan/van/door voornoemde personen, die allen illegaal in Nederland verbleven en die grote bedragen hebben betaald en/of schulden hebben gemaakt om naar Nederland te reizen

- de verblijfspapieren onder zich hebben gehouden en

- onderdak hebben verschaft en/of verzorgd in een huis waar hij, verdachte ook verbleef en

- arbeid hebben laten verrichten en

- hebben bemiddeld bij het verkrijgen van werk

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot 1 september 2006 te ’s-Gravenhage [A] en [H] en [I] en [J] en anderen van Indiaase/buitenlandse afkomst, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die anderen, bestaande dat misbruik hieruit dat hij verdachte voor/aan/van voornoemde personen, die allen illegaal in Nederland verbleven en die grote bedragen hebben betaald en/of schulden hebben gemaakt om naar Nederland te reizen

- heeft gedreigd aan te geven bij de politie omdat zij illegaal in Nederland verbleven en

- onder dreiging voornoemde personen bij de politie aan te geven omdat zij illegaal in Nederland verbleven geld en spullen heeft laten afdragen en

- spullen heeft afgepakt en/of kapot gemaakt en/of eten heeft weggegooid en

- heeft mishandeld en

- heeft uitgescholden en

- het beeld heeft gewekt dat verdachte en zijn familie in India contacten had/hebben met gevaarlijke criminelen en/of wraak zouden nemen op voornoemde personen indien zij problemen zouden maken;

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot 1 september 2006 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [A] en [H] en [I] en [J] en anderen van Indiase/buitenlandse afkomst, immers hebben verdachte en zijn mededaders meermalen van voornoemde personen huur ontvangen en geldbedragen ontvangen en hen tegen geringe vergoeding arbeid laten verrichten en van hen bij het overmaken van geld aan familie in India via verdachte en/of zijn mededaders provisie ontvangen;

en/of

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2006 tot en met 14 januari 2008 te ’s-Gravenhage en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens [A] en [B] en [C] en [D] en [E] en [F] en [G] en [H] en [I] en [J] en anderen van Indiase/buitenlandse afkomst, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die anderen, bestaande dat misbruik hieruit dat hij verdachte en zijn mededaders telkens voor/aan/van/door voornoemde personen, die allen illegaal in Nederland verbleven en die grote bedragen hebben betaald en/of schulden hebben gemaakt om naar Nederland te reizen

- de verblijfspapieren onder zich hebben gehouden en

- onderdak hebben verschaft en/of verzorgd in een huis waar hij, verdachte of één van zijn mededaders ook verbleef en

- arbeid hebben laten verrichten en

- hebben bemiddeld bij het verkrijgen van werk

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2006 tot en met 14 januari 2008 te ’s-Gravenhage [A] en [B] en [C] en [H] en [I] en [J] en anderen van Indiase/buitenlandse afkomst, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die anderen, bestaande dat misbruik hieruit dat hij verdachte van/bij voornoemde personen, die allen illegaal in Nederland verbleven en die grote bedragen hebben betaald en/of schulden hebben gemaakt om naar Nederland te reizen

- heeft gedreigd aan te geven bij de politie omdat zij illegaal in Nederland verbleven en

- onder dreiging voornoemde personen bij de politie aan te geven omdat zij illegaal in Nederland verbleven geld en spullen heeft laten afdragen en

- spullen heeft afgepakt en/of kapot gemaakt en/of eten heeft weggegooid en

- heeft mishandeld en

- heeft uitgescholden en

- het beeld heeft gewekt dat verdachte en zijn familie in India contacten had/hebben met gevaarlijke criminelen en/of wraak zouden nemen op voornoemde personen indien zij problemen zouden maken;

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2006 tot en met 14 januari 2008 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [A] en [B] en [C] en [D] en [E] en [F] en [G] en [H] en [I] en [J] en anderen van Indiase/buitenlandse afkomst, immers hebben verdachte en zijn mededaders van voornoemde personen huur ontvangen en geldbedragen ontvangen en hen tegen geringe vergoeding arbeid laten verrichten en van hen bij het overmaken van geld aan familie in India via verdachte en/of zijn mededaders provisie ontvangen;

Feit 3:

hij op 14 januari 2008 te ’s-Gravenhage in het bezit was van een reisdocument, te weten een Nederlandse Identiteitskaart (nummer [nummer], op naam van [naam 1]), waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals was, bestaande de valsheid hieruit dat de lay-out en het lettertype en de pasfoto en de tactiele elementen afwijken en ontbreken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte.

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen en/of maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich met anderen gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan zowel mensensmokkel als mensenhandel door voornamelijk illegale Indiërs in Nederland van huisvesting tegen betaling van een onredelijke huurprijs en werk tegen minimale inkomsten te voorzien, alsmede geldoverboekingen voor deze illegale vreemdelingen tegen provisie mogelijk te maken.

Door mensensmokkel wordt niet alleen het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland doorkruist, maar wordt ook bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit, waardoor het sociaal overheidsbeleid wordt of kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd.

Door zich schuldig te maken aan mensenhandel heeft verdachte doelbewust zijn slachtoffers uitgebuit. Bovendien heeft verdachte hierbij ook nog eens misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van de illegale vreemdelingen door hen te bedreigen, te mishandelen en te chanteren, opdat zij (naast de huur die zij reeds betaalden) geld en goederen aan hem zouden afstaan. Hiermee heeft verdachte zich op ongunstige wijze onderscheiden van zijn medeverdachten. Dit neemt de rechtbank verdachte ernstig kwalijk. Het feit dat hij lange tijd zelf zonder wettelijke status in Nederland heeft verbleven maakt dit niet anders.

Naar het oordeel van de rechtbank kan hierop niet anders worden gereageerd dan met een langdurige gevangenisstraf.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 26 april 2010 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld. Daarentegen blijkt uit het dossier(1) dat verdachte onder een alias, te weten [alias], wel in 2003 tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld in de Verenigde Staten van Amerika wegens – kort gezegd – fraude.

De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf passend. De rechtbank zal bovendien, mede gelet op verdachtes (inmiddels illegale) verblijfstatus in Nederland, de gevangenneming bevelen van verdachte.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder Bd1/a/III/1.1-19 (kopieën van paspoorten) genummerde voorwerpen, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten zijn verkregen.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder Bd1/a/III/7.1.1-2 (vals paspoort op naam van [naam 1]) genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder 3. bewezen verklaarde feit is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

Tevens zal de rechtbank het op de beslaglijst onder Bd1/a/III/6.3.1 (vervalste NS stamkaart op naam van [naam3] genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar aangezien dit aan de verdachte toebehorende voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten is aangetroffen, terwijl het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

Teruggave aan uitgevende instantie

De rechtbank zal, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, de teruggave aan de uitgevende instantie gelasten van de op de beslaglijst onder Bd1/a/III/7.2.1 (paspoort op naam van [naam4] en Bd1/a/III/7.5.1.1-3 (paspoort op naam van [naam 5] genummerde voorwerpen.

Teruggave aan de rechthebbenden

De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbenden gelasten van de op de beslaglijst onder Bd/a/VII/1.1-5 (bescheiden op naam van [naam 6]), Bd/aa/III/5.1 (bescheiden op naam van [naam 7]), en Bd1/a/I/4.2.1-6 (schriftelijke bescheiden op naam van [G]) genummerde voorwerpen.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Ten aanzien van de op de beslaglijst onder Bd1/a/IV/3.1 (mobiele telefoon aangetroffen op het bed van [F]) en Bd1/a/III/2.1 (mobiele telefoon aangetroffen op het bed van [G]) genummerde voorwerpen kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt.

De rechtbank zal daarom de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

De vordering van de benadeelde partij.

[F] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1200,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57 (oud), 197a (oud), 197a, 231, 273a (oud) en 273f (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij – gewijzigde – dagvaarding onder 1, 2, eerste, tweede, derde en vierde cumulatief/alternatief en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

een ander uit winstbejag tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland gelegenheid en middelen verschaffen terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt

en

een ander uit winstbejag tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland gelegenheid en middelen verschaffen terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2, eerste, tweede, derde en vierde cumulatief/alternatief:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

en

mensenhandel, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals is;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) JAREN EN 6 (ZES) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt de gevangenneming van verdachte (apart geminuteerd);

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder Bd1/a/III/1.1-19 (kopieën paspoort) genummerde voorwerp;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder Bd1/a/III/7.1.1-2 (vals paspoort op naam van [naam 1]) en Bd1/a/III/6.3.1 (vervalste NS stamkaart op naam van [naam 3]) genummerde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van de op de beslaglijst onder Bd1/a/III/7.2.1 (paspoort op naam van [naam 4]) en Bd1/a/III/7.5.1.1-3 (paspoort op naam van [naam 5]) genummerde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de op de beslaglijst onder Bd/a/VII/1.1-5 (bescheiden op naam van [naam 6]), Bd/aa/III/5.1 (bescheiden op naam van [naam 7]), en Bd1/a/I/4.2.1-6 (schriftelijke bescheiden op naam van [G]) genummerde voorwerpen;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst onder Bd1/a/IV/3.1 (mobiele telefoon aangetroffen op het bed van [F]) en Bd1/a/III/2.1 (mobiele telefoon aangetroffen op het bed van [G]) genummerde voorwerpen;

bepaalt dat de benadeelde partij [F] niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat hij vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mrs.Rabbie, voorzitter,

Meessen en Schotte, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Janssens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 mei 2010.

1 Rechtshulpverzoek 0/OPV/R/1-57